Einde aan de fraude

Einde aan de fraude

Jeroen Smit — Geplaatst in Journalistiek op maandag 7 december 2015, 17:09

Opinie Journalistieke fraude: vorig jaar ging het mis bij Trouw, dit jaar bij de Volkskrant. Staat de journalistieke kwaliteit onder druk? Door een eed af te leggen gaan journalisten hun integriteit beter onderhouden, meent journalist Jeroen Smit.

Oef: twee opzienbarende journalistieke fraudes in een jaar tijd. Eind oktober moest de hoofd­redacteur van de Volkskrant, Philippe Remarque door het stof. Een klein jaar eerder, begin november 2014, ging het dramatisch mis bij Trouw.
Remarque schreef erover in zijn krant:

‘De Volkskrant heeft de afgelopen maanden een aantal artikelen gepubliceerd waarvan passages blijken te zijn overgeschreven van andere media in binnen- en buitenland, zoals The Guardian, Vice, het Financieele Dagblad en NRC. Al deze artikelen zijn van de hand van een verslaggever die stage liep bij de krant. Hij nam zonder bronvermelding alinea’s over en bracht uitspraken van geïnterviewden tegenover andere media alsof ze tegen hem waren uitgesproken. Dit is een ontoelaatbare misstap. Ik bied de lezers onze excuses aan, net als de auteurs en de media wier werk is misbruikt.’

Trouw-hoofdredacteur Cees van der Laan vroeg november vorig jaar aan een onderzoekscommissie (professor Egbert Myer, Bert Kreemers en ondergetekende) de zaak ‘Ramesar’ te onderzoeken. Uit het, zoals door hem beloofd, volledig gepubliceerde rapport blijkt dat de betrokken redacteur, Perdiep Ramesar (vanaf 2007 werkzaam bij Trouw): ‘jarenlang een onverklaarbaar groot aantal niet-traceerbare bronnen heeft gebruikt.’ De commissie noemt dit een journalistieke doodzonde.

Beide hoofdredacteuren hadden gelukkig de helderheid van geest om onmiddellijk met de billen bloot te gaan, de verantwoordelijkheid te nemen en hun publiek te informeren. Zij realiseerden zich dat het vertrouwen van hun lezers en adverteerders staat of valt met transparantie op het moment dat zich een probleem voordoet. En ze realiseerden zich ook dat de oorzaak van de journalistieke fraudes niet alleen bij de dader ligt.

Over de kwestie-Ramesar schrijft de commissie:
‘De leiding heeft zich onvoldoende ingespannen om de naleving af te dwingen van de regels over het gebruik van anonieme bronnen’ en ‘De cultuur van Trouw heeft er niet aan meegewerkt dat de controlemechanismen (de formele maar ook de informele) voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de krant goed werden onderhouden. De combinatie van een ambitieuze kwaliteitskrant en een cultuur van vertrouwen hebben ervoor gezorgd dat vrijwel de hele redactie verrast was dat een hunner deze werkwijze hanteerde’.
En even verderop: ‘Naast het ontbreken van een goede begeleiding was ook sprake van een grote werkdruk. Van de drie algemene kwaliteitskranten heeft Trouw verreweg de kleinste redactie. De druk om te produceren is groot. Hierbij komt dat Ramesar gretig inging op steeds weer nieuwe verzoeken die zijn chefs overigens met dezelfde gretigheid deden. Het was lastig voor hem om neen te zeggen en hij overtrof dan ook nog eens de verwachtingen die bij zijn chefs leefden over wat hij nu weer aan nieuws had weten aan te boren. De lof die hij aldus kreeg was voor hem ongetwijfeld een aansporing om op het ingeslagen pad door te gaan. En met de kennis van nu moet worden geconcludeerd dat waar vragen opdoken over zijn werkwijze hij, zoals na zijn artikel over de Sharia-driehoek, wel erg makkelijk steun kreeg van zijn toenmalige hoofdredactie.’

Ook de hoofdredacteur van de Volkskrant stelt in zijn commentaar vast dat:
‘Het maskeren van het bedrog ging ver. Evengoed dragen wij er de volle verantwoordelijkheid voor. Ik en andere leidinggevenden op de krant hebben onvoldoende opgelet toen een jonge stagiair opvallend goed en veel bleek te kunnen schrijven. Wij slaan ons voor het hoofd dat we dit hebben laten gebeuren. We nemen het geval hoog op en zullen er alles aan doen om onze betrouwbaarheid nog beter te waarborgen.’
In een toelichting vertelt Remarque met het schaamrood op de kaken dat ze in de jonge stagiair zelfs ‘een wonderkind’ zagen.

Beide hoofdredacteuren constateren dat ze tekort zijn geschoten, dat hun redactie tekort is geschoten in het controleren van de kwaliteit van hun werk. Dat ze te gretig waren in het omhelzen van het vermeende talent van de journalisten die vervolgens de boel bleken te flessen. De conclusie is onontkoombaar: zodra de gretigheid van een redactie en de gretigheid van een journalist elkaar vinden, gaat het mis. Natuurlijk is het goed om de ‘checks and balances’ op een redactie versterken: een ombudsman, stevige afspraken over het gebruik van bronnen, veel journalisten samen op pad sturen, etc. Het helpt, maar ik vraag me af of het genoeg is.

Ik vrees dat die gretigheid (van beide kanten) alleen maar zal toenemen de komende jaren. Simpelweg omdat de druk om te presteren (meer doen met minder mensen) toeneemt. Het bestaande verdienmodel loopt op haar laatste benen. Steeds kleiner wordende redacties moeten het oude (de krant) zo goed mogelijk overeind houden en het nieuwe (online) nog grotendeels ontwikkelen. Steeds meer (werkzoekende) freelancers (want steeds minder vaste banen) moeten laten zien wat ze kunnen, moeten zichzelf ‘in de markt zetten’. De concurrentie is groot en verandert. Nieuwe aanbieders van journalistiek, die een heel ander spel spelen, dienen zich aan.

In de VS zou een derde van de volwassenen zich voor wat betreft de nieuwsvoorziening laten leiden door wat Facebook ze via algoritmes (gratis) voorschotelt. Een dramatische ontwikkeling die het belang van onafhankelijke journalistiek ondergraaft. Online, mobiele nieuwsconsumptie wordt sowieso snel dominanter. Uit de Edelman Trust barometer (een jaarlijkse enquête onder 27.000 mensen) blijkt dat het vertrouwen in zoekmachines inmiddels groter is dan in traditionele media.

Online lijkt zich bovendien een vorm van journalistiek te ontwikkelen waarin toegankelijkheid en snelheid belangrijker zijn dan betrouwbaarheid. Wie een journalistiek verhaal krijgt aangereikt via social media of zoekmachine kent de bron steeds minder vaak. Wie is dit? Waar staat deze journalist voor? Hoe moet ik deze informatie wegen? Vroeger kwamen de meeste producties uit een herkenbare hoek: de Volkskrant, de Avro, het Radio 1-Journaal. De verhalen werden vrijwel allemaal gemaakt onder de paraplu van een streng redactie- of programmastatuut waarin de onafhankelijke kwaliteit van de nieuwsgaring wordt benadrukt. Dit zal steeds minder het geval zijn. De naar betrouwbare duiding snakkende ontvanger moet het doen met de naam van de journalist. Het is in mijn ogen logisch dat die individuele journalist duidelijkheid moet verschaffen over zijn werkwijze.

Ik geloof in de kracht van onafhankelijke journalistiek. In de nutsfunctie ervan. Dan denk ik niet alleen aan het ontdekken en duiden van nieuws maar ook aan het maatschappelijk rendement van al die telefoontjes van kritische journalisten. Ook als er geen verhalen uitkomen: iedere keer als een machthebber met een kritische journalist wordt geconfronteerd weet hij/zij: er wordt op mij gelet, laat ik maar binnen de lijntjes blijven.

Journalisten hebben een nutsfunctie. Zoals dokters zich ontfermen over onze gezondheid, zo ontfermen journalisten zich over de kwaliteit van informatie-uitwisseling en voorziening. Er is een belangrijk verschil als het gaat om de geloofwaardigheid en onafhankelijke kwaliteit: om dokter te kunnen worden moet je diploma’s halen en een eed afleggen.

Iedereen mag zich van het ene op het andere moment journalist noemen. Het is een vrij beroep en dat moet ook vooral zo blijven. De best garantie op een zekere kwaliteit wordt bepaald door het simpele feit dat iedereen de geleverde verhalen in principe kan beoordelen, controleren.

In de praktijk vindt die controle nauwelijks plaats. ­Terecht, het (gelukkig nog vaak betalende) publiek wil en moet zich kunnen verlaten op de door de professionele journalist geleverde kwaliteit. Naarmate het aanbod van media versnelt en versnippert wordt het daarom steeds belangrijker dat journalisten expliciet aan hun lezers, kijkers en volgers duidelijk gaan maken hoe ze hun werk doen. Hoe ze tot hun onafhankelijke waarheidsvinding komen, maatschappelijke ‘checks and balances’, in kaart brengen. Zij moeten antwoord geven op de vraag wat voor hen kwaliteit is.

Ik geloof dat het in een openbaar online register vrijwillig afleggen van een op die kwaliteit gebaseerde eed daarbij kan helpen. Van zo’n steeds weer controleerbare belofte (over check-dubbelcheck, wederhoor, etc.), gaat dag-in-dag-uit, een zekere disciplinerende werking uit. Het helpt een journalist geregeld stil te staan bij zijn of haar werkwijze.

De wetenschap dat iedereen die jouw werk ziet, online kan zien dat je je hebt verbonden aan die kwaliteits­eisen, zal ervoor zorgen dat je nog een keer extra kritisch door je verhaal loopt, een paar telefoontjes extra pleegt, een paar vragen extra stelt, voor je op ‘send’ drukt. Want: een twijfelende burger kan in no-time zien of de afzender van een boodschap iemand is die de basisspelregels van ons prachtige en belangrijke vak onderschrijft.

Zo’n register is een eerste stap. Waarschijnlijk moet vervolgens, stap voor stap, worden gewerkt aan een systeem waarbij journalisten die keer op keer de spelregels overtreden (bijvoorbeeld vastgesteld in gerechtelijke procedures en/of door de Raad voor de Journalistiek) uit dat register worden geschrapt. Zodat je als beroepsgroep ook duidelijk kan maken: jij hoort in dit gezelschap niet thuis. Jij bent geen echte betrouwbare, zorgvuldige journalist.

Ik realiseer me goed, het doet een beetje pijn dit. Journalisten voelen zich bovendien snel bedreigd en hebben de neiging hoog op het paard te gaan zitten als het gaat om moraliteit (‘waakhond van de democratie’). Ze stralen bijna driftig uit dat er natuurlijk niets mis is met hun onafhankelijkheid, hun integriteit. In de paar discussies die ik de afgelopen maanden hierover heb gevoerd, valt vooral de verontwaardiging op. De gedachte alleen al dat ik durf te opperen dat er mogelijk iets mis zou kunnen zijn met de integriteit van journalisten. Het klinkt gek, maar misschien kunnen we iets leren van bankiers. Zij bekeerden zich pas tot een eed nadat het vertrouwen tot een nulpunt was gedaald. Laten we dat scenario voor zijn.

Ik geloof dat we allemaal onze integriteit iedere dag opnieuw moeten organiseren, daar een inspanning voor moeten leveren. Steeds zijn er weer nieuwe omstandigheden (verleidingen, concurrentie, perverse prikkels) die de onze door de jaren heen ontwikkelde integriteit uitdagen, testen. Het is met integriteit als met een huis: als je het niet onderhoudt zet het verval in en wordt het uiteindelijk onbewoonbaar verklaard.

Dit artikel is een ernstig ingekorte versie van een hoofdstuk in het in 2016 te verschijnen: ‘Opstellen over fraude’, onder redactie van Lex van Almelo, Bob Hoogendoorn, Erwin Muller en Marcel Pheijffer.

Jeroen Smit (1963)
81-86: Bedrijfs­kunde in­Groningen
87-90: organisatieadviseur
90-02: Het
FD, Algemeen Dagblad (chef economie) en FEM/De Week (hoofd­redacteur/uitgever)
2004-2008: boeken ‘Het drama Ahold’, ‘De prooi’
04-10: (inval)presentator
Mediazaken (BNR), Nova, Buitenhof
04-14: Maakte/presenteerde documentaireseries; Welvaart 2025, Leiders gezocht, EZ
11-15: hoogleraar Journalistiek RUG
Vanaf 2002: freelancer, schrijver, commentator, presentator, moderator.

3 reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

  1. 1. L van de Geijn, 7 december 2015, 22:11

    Jeroen Smit gebruikt meer dan terloops de term nutsfunctie in relatie tot onafhankelijke journalistiek. Dat impliceert m.i. dat deze functie door de overheid gewaarborgd moet worden als blijkt dat ‘de markt’ deze functie niet meer draagt. In delen van het land, m.n. in de regionale journalistiek, is dat laatste zichtbaar. De vraag is: lees ik dit goed, d.w.z. is dit wat de auteur ook bedoelt? Zo ja, dan ben ik benieuwd naar de vorm waarin de overheid hierin een rol kan spelen. De NVJ zoekt naar antwoorden.

  2. 2. Rob Visser, 4 januari 2016, 14:57

    @L. van de Geijn: qua nutsfunctie ben ik het eens met Jeroen Smit. Ik denk overigens niet dat hij bedoelt dat overheidscontrole moet zijn. Nutsfunctie betekent voor mij dat een organisatie rekening houdt met meer stakeholders dan aandeelhouders, afnemers en medewerkers. Dus bijv. ook met de belangen van de samenleving als geheel en dan met name op langere termijn. Dit vraagt niet per definitie om overheidstoezicht op het dagelijks functioneren van de pers.

    In het algemeen zie ik de waarde van een beroepseed. Daarnaast denk ik dat er nog veel andere mogelijkheden zijn om de maatschappelijke en economische \waarde van de journalistiek te verhogen, waardoor ook meer zingeving in het vak ontstaat. Bijvoorbeeld: audits die steekproefsgewijs de journalistieke werkwijze doornemen en waarvan de resultaten (behalve bij grove schendingen) in een statistisch rapport verschijnen. Of systematisch aandacht voor meer dan één stakeholder bij elk artikel van meer dan ... (bijv 500) woorden.

    Natuurlijk lopen journalisten het risico dat hun geloofwaardigheid net zo hard in duigen valt als die van bankiers. Mede omdat journalisten zichzelf in staat achten het functioneren van iedereen in een ander vakgebied te beoordelen zonder aantoonbare kennis van zaken. Terwijl niemand uit een ander vakgebied het recht krijgt de journalistiek te beoordelen, op straffe van een beschuldiging dat de persvrijheid wordt bedreigd.

    De oorzaak hiervan gaat dieper dan de aanstelling van een frauduleuze stagiair. Kernfactor is dat het grote maatschappelijke belang van een kwalitatieve journalistiek (en de onaantastbare positie als waakhond) wordt gekoppeld aan economische criteria die voor een mediabedrijf identiek zijn aan die van een zoutjesfabriek. Terwijl het krachtenveld heel anders is. Daarvoor moeten m.i. oplossingen komen. Het is denkbaar dat de overheid hierbij een rol krijgt als facilitator (niet als controleur), om dit krachtenveld meer in balans te brengen.

  3. 3. J.C. Roodenburg, 8 januari 2016, 16:09

    Ik denk dat Jeroen mij zo langzamerhand gaat overtuigen. Geen grote werkgever zal overigens nog een bezoedelde journalist in dienst nemen. Misschien helpt dat: een soort automatische ‘ban’. Ik verwacht nog vele reacties uit onze beroepsgroep.