Mei 1940: wat schreven Nederlandse kranten na één dag oorlog?
Recent inventariseerde de Volkskrant reacties op de wijze waarop binnen Oekraïne de oorlog wordt verslagen. De realiteit van de oorlog wordt binnen het land liefst vermeden, klonk de kritiek. Op de dag van de Nationale Dodenherdenking is het interessant te kijken wat Nederlandse kranten schreven in de eerste editie na de Duitse inval op 10 mei 1940.
Met opnieuw oorlog in Europa zijn, zelfs in een terugblik, parallellen met de oorlog in Oekraïne niet te vermijden.
Het Bataviaasch nieuwsblad citeert bijvoorbeeld een Reuters-artikel, dat fascinerend actueel klinkt. De Amerikaanse krantenuitgever en Democratische senator Carter Glass roept op tot “het verleenen van allen mogelijken steun aan de Geallieerden behalve het zenden van een expeditieleger”. Andere senatoren pleitten voor de inzet van militaire voorraden “om de Nederlanders en de Belgen te helpen hun land te verdedigen”.
Ook met betrekking tot de Russische aanval op Oekraïne bestaat de hulp voorlopig vooral uit materieel en training. Actieve bemoeienis met boots on the ground is (niet enkel voor de Verenigde Staten) een brug te ver.
Villamedia sprak met journalist en auteur Piet Hagen over deze ingrijpende periode in de Nederlandse (journalistieke) geschiedenis. Hagen brengt in herinnering dat ook in de maanden voor de Duitse invasie in Nederland er al sprake was van censuur. “Kranten moesten de neutraliteit in acht nemen en mochten niets schrijven wat een Duitse aanval kon uitlokken. Vanaf begin 1940 vielen ook buitenlandse correspondenten in Nederland onder die censuur.”
Hagen publiceerde eind vorig jaar het boek Dubbel Zondebok, over het lot van Joodse journalisten in Nederland vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij beschrijft de snelheid waarmee de Nederlandse journalistiek vrijheden verloor.
“Op de eerste dag na de capitulatie (15 mei, red.) werd het ANP onder curatele gesteld. Alle Joodse medewerkers werden op staande voet ontslagen. Kranten moesten wel verschijnen, maar mochten niet over militaire zaken schrijven. Zogenaamd was er geen preventieve censuur, maar in de praktijk was veel verboden”, stelt Hagen.
Hoofdredactioneel commentaar
Opvallend is dat een beperkt aantal kranten in die allereerste meidagen de ruimte nam voor een hoofdredactioneel commentaar of persoonlijke noot richting de ongeruste lezer. De meeste voorpagina’s op 11 mei worden ingeruimd voor vrijwel identieke berichten. Het protest van koningin Wilhelmina over “deze voorbeeldeloze schending der goede trouw en aantasting van hetgeen tusschen beschaafde volken gebruikelijk is” wordt overal afgedrukt.
Hagen: “Vanaf de Duitse inval op 10 mei werd de vrijheid van de pers verder ingeperkt. Het Algemeen Handelsblad wist op 10 mei wel van de luchtaanval op Schiphol, maar kende geen details over de militaire situatie. ‘Onze weermacht is paraat’, berichtte de krant.”
Dagbladen delen op 11 mei woordelijk legerberichten, herhalen de oproep beperkt boodschappen te doen en publiceren gemeentelijke aanwijzingen voor verduistering.
Het Leidsch Dagblad constateert op 11 mei gepikeerd dat de verduistering “in onze stad gisteravond en vannacht nog veel te wenschen heeft overgelaten”. “Het is droevig om te moeten constateeren, dat blijkbaar nog zóovelen niet voldoende doordrongen zijn van den bitteren ernst van den toestand”, klaagt de redactie.
De komende nacht zal door ordetroepen dan ook “zonder pardon op de verlichte vensters worden geschoten”, waarschuwt de krant.
Deze rol van doorgeefluik is niet zo vreemd, stelt Hagen. “Vrije nieuwsgaring bestaat niet in een land dat in oorlog is. Beide partijen hebben immers belang bij een zo gunstig mogelijk beeld. Dus controleren ze waar mogelijk de berichtgeving.”
Nepnieuws
Ook roepen veel kranten burgers op geen valse geruchten te verspreiden. Opperbevelhebber Henri Winkelman stelt dat “de verspreiding van sterk overdreven of geheel fantastische tijdingen een onderdeel van de oorlogsvoering” is. “Het verder vertellen van ongecontroleerd alarmeerend nieuws dient met alle middelen te worden tegengaan”, aldus Winkelman.
Ook persbureau ANP waarschuwt voor desinformatie en roept burgers op “zich niet door dergelijke valsche berichten van de wijs te laten brengen”. 
Hagen: “In de eerste oorlogsdagen verschenen sommige kranten niet vanwege fysieke problemen (geen papieraanvoer, geen telefoonverkeer en post, mobilisatie, enzovoort). Andere kranten waren zeer terughoudend. Typerend is dat de Haagse krant Het Vaderland geen reportage had over het bombardement op Rotterdam met veel doden en grote verwoestingen “om geen onnodige verwarring te stichten”. De verslaggeving in Tubantia over het bombardement op Enschede was een uitzondering.”
Sommige kranten besluiten pagina’s enkel te vullen met “officieele communique’s” over vijandelijkheden. “Daardoor kan het voorkomen dat onze lezers niet al de oorlogsgebeurtenissen in ons land vermeld vinden, die zij wellicht op andere wijze vernamen”, schrijft dagblad De Zaanlander op 11 mei.
Deze buigzaamheid richting de overheid betekende trouwens dat De Zaanlander ook in oorlogsjaren gewoon kon uitkomen, door zich te conformeren naar eisen van de Duitse bezetter. De krant kreeg daarom na de oorlog een verschijningsverbod van een jaar opgelegd. In 1992 verdween de titel als gevolg van een fusie.
Solidariteit
Hoofdredacteur Robert Peereboom van het toen nog met een apostrof gespelde Haarlem’s Dagblad maakt sober de balans op. “Wij zijn in oorlog en het besef wat dat beteekent dringt met het uur dieper tot ons allen door”, aldus Peereboom. Hij steekt lezers een hart onder de riem en hoopt op een nieuw gevonden solidariteit tussen de Nederlanders.
“In tijden waarin het hem goed gaat, waarin hij maatschappelijk welvarend is en vele genietingen des levens hem geworden, schijnt dat wel eens anders”, schrijft Peereboom.
Hij vervolgt: “Men is veel sterker dan men dacht. Men voelt dat men over een groote stille reserve beschikt heeft, waarop men nu met succes een beroep doet. En dat men zelfs een glimlach kan toonen en over een merkwaardige kalmte beschikt. Al die dingen ontdekken nu talloozen voor zichzelf. En ook, dat er een algemeene toenadering ontstaat onder menschen die elkaar niet of nauwelijks kennen. De gemeenschappelijke beproeving vereent en dat helpt allen, want de gezamenlijk gedragen zorg wordt lichter.”
De sociaal-democratische arbeiderskrant Het Volk stelt in een hoofdredactioneel dat er nu “een eenheidsfront van de lage landen aan de zee met de grote door Hitler ten dode opgeschreven democratieën” is ontstaan.
De Duitse intenties “zullen we op nog veel wreder wijze ondervinden”, voorspelt de krant. Ook hier besluit het tot een hart onder de riem: “Maar het is toch ook een gebeurtenis, die het uitzicht opent, niet op ondergang, maar op de uiteindelijke bevrijding van de pest, die Europa teistert. Het geeft ons de moed om het lijden dat ons nog wacht, te dragen in de zekerheid van de overwinning.”
De Gooi- en Eemlander blijft positief. Naast business as usual waarin de krant meldt dat “vanwege Pinksteren het eerste nummer pas op dinsdag verschijnt”, put het hoofdredactioneel hoop uit een legermelding dat de “strategische overval van den vijand” is mislukt. “Dat men nu reeds dit durft en kan zeggen, is van veel betekenis”, aldus de krant.
Dat optimisme bleek met kennis achteraf misplaatst. Maar ook hier de vraag, is het zo gek dat media in deze fase vooral goed nieuws brengen, zoals ook in Oekraïne?
Hagen: “De situatie in Oekraïne vind ik begrijpelijk. Terwijl de Russen duidelijk desinformatie verspreiden, zwijgen de media in Oekraïne over militaire aangelegenheden. Ze maken zich, voor zover ik weet, niet schuldig aan leugenachtige berichtgeving, maar vertellen niet welke verliezen ze lijden, hoeveel materieel en manschappen ze hebben of wat ze van plan zijn.”
Hagen wijst erop dat de ondergrondse pers vanaf de zomer van 1940 berichtte over de nazi-terreur, zoals razzia’s en concentratiekampen. “Maar de regering in Londen maande tot voorzichtigheid uit vrees voor represailles. Radio Oranje was ook terughoudend. Berichten moesten vooraf goedgekeurd worden door de Nederlandse regering in ballingschap en de Britse autoriteiten.”
“Waarheidsvinding is natuurlijk belangrijk, maar in oorlogen gebeurt dat meestal met vertraging. Zelfs het grootste nieuws van de 20ste eeuw (moord op zes miljoen Joden) heeft destijds niet in de krant gestaan. Pas achteraf is duidelijk geworden hoe omvangrijk die massamoord was en met welke middelen dat gebeurde. Noem het slow journalism”, stelt Hagen.
Kolonieën
De toenmalige overzeese gebieden bekeken de ontwikkelingen in het verre Europa met afschuw. Het hoofdredactioneel van de Sumatra Post kookt onder de kop ‘Te wapen!’ over van woede: “Met leugens heeft Hitler zijn misdrijf ingeleid, en wie de tekst van het Duitsche memorandum leest, ziet uit zijn verbeelding voor zich het gezicht van den Duitscher, want alleen een Duitscher kan zoo laaghartig liegen.”
Het vervolgt: “Weet, dat de bezetenen van leugen en geweld nog pas in opmarsch zijn, dat hun taal wordt gesproken door tallooze kanonnen, dat zij moordbelust over onze grenzen zijn gekomen. [..] Besef ook dat wij hier in Indië niet anders kunnen doen dan spreken en protesteeren, maar dat onze soldaten daarginds moeten strijden. Dit is geen soldatenwerk meer maar een gangsterbedrijf. Dit is: Hitler.”
Opmerkelijk is een melding van het Bataviaasch nieuwsblad. Onder de kop ‘Slechte Nederlanders’ bericht de krant over een inval op de redactie van de krant De Ochtendpost. Klaarblijkelijke aanleiding is “de proef van een ter opname gereedliggend artikel van dusdanige strekking” dat arrestatie van hoofdredacteur Veersema volgens de autoriteiten nodig was.
Wat die strekking was is helaas in de mist der (beschikbare) tijd verloren gegaan.
Aan de andere kant van de planeet schrijft weekblad Amigoe di Curaçao over de nieuwe ‘afschuwelijke werkelijkheid’. “Waarvoor we zo dikwijls in angst gezeten hebben in de laatste maanden. Wat telkens dreigde, maar wat we steeds nog weer niet wilden geloven, omdat we nog te veel vertrouwen hadden in de eerlijkheid der vijand.”
En dat terwijl er de jaren ervoor voldoende aanwijzingen waren, aldus Amigoe di Curaçao. Volgens Amigoe di Curaçao brak Hitler doorlopend zijn beloften. Hitler “die in zijn verwaand minderwaardigheidscomplex de Joden vervolgde: die verdragen brak met de kleine staten, welke hij achtereenvolgens liet doodbloeden in de beste kinderen die ze bezaten: die nog herhaalde malen in deze oorlog de neutraliteit van Nederland garandeerde, maar die toch telkens en telkens weer de heiligste rechten van God en mens mét voeten trad.”
Ook hier is het lastig parallellen te missen met de wijze waarop Poetin de laatste decennia werd aangepakt. Tot 24 februari 2022 was voor Europese leiders het begin van een daadwerkelijke grondoorlog een onvoorstelbaar anachronisme.
“Achteraf moeten we ons zelf beklagen over dit vertrouwen”, constateert de Amigoe-hoofdredactie droogjes.


Praat mee