e learning nvj

— maandag 10 mei 2021, 08:01 | 4 reacties, praat mee

Wat te doen met de boze betweter?

© Maaike Putman

Vergeleken met bedreigingen of de racistische bagger die sommige journalisten over zich uitgestort krijgen zijn ‘goedbedoelde’ reacties van boze lezers klein bier. Maar ze tellen wel op. Freelance journalist Nick Kivits is de mailtjes met gefrustreerde sneren erin helemaal zat. Laatste wijziging: 11 mei 2021, 08:53

Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Nick Kivits. Ook lid worden?

‘Graag zie ik uw reactie tegemoet, waarin u aantoont dat niet u, maar ik het feitelijk bij het onjuiste eind heb.’ Het is de slotzin van een mailtje met vervelende toon, dat half maart in mijn inbox ploft. De opsteller van de mail is boos om een verhaal dat ik heb gemaakt. Voor een samenwerking tussen het freelancerscollectief Reporters Online en de digitale kiosk Blendle schreef ik in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen een artikel over kernenergie. Daarin zette ik uiteen wat verschillende politieke partijen vinden van het idee om atoomenergie in te zetten om de klimaatdoelen te halen én onderzocht ik of die plannen wel hout snijden.

De conclusie van het stuk, waarvoor ik diverse hoogleraren interviewde, was gematigd: een aantal nieuwe kerncentrales bouwen is stikduur en een écht goede oplossing om het radioactieve afval te verwerken is er nog niet. Maar als we onze CO2-uitstoot terug willen brengen en ook nog eens van het gas af willen, is het bouwen van nieuwe kerncentrales de beste oplossing om de klimaatdoelen voor 2050 te halen. Het is in ieder geval een tijdelijke oplossing, totdat we beloftes als kernfusie of het grootschalig opslaan van elektriciteit in waterstof dusdanig hebben kunnen door ontwikkelen, dat ze het kunnen overnemen. Ik was blij met het stuk. Totdat de reacties kwamen.

‘U schrijft dat kerncentrale Borssele drie miljoen huishoudens van elektriciteit voorziet. Het wordt hoog tijd dat de journalistiek zich begint te realiseren wat daar precies mee wordt bedoeld’, schrijft iemand die stelt dat hij ingenieur is. Hij vervolgt met een rekensom, die moet aantonen dat mijn artikel, dat door twee hoogleraren op feitelijke onjuistheden is gecontroleerd, rammelt (spoiler: dat was na controle van de cijferbrij niet het geval). Maar vooral de afsluiter van de mail blijft hangen. ‘Het wordt tijd voor groot alarm. En daar kan de journalistiek stevig aan bijdragen, door iets meer te doen dan het gedachteloos na-kwaken van politici zoals u doet.’

‘Debate me!’
De ‘na-kwaken’-opmerking is een typisch voorbeeld van het soort reacties dat de laatste maanden steeds vaker mijn mailbox binnendruppelt. Gefrustreerde lezers die aangeven in gesprek te willen, maar het niet kunnen laten om af te sluiten met een sneer. Of ‘geëngageerde’ leden van het publiek die maar meteen met de deur in huis vallen en roepen dat ik als journalist nou verdomme mijn werk eens moet doen en eens zou moeten schrijven over een willekeurig onderwerp dat totaal niet mijn expertise is.

Ze zijn er in alle soorten en maten, die boze betweters (laten we ze ‘boosweters’ noemen). Zoals de man die ‘wat van videodingen weet’ en mijn column over robot­camera’s misleiding noemt, omdat de camera’s in kwestie volgens hem geen robots zijn (‘Je moet je beter laten informeren of een keer een échte prof laten vertellen!’). Of de autodidact die in het dagelijks leven naaipatronen verkoopt op internet, maar na een paar avonden googelen ‘alles’ weet van het auteursrecht en van mening is dat er veel foute aannames over het auteursrecht rondgaan (‘Ik hoop niet dat jij de juristen gelooft. De tijd zal het leren. Eerlijkheid duurt het langst.’). Om nog maar te zwijgen over de fotojournalist die me ervan beticht dat ik me door een commercieel bedrijf heb laten betalen, omdat ik in een video software bespreek die hij niet fijn vindt. Daar kookt mijn bloed in luttele seconden van over. Met een scheldkanonnade tot gevolg.

Of dan die online facilitator (wat dat ook moge zijn), die wil laten weten dat ze ‘met afgrijzen’ (!) mijn artikel met tips over beter videobellen heeft gelezen. Zelf heeft ze natuurlijk véél betere tips, zoals ‘maak optimaal gebruik van de digitale middelen’ en ‘doe niet iets synchroon, wat ook asynchroon kan’. Wanneer ik terugmail en vraag wat ze met die laatste bedoelt, stuurt ze terug dat ik tot nu toe de ‘é-ni-ge’ ben die niet direct begrijpt hoe goed die tip wel niet is. O ja, ze is ook in te huren. En wil zich best eens laten interviewen…

De boosweters doen me denken aan een aflevering van ‘Rae the Doe’, een wat obscuur online stripje over een antropomorfe hinde met een voorliefde voor het openbaar vervoer en een afkeer voor hard geluid. In één aflevering van de strip duikt keer op keer een blauwe vogel op, die Rae woedend een stelling voor de voeten werpt en op hoge poten eist dat de hinde daarover met hem in debat gaat. ‘You should’ve got soup instead of salad! Debate me! I hate your comic! Debate me!’ Waarna Rae in wanhoop uitschreeuwt: ‘Leave me alone! I don’t even know you!’

‘Dark participation’
Een stroom aan zeurende betweters in je inbox is natuurlijk lang niet zo erg als de eindeloze stroom aan internettrollen, die aan journalisten schrijven dat ze kanker moeten krijgen of een steen door hun ruit verdienen. Vergeleken met de bedreigingen waar andere journalisten mee te kampen hebben én de racistische drek die sommige collega’s voor hun kiezen krijgen, zijn die steekjes onder water klein bier.

Ik denk er steeds vaker aan om mijn kladblok definitief dicht te slaan.

Maar net zoals heel veel kleine regendruppels na verloop van tijd een rots uitslijten, tellen al die kleine vervelende reacties wel op. Dusdanig dat ik me er zó aan stoor, dat ik er steeds vaker aan denk om mijn kladblok – na zestien jaar in de journalistiek – definitief dicht te slaan. En dan heb ik het als witte man nog makkelijk: vrouwelijke journalisten worden vele malen vaker aangevallen dan ik. En de helft van hen heeft ook nog eens te maken met bedreigingen, geweld of intimidaties. Wat loop ik eigenlijk te mekkeren over een paar boosweters?

Reacties van lezers en kijkers horen er nou eenmaal bij in de journalistiek. En er zitten veel mooie kanten aan. Interactie kan de kloof tussen de media en het publiek verkleinen, ideeën en bronnen voor verhalen opleveren én lezers en kijkers een blik geven in de journalistieke keuken, zodat ze beter begrijpen hoe journalistieke keuzes gemaakt worden. Best logisch dus dat veel media de laatste jaren zijn gaan inzetten op dat directe contact met lezers.

Maar datzelfde contact met het publiek laat soms een nare nasmaak achter bij journalisten, schreef Jacob Nelson, docent aan de Walter Cronkite School of Journalism and Mass Communication in de Verenigde Staten begin maart op The Conversation. Voor zijn boek ‘Imagined Audiences: How Journalists Perceive and Pursue the Public’ interviewde Nelson onder anderen journalisten bij The Chicago Tribune, een krant die poogt het gesprek met het publiek aan te gaan. Die interacties met lezers leverden doorgaans geen zinvolle, constructieve gesprekken op. De lezers waren vaker wel dan niet strijdlustig, boos en gedroegen zich soms zelfs dreigend.

‘Lezers benaderen verslaggevers niet met ideeën voor verhalen’, vertelde een journalist aan Nelson. ‘In plaats daarvan zeggen ze: je zuigt, je bent lelijk, je bent bevooroordeeld en je haar zit stom.’ Volgens Nelson hebben niet alle journalisten evenveel last van het zogenoemde ‘dark participation’, de nare kanten van contact met de lezer. Wie publiceert voor een niche publiek, heeft vaker nuttig positief contact, terwijl bij collega’s die voor het grote, algemene publiek schrijven de nare kanten al snel overheersen. Een van Nelsons belangrijkste conclusies: ‘Mediabedrijven die hun journalisten blijven aanmoedigen om meer contact met hun lezers te hebben, moeten het misbruik waar ze mee te maken krijgen veel serieuzer nemen.’

Gelieg, gezeik en gedreig
Het onderzoek van Nelson laat zien dat ik lang niet de enige ben die de verbale aanvallen en sneren van ‘goedbedoelende’ lezers steeds minder goed trekt. Dat blijkt ook wanneer ik mijn frustratie over de reacties op mijn kernenergieverhaal deel op Twitter. ‘De bak stront die je na sommige publicaties krijgt…’, schrijft Pointer-journalist Jerry Vermanen. ‘Gelieg, gezeik en gedreig, allemaal afkomstig uit de reflex dat iemand het ergens niet mee eens is. Op een gegeven moment is het de druppel.’

Mijn tweets krijgen veel bijval, maar leveren ook meerdere malen het advies op een dikkere huid te kweken, mails met nare sneren gewoon te verwijderen en de commentaren van me af te laten glijden. Iets waar ik nooit goed in ben geweest. De reactie die Tweakers-journalist Stephan Vegelien stuurt, raakt de kern van het probleem, nog voordat ik dat zelf heb kunnen doorgronden. ‘Ik sta altijd open voor aanvullingen en kritiek. Maar de toon van sommige reacties die ik krijg bij stukken waar ik best wel trots op ben… het maakt me onzeker én onverschillig.’

Ook ik word onzeker van boosweters. Andere keren word ik zélf boos als reactie op hun berichten. Wat dan weer resulteert in een potje online ruziemaken, zoals die keer dat een topman van een grote journalistieke uitgeverij stelde dat ik niet over de sores van freelancers zou mogen schrijven omdat ik zelf freelancer ben. Maar steeds vaker reageer ik onverschillig. Dan ben ik als de hinde Rae uit het stripje. Waarom zou ik met je in gesprek gaan? Ik kén je niet eens! En in hele uitzonderlijke gevallen heb ik de neiging om sommige onderwerpen helemaal te laten zitten, omdat je op voorhand al kunt raden hoe de reacties gaan zijn.

Waarom zou ik met je in gesprek gaan? Ik kén je niet eens!

Nadat mijn boosheid over de reacties op mijn kernenergieverhaal wat was bekoeld, besloot ik het eens anders te doen en de boze ingenieur in een mail uit te leggen dat je met stroop meer vliegen vangt dan met azijn. ‘Ik wil u als tip meegeven dat – als u wilt dat journalisten serieus naar uw mail kijken – u ze beter niet kunt betichten van het hersenloos na-kwaken van politici.’ Diezelfde avond volgt excuus. ‘Ik had me niet voldoende gerealiseerd dat er een mens van vlees en bloed “aan de andere kant van de lijn” zat.’ Vanaf nu ga ik betweters die boos uit de slof schieten daar maar eens aan herinneren.

Nick Kivits (1984) is free­lance journalist voor onder meer Quest, KIJK en FD Persoonlijk. Daarnaast is hij als freelance medewerker verbonden aan Villamedia en is hij oprichter van Freelancevoorwaarden.nl. Hij schrijft met name over technologie, ruimtevaart, wetenschap en media. 

Bekijk meer van

Praat mee

4 reacties

Eduard Bekker, 10 mei 2021, 10:00

Een bekende columniste reageert in dergelijke gevallen niet op de aantijging, maar wijst de boosreaguurder slechts op de spelfouten in zijn of haar tweet. Die zijn er meestal te over in die hersenloos neergekwakte reacties.

Johan Th. Bos, 10 mei 2021, 13:10

Ben lid van NVJ maar krijg de melding dat mijn proefabonnement is verlopen, Heb ik nooit gehad, maar ik kwam er ook niet op, hoewel dat zou moeten kunnen als NVJ-lid. Nou ja, ik heb de gedrukte versie.

Pål Jansen, 10 mei 2021, 18:34

@Nick, ja, die haat-liefde verhouding met publiek… het blijft een spanningsveld. Ik probeer altijd zelf te denken: wat iemand ook zegt, diegene doet dit altijd uit een bepaalde betrokkenheid en dat is positief. Overigens wat best wel interessant is: communityspecialisten adviseren dikwijls om je te richten op publiek dat bereid is constructief te reageren. Dat maakt het voor jezelf leuker en wie weet levert het ook nog inzichten op voor volgende artikelen. Oftewel: verleg de focus naar de bijdragen waar je energie en kennis van krijgt. Dat is iets anders dan onverschillig staan tegenover ‘kritiek’: je staat dan juist open voor kritiek, maar wel kritiek die jou en jouw werkzaamheden vooruit helpen. Dat is voor alle lezers uiteindelijk ook het meest wenselijk.
Dit alles betekent overigens niet dat de berichten waar jij het over hebt, niet kunnen raken. Dit artikel lijkt me dan ook nuttig om eens de belevingswereld van de journalist over te brengen en begrip te kweken over hoe journalisten worden aangesproken. Ik heb soms wel het gevoel dat vakbroeders de neiging hebben om (veel?) energie te steken in reageerders die het journalistieke werk alleen maar afzeiken of zich richten op de journalist zelf als ‘waardeloze verslaggever’. Om toch sportief te blijven en te luisteren naar kritiek (misschien vergis ik me over overschat ik dat sentiment). Nobel denk ik dan, maar stel, iemand loopt op je af en stelt dat je werk waardeloos is, zou je dat een normale manier vinden waarop je een gesprek met de ander aanknoopt? Waarom zou je op basis daarvan een gesprek willen starten? Stel je voor: ik loop naar de bakker van wie ik ooit een brood heb gekocht dat ik achteraf gezien niet lekker vond. En ik stap op hem af om die persoon eens te melden dat hij een waardeloze bakker is, niet eens begrijpt wat wholefoodgranequinoaproteïne is (alle andere mensen snappen mij direct!), zijn brood waardeloos is en ik het beter kan? Ik verwacht dan echt geen luisterend oor, maar eerder een baquette tegen mijn harsens.

Nick Kivits, 13 mei 2021, 10:21

Hele waardevolle toevoeging Pål, dankjewel. Al zie ik nu wel overal rondvliegende baguettes ;-)

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Uitgever

Dolf Rogmans

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Factuurgegevens

Villamedia Uitgeverij BV
Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Chris Helt, hoofdredacteur

Marjolein Slats, adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab, redacteur

Lars Pasveer, redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven, redacteur

Sales

Sofia van Wijk

Jenny Fritschy

Webontwikkeling

Marc Willemsen

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.