website over journalistiek

x

Download de Villamedia-app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

‘We willen journalisten oproepen om vaker met ons te overleggen’

Raymond Krul — Geplaatst in Journalistiek op dinsdag 22 augustus 2017, 08:58

Wilbert Paulissen, hoofd van de Dienst Landelijke Recherche

Wilbert Paulissen, hoofd van de Dienst Landelijke Recherche - © Ivo van der Bent

ethiek Als hoofd van de Dienst Landelijke Recherche geeft Wilbert Paulissen leiding aan het onderzoek naar de ramp met de MH17. Hij werkt daarbij samen met journalisten, maar soms lopen ze hem ook hinderlijk in de weg.

Gevraagd naar zijn vroegste ervaringen met journalisten vertelt Wilbert Paulissen met gevoel voor nostalgie over zijn jaren als inspecteur in het gemoedelijke Brabant van de jaren 80. ‘Dat was in de tijd dat er nog geen professionele communicatiemensen en woordvoerders bij de politie werkten. Eens in de zoveel tijd had je een week piketdienst en dan was het de gewoonte dat journalisten op zondagmiddag langskwamen om de mutatieboeken door te nemen. Dan zaten we met een kopje koffie en die dikke boeken aan tafel, op zoek naar een vechtpartij, een reeks inbraken in een bepaalde wijk of andere zaken die het vermelden waard waren.’

Hoe anders liggen de zaken anno 2017. Als chef van de Landelijke Recherche is Paulissen niet alleen verantwoordelijk voor de bestrijding van zaken als kinderporno, terrorisme en cybercrime, Paulissen is namens de politie ook belast met het onderzoek naar de ramp met de MH17, nu ruim drie jaar geleden. De ramp is niet alleen een groot drama voor slachtoffers en nabestaanden, maar ook een geopolitiek kruitvat. De manier waarop de media de ramp en de nasleep ervan verslaan, staat in schril contract met het zondagse kopje koffie van weleer. Een journalistiek collectief als Bellingcat doet op onorthodoxe wijze onderzoek, belanghebbenden verspreiden desinformatie en het ongeduld onder nabestaanden en media is soms groot. Paulissen: ‘Als je in het verleden met journalisten praatte, dan wist je doorgaans meer dan de journalist. Dat is nu radicaal veranderd. Journalisten gaan niet meer zitten wachten totdat de politie met bewijs komt. Ze gaan zelf onderzoek doen en staan soms eerder op de PD (plaats delict, red.) dan wij.’

Bellingcat
De verhoudingen tussen media en politie zijn wat evenwichtiger geworden, concludeert Paulissen. Dat heeft voor- en nadelen. De manier waarop burgerjournalistiek platform Bellingcat zich in de MH17-nasleep vastbeet, zorgde in het begin nogal eens voor gefronste wenkbrauwen bij de politiemensen die zich met het onderzoek bezighielden, zegt Paulissen. ‘Vooral de oudere garde reageerde op een manier van: wat gebeurt er nu? Bellingcat brengt bepaalde zaken naar buiten en dat kan ons onderzoek belemmeren. Dat zag je bijvoorbeeld toen na een van hun publicaties meteen een aantal Facebook-accounts op zwart gingen. Op een gegeven moment dachten we: weet je wat, we gaan ze gewoon bellen. Dat contact heeft ervoor gezorgd dat we nu goed met ze samenwerken. We hebben onze mensen van hightech crime met Bellingcat in contact gebracht en dan zie je gewoon dat er een win-win-situatie ontstaat.’

Paulissen heeft veel respect voor het werk van Bellingcat. ‘Ze vonden in het begin dingen die wij op dat moment nog niet scherp hadden. Daarnaast is het knap hoe zij zaken te weten komen door gebruik te maken van de “wisdom of the crowd”, daar kan ik wel van genieten. En ik merk dat het onze mensen scherpt, zo van: wacht eens even, dit kunnen wij ons niet laten gebeuren. De sociale media behoorden aanvankelijk niet tot ons onderzoeksgebied, maar toen we zagen wat Bellingcat allemaal boven tafel kreeg, zijn we ook op dat terrein onderzoek gaan doen. Maar zij hebben ook van ons geleerd, we hebben gezegd: realiseer je goed wat je openbaart en wat dat voor gevolgen kan hebben voor het onderzoek. Zij trekken soms conclusies die voor ons te kort door de bocht zijn, wij moeten de complete “chain of evidence” rond hebben, wat dat betreft gaat politiewerk echt een stap verder. Het contact is goed, de weerstand is verdwenen, maar we maken keuzes vanuit onze eigen professie. Het kan zijn dat Bellingcat het ondanks onze bezwaren toch belangrijk vindt om een verhaal te publiceren. Ik snap heel goed dat journalisten daarin een eigen afweging maken. Soms hebben we daar pittige discussies over, maar dat is niet erg: wat schuurt, geeft ook warmte. Positief is dat onze gesprekken heel open zijn, dat is een gevolg van de transparante manier van werken van Bellingcat. De meeste gesprekken die we met journalisten hebben, zijn minder open van aard. Dan heeft een journalist bijvoorbeeld iets gehoord van een bron die hij niet kan openbaren en dan moeten wij daarop reageren. Dat maakt een gesprek lastiger.’

Hulp
Vlak na de ramp kon de politie geen onderzoek doen. Vanwege de burgeroorlog werd de crashsite in Oost-Oekraïne als te onveilig beschouwd. Paulissen zag met lede ogen aan hoe sommige journalisten wél verslag deden vanaf crashsite. ‘Aan de ene kant is het razend knap dat een journalist erin slaagt om op die plek te komen, aan de andere kant wil ik er ook staan. We hebben journalisten in die beginfase gevraagd om ons te helpen. Wat me toen is opgevallen, is dat buitenlandse journalisten veel bereidwilliger waren dan Nederlandse journalisten. Sommige buitenlandse journalisten zeiden: dit heb ik allemaal vlak na de ramp gefotografeerd, hier heb je mijn complete bestand. Natuurlijk snappen we dat je bronnen moet beschermen, of dat je de identiteit van je fixer niet graag prijsgeeft, maar ondanks dat begrijp ik de terughoudendheid van de Nederlandse media niet. Die houding heeft ons echt verbaasd.’

Misschien heeft het te maken met onwetendheid, denkt Paulissen. Journalisten die zich melden bij het Joint Investigation Team (JIT), het internationale team dat de ramp onderzoekt, komen echt niet meteen met naam en toenaam in de politiedossiers terecht, legt Paulissen uit. ‘Je kunt altijd eerst een gesprek voeren waarin we bespreken wat we met de informatie doen. Je kunt een verklaring afleggen waar wij dan proces-verbaal van opmaken, maar er zijn meerdere mogelijkheden. Anoniem getuigen bijvoorbeeld, of ons “off the record” voorzien van informatie. Dat laatste kan natuurlijk niet als het om hard bewijs gaat, maar wel als het informatie is die ons helpt bij de beeldvorming. Juist in het begin hadden we behoefte aan sfeerverhalen, journalisten waren in die periode onze belangrijkste groep getuigen.’

Menselijke resten
Onwetendheid speelt ook een rol wanneer journalisten stuitten op bewijsmateriaal of menselijke resten. Paulissen kan zich nog altijd verbazen over de manier waarop journalisten daarmee omgaan. ‘Op een gegeven moment tweette een journalist dat hij menselijke resten had gevonden. Vervolgens vroegen wij om de coördinaten, zodat wij het materiaal veilig konden stellen, maar die wilde hij ons niet geven. Waarom hij dat niet wilde, is mij nog altijd een raadsel.’

Woordvoerder Thomas Aling, die bij het gesprek aanwezig is, vertelt dat Rudy Bouma van Nieuwsuur niet begreep dat Aling boos werd omdat Bouma menselijke resten in z’n koffer had meegenomen. Aling: ‘Bouma had echt gedacht dat wij hem met bloemen zouden ontvangen, hij had geen flauw benul van het effect bij de nabestaanden als je menselijke resten domweg in je koffer stopt.’

Paulissen: ‘Kijk alleen al naar het ceremonieel waarmee wij de slachtoffers hebben ontvangen in Eindhoven en je begrijpt dat wij een procedure hiervoor hebben die rechtdoet aan de slachtoffers en de nabestaanden.’
Ook freelance journalist Michel Spekkers nam menselijke resten mee in het vliegtuig. Paulissen: ‘We spraken af dat hij het materiaal op Schiphol aan ons zou overdragen, maar vervolgens probeerde hij er toch mee weg te komen. Gelukkig hadden we daar twee rechercheurs met opgeteld zeventig jaar ervaring staan, dus die lieten zich niet zo makkelijk om de tuin leiden. Maar vervelend is zo’n situatie wel.’

Eigen onderzoek
Minstens zo knullig vindt Paulissen het gesleep met bewijsmateriaal, zoals onderdelen van de BUK-raket waarmee het toestel is neergehaald. Jeroen Akkermans van RTL liet zo’n onderdeel zelf onderzoeken. Paulissen: ‘Toen ik naar die reportage zat te kijken, dacht ik: op dat niveau moet je je als journalist niet willen begeven. Het had in forensisch opzicht geen enkele waarde. Jammer, want het zorgde voor veel onrust bij de nabestaanden. Ook in dit geval vind ik het jammer dat Akkermans niet met ons het gesprek aangaat. Je kunt met ons allerlei afspraken maken, we hebben niet voor niets professionele woordvoerders die snappen wat het belang van de journalist is. Wij hadden het stukje van de raket kunnen onderzoeken op een forensisch degelijke manier en dan hadden we Akkermans de primeur kunnen geven. Ik hoop echt dat bij volgende gelegenheden journalisten het vertrouwen hebben om met ons te overleggen.’

Toch beschouwt Paulissen de problemen die hij met journalisten heeft eerder als uitzondering dan als regel. ‘Ik heb juist groot respect voor wat ze boven water halen. Als het om MH17 gaat, vind ik dat daar heel evenwichtig over wordt bericht. Natuurlijk is er soms sprake van ongeduld, maar dat is ook begrijpelijk in zo’n langlopende zaak. Mijn belangrijkste punt is dat ik zou willen dat we wat vaker met elkaar overleggen.’

De lessen voor de pers van Wilbert Paulissen

• Ga in overleg over de mogelijkheden als de politie een beroep op je doet om informatie en foto’s te leveren. Dan kun je daarna alsnog een eigen afweging maken.
• Een verkeerde omgang met bewijsmateriaal kan dat materiaal onbruikbaar maken voor het onderzoek.
• Vervoer geen menselijke resten, maar maak de politie attent op de plek waar je ze hebt gevonden, zodat ze volgens de geldende procedure veilig kunnen worden gesteld.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Masterclass EU