website over journalistiek

Waaraan kun je een journalist herkennen?

Folkert Jensma — Geplaatst op woensdag 23 december 2015, 08:57

Opinie Waaraan herken je een journalist en is het nodig? Folkert Jensma, voorzitter van de Raad voor de Journalistiek a.i., meent dat herkenning nodig is. 'De journalistiek zal moeten (leren) kiezen. En vaststellen wie het wel is. En wie niet. Of niet meer', stelt hij in een opiniebijdrage.

Toch was het een klein tikje voor het zelfbeeld, de constatering in de regionale HMC-kranten (woensdag 16 december) dat ´steeds vaker´ criminelen de onderwereld verruilen voor de journalistiek. ‘Van boef naar crimereporter’ stond er boven, met vier foto’s van nogal stevige mannen die nu websites runnen, foto-opdrachten aannemen en informatie verkopen. Welkom, collega’s?

Is dit het journalistieke beroep als reclassering of als dekmantel? Of doet een crimineel die journalist wordt hetzelfde als de diplomaat die Elsevier redacteur werd (Rik Kuethe) of een tenniskampioen die verder gaat als sportcommentator (Marcella Mesker)?

De journalistiek is in beginsel een lekenberoep waar iedere deskundige zij-instromer, uit welke subcultuur dan ook, welkom is. Feitelijk is journalistiek niet meer dan het uitoefenen van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting met behulp van journalistieke technieken. Ook een crimineel kan zijn ervaring en kennis exploiteren met een perskaart. Dit is een vrij land, nietwaar.

Deze maand boekte één van hen, Martin Kok, een interessante overwinning op het bestuur van het Gerechtshof in Amsterdam. Dat had hem de toegang tot het gerecht geweigerd omdat onlangs zijn auto en woning waren beschoten. Op zijn website vlinderscrime.nl zou Kok zich zo provocerend uitlaten dat men hem een veiligheidsrisico voor andere bezoekers van het gerecht achtte. De rechter vond dat echter een ongewenst signaal ‘in een democratische rechtstaat’. De bedreiging van misdaadjournalisten mag er niet toe leiden dat ze daarna uit de rechtszaal worden geweerd. Drie hoeraatjes voor de persvrijheid dus, met dank aan Kok. Die daarmee dus ook en passant werd erkend als misdaadjournalist, door de rechter. 

Toch is deze vrijheid-blijheid aanpak niet zonder problemen. Als iedereen journalist is, is immers niemand journalist. Die ‘titel’, als het dat al is, heeft dan geen enkele onderscheidende waarde. Hetgeen niet wegneemt dat er toch een verschil is tussen journalisten en niet-journalisten.

Journalist en hoogleraar Jeroen Smit stelde onlangs op Villamedia.nl voor om een vrijwillig openbaar online register open te stellen voor journalisten, vooral om fraude tegen te gaan en controleerbaarheid te vergroten. Journalisten zouden bij registratie dan een eed moeten afleggen. Namelijk dat zij zich aan een aantal spelregels zullen houden. Naarmate de druk, concurrentie en snelheid toenemen wordt de kans op normoverschrijdingen groter, meent hij. Er komen bovendien steeds meer zelfstandig gevestigde journalisten, die buiten het zicht van redactionele begeleiding of statutaire bescherming werken. Zo’n register is dan een openbare maatstaf annex keurmerk. Journalisten die de spelregels overtreden zouden dan uit dat register worden geschrapt. Feitelijk is dit een stelsel van zelf-accreditatie – met een ballotage achteraf. Iedereen is journalist, totdat wordt besloten dat je dat niet meer bent. Wie dat dan moet besluiten, en bij hoeveel overtredingen, laat hij in het midden.

Soortgelijke suggesties werden eerder gedaan in de Persvrijheidslezing 2013 door oud-raadsheer Egbert Myjer, overigens één van de vier vice-voorzitters van de Raad voor de Journalistiek. Myjer suggereerde dat journalisten die aanspraak willen maken op bronbescherming zich tenminste verplichten tot collegiale toetsing, via de Raad voor de Journalistiek. Dat een ‘willekeurige blogger’ de herkomst van een geheim AIVD-rapport geheim zou mogen houden, leek hem ook niks. Ook bronbescherming zou beperkt moeten blijven tot echte en dus ‘erkende’ journalisten. Myjer vond dat een taak voor de NVJ. Ook dat is immers een vorm van collegiale toetsing.

In zekere zin bestaat die trouwens al. Wie een NVJ-perskaart wil ontvangen moet daarvoor een ‘aantal artikelen’ opsturen, zo las ik onlangs in de brochure.

Dat de journalistiek hier in lastig parket zit, lijkt me evident. Aan reguleren, ballotage, toezicht en controle hebben we allemaal een broertje dood. Maar you can’t have your cake and eat it, luidt het gezegde. De journalistiek zal moeten (leren) kiezen. En vaststellen wie het wel is. En wie niet. Of niet meer. Die is dan gewoon ‘publicist’. Het is ook denkbaar dat de samenleving dat wel eens wil weten.

Ik stel voor dat we gewoon beginnen – met zelfaccreditatie. Zo’n NVJ-perskaart, dat zegt al wat. En waarom zet iedere (freelance) journalist niet op zijn website, in zijn offertes of standaardvoorwaarden dat je werkt volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en in beginsel meedoet aan procedures bij de Raad? Dat schept toch vertrouwen.

Folkert Jensma is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek a.i.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de website van de Raad.

 

3 reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

  1. 1. Marcel Gelauff, 23 december 2015, 11:48

    De vraag stellen is hem beantwoorden: een goede journalist herken je aan de kwaliteit van zijn werk, maar zeker ook aan de bereidheid om transparant te zijn over de gekozen journalistieke aanpak en gehanteerde uitgangspunten.
    Het punt dat Folkert Jensma aanroert, is reëel in deze tijd van disruptive innovation, alleen is de voorgestelde oplossing niet op elk punt volledig van deze tijd.

    Een min of meer noodzakelijk lidmaatschap van een vakbond lijkt me minder passen in een open democratische samenleving anno 2015, waarin de digitale revolutie er juist voor zorgt dat meer dan ooit duizend journalistieke bloemen kunnen bloeien.
    Daar komt bij: ik heb niets tegen vakbonden, maar een vakbond van journalisten kijkt uiteindelijk (terecht) naar het belang van zijn leden en dat kan wat anders zijn dan het belang van de journalistiek of de behoefte van een individuele journalist.

    Ook het voorstel dat Jeroen Smit eerder deed, spreekt mij minder aan. Een vrijwillig openbaar online register voor journalisten (om fraude tegen te gaan en controleerbaarheid te vergroten) lijkt op het eerste gezicht een hanteerbare suggestie, maar uiteindelijk loop je toch tegen het punt aan dat moet worden bepaald of iemand nog mag meedoen of niet.

    Ik zou zeggen: laten we het niet moeilijker maken dan het is. Onze sector kent met de Raad voor de Journalistiek al een tamelijk breed geaccepteerde vorm van zelfregulering en bovendien: elke journalist opereert uiteindelijk binnen de regelgeving en jurisprudentie van onze democratie.

    De gedachte van Jensma om De Leidraad van de Raad voor de Journalistiek als een soort leveringsvoorwaarden neer te zetten, is dus zeker zinvol en toevoegend. Welke journalist zou daar tegen zijn?

    En als dat toch niet werkt: uiteindelijk wordt journalistieke kwaliteit zichtbaar in het journalistieke product, niet in een etiket of een lidmaatschapskaartje om de nek.

    Marcel Gelauff
    Hoofdredacteur NOS Nieuws

     

     

  2. 2. J.C. Roodenburg, 23 december 2015, 15:45

    Goed verhaal van de voorzitter a.i. van de Raad van Journalistiek. Ik heb vaak kritiek geuit op zijn rubriek Rechtsstaat in NRC Handelsblad. Maar hij is nog een ware journalist die weet waar Abraham de mosterd haalt.
    Overigens was in mijn verleden bij diverse dagbladen al 1 procent van de collega’s min of meer crimineel, zeker slordig en populistisch.
    Voor het vastleggen van bepaalde verantwoordelijkheden van professionele journalisten twijfel ik. Aan de ene kant ben ik daar voorstander van en aan de andere kant moet je dit beroep ook niet een officieel tintje geven.

    Overigens heeft de genoemde Marin Kok zich wel enigszins misdragen. Voor hem zou ‘collegiale toetsing’ misschien wel op zijn plaats zijn . 

  3. 3. L van de Geijn, 24 december 2015, 17:42

    Het lijkt me idd niet passend als een criterium voor het voeren van de ‘titel’ journalist het lidmaatschap van de NVJ zou zijn. Op e e n punt moet ik Marcel Gelauf wel corrigeren: de NVJ komt niet alleen op voor de belangen van leden. In de statuten staat de hoogstaande uitoefening van het vak als doelstelling geformuleerd en ook op het punt van persvrijheid, nationaal en internationaal, discrimineert de NVJ niet tussen leden en niet-leden.
    Totnutoe heb ik nooit gevoeld voor beperkte toelating tot het vak, zoals de Belgen praktiseren, bijvoorbeeld. Is nogal ongemakkelijk als je persvrijheid voorop stelt. Maar de vernietigende vernieuwing dwingt inderdaad tot heroverweging. Het behoud van enige bescherming en ook het gewicht van journalistieke belangen in het maatschappelijk debat lijken te vragen om beperkte toegang.
    Persoonlijk geloof ik wel in een registratie met erkenning van de grondregels van de raad voor de journalistiek. Dat mag wat mij betreft echter niet betekenen dat journalisten (of media) die dat niet willen doen, een beroepsverbod zouden hebben. Het publiek zou zelf moeten bepalen of en in hoeverre een registerjournalist serieuzer genomen moet worden dan een vrije jongen of meisje, al dan niet crimineel. Het helpt als daarover duidelijkheid is.
    Lijkt me een goede discussie waard onder vakgenoten, NVJ-lid of niet. (Ik ben vice-voorzitter van de NVJ, dit schrijf ik op persoonlijke titel).

COP