Lisanne van Sadelhoff: ‘Van mijn redacteur leerde ik het kleine groot maken en het grote klein’
Lisanne van Sadelhoff schreef een boek over veerkracht. Ze sprak daarvoor met mensen over zware zaken. ‘Het interessante was: na ieder gesprek ging ik vrolijk weg. Hoe kon dat?’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?
Of we misschien toch kunnen afspreken bij een cafeetje in haar eigen Utrechtse buurtje, appt Lisanne een paar dagen van tevoren. Dat zou handig zijn, want ze heeft even geen fiets. Nou ja, ze heeft wel een fiets, maar eerder die week draaide een losliggend touwtje zich vast in de spaken en nu komt die fiets niet meer in beweging. Gelukkig kan ze lopend naar dat café. Maar vlak voor het interview blijkt dat het tentje nog gesloten is.
‘Het gaat allemaal vlekkeloos dit, haha’, appt ze.
We wijken uit naar een lunchroom op de Amsterdamsestraatweg, waar de eigenaar haar vrolijk begroet. ‘Is Leo er niet bij?’, vraagt ze. Lisanne schudt van ‘nee’ en fluistert richting de vragende blik: ‘Mijn hond’. Om vervolgens vrolijk te beginnen over gezamenlijke kennissen, het transcriberen van interviews en hoe ze al in de eindmusical van groep 8 de journalist Petra Privé – ‘ik weet niet of ze helemaal ethisch werkte’ - mocht spelen.
De start is chaotisch en enthousiast: twee termen die goed passen bij Lisanne van Sadelhoff (34). Als freelancer werkt ze als rechtbankverslaggever bij het ANP, op de redactie van RTL Nieuws, doet ze grote interviews voor de AD-weekendbijlage Mezza, maakt ze regelmatig de openingsrubriek in Volkskrant Magazine, schrijft ze voor De Correspondent, maakt ze een column voor Villamedia Magazine én bracht ze onlangs haar tweede boek ‘We zullen doorgaan’ uit.
‘Af en toe word ik echt gek van mezelf. Ik sta nooit stil, heb altijd ideeën. Vaak gooi ik bij redacties gewoon een paar zinnetjes ongegeneerd over de schutting. Zo heb ik dit boek ook gepitcht. Volgens mij mailde ik de uitgever iets als: “Ik wil een boek schrijven over veerkracht, want ik weet daar geen fuck van”. Kijk, dat kan natuurlijk alleen als ze je al kennen hè. Ik zou die manier van pitchen anderen nooit aanraden.’
Jij begon met dit boek toen je relatie net onverwacht verbroken was. Had je toen zin in het thema veerkracht?
‘Normaal gesproken heeft een boek jou nodig als je een contract tekent. Jij moet het gaan maken, zorgen dat het afkomt. Nu voelde het voor mij andersom. Na de breuk dacht ik: dit boek wordt mijn houvast.’
Is het een manier geweest om je eigen ellende te verwerken?
‘Verwerking zou ik niet zeggen, daar is een boek schrijven te stressvol voor. Maar ergens deden die gesprekken natuurlijk wel wat. Ik sprak mensen die een kind verloren hebben, iemand die doof en blind wordt en een man met ALS. Zware onderwerpen. Het interessante was: bij ieder gesprek ging ik vrolijk weg. Hoe kon dat? Ik zag: het leven heeft al deze mensen onmogelijk harde klappen uitgedeeld, maar ze zijn er nog. Ze ademen niet alleen, maar kunnen nog lachen. Ze geven me zoveel hoop.
Ik weet nog dat ik tegen mijn uitgever zei: “Ik wil geen zweverig boek schrijven over verbinding en veerkracht, maar dat zijn wel de twee woorden die ik steeds hoor”. Mijn redacteur zei: “Schrijf het dan maar gewoon op z’n Lisannes op, dan komt het goed”.’

© Duco de Vries
Wat is op z’n Lisannes?
‘Luchtig, niet zijig en tegelijkertijd diepgaand. Van mijn redacteur leerde ik het kleine groot maken en het grote klein. Het mag gaan over de dagelijkse dingen, er mogen harde grapjes in zitten. Opgeschreven met liefde voor taal.’
Heb je die liefde altijd gehad?
‘Al op mijn 8ste was journalist worden mijn grote droom. Veel kinderen in mijn klas waren muzikaal, konden goed sporten of dansen. Ik had dat niet zo. Schrijven kon ik wel, maar dat was helaas niet zo stoer. Wel werd het daardoor na de havo zonder twijfel de School voor Journalistiek.’
Kende je journalisten?
‘Mijn opa Antoon schreef columns voor de Duivenpost, het lokale blad van de gemeente Duiven. Na de middelbare school werd ik daar ook aangenomen als freelancer. Waarschijnlijk omdat ze dachten: “Anders is het lullig voor Antoon”. Ik vond het meteen geweldig om het lokale nieuws te verslaan.’
Toch ging je na je opleiding Nederlands studeren…
‘Het was 2011 en er was weinig werk in de journalistiek. Ik wilde een plan B. Eenmaal voor de klas, bleek weer dat ik echt alleen maar kan schrijven. 23 was ik, niemand nam me serieus en ik kon helemaal geen orde houden. Gelukkig hoorde ik aan het einde van het jaar dat ze bij RTL Nieuws redacteuren zochten. Ik werd aangenomen en het bleek fantastisch. Tegen jonge journalisten zeg ik altijd: ga op een redactie meedraaien. Daar leer je zoveel van.’
Wat heb je daar geleerd?
‘Dat iedere goede, zelfkritische journalist zich afvraagt: zie ik dit goed, heb ik de juiste bronnen? Ben ik vooringenomen? Die twijfel is normaal en noodzakelijk. Ook heb ik geleerd dat ik van afwisseling houd. Zo vond ik het mooi om me te verdiepen in rouw voor mijn eerste boek “Je bent jong en je rouwt wat” en de serie hierover in De Correspondent. Maar dat onderwerp is nu wel klaar voor mij.’
Terwijl vaak wordt gezegd dat het juist slim is om één specialisme te kiezen…
‘Dat weet ik, maar dat wil ik dus niet. Ik zou het gek vinden om steeds weer dezelfde experts te appen. Op een gegeven moment heb je alle vragen toch wel gesteld? Dan daagt het me niet meer uit.’
Heb jij die uitdaging altijd nodig?
‘Ja, heel erg. Begin dit jaar heb ik de podcast “80 kilometer per uur” gemaakt voor Omroep Gelderland, maar ik kan helemaal geen podcasts maken. Gelukkig deed ik dat met een vriendin die het wel kan. Zoiets is fantastisch, maar kost me ook veel energie, stress en tijd. Dan vraag ik me weleens af: waarom doe ik dat toch steeds?’
Weet je het antwoord daarop?
‘Ja, omdat het een idee is in mijn hoofd. Op de een of andere manier wil ik elk idee ergens gepubliceerd krijgen. Ik ben niet ongefocust, maar wil gewoon heel veel verschillende dingen doen. Het helpt dat ik goed kan schakelen. En weet je wat het is? Als freelancer verzamel je ook gewoon “ja’s”. Dat zijn alle keren dat een opdrachtgever je idee goed vindt of je een onderzoeksubsidie krijgt. Een heel lekker gevoel.
Daarbij ben ik zo bang dat er ooit een zwart gat gaat komen, dat ik alles vol plan. Hoe druk ik het ook heb: ik blijf tussendoor pitchen en krijg echt niet overal een “ja” op. Mensen denken altijd dat ik 80 uur per week werk, maar dat valt wel mee. Meestal is het ongeveer 40, behalve als ik een boek schrijf of aan een podcast werk… Dus ja, er zijn inderdaad uitschieters omhoog.’
Heb je veerkracht nodig in dit vak?
‘Ik denk juist dat de journalistiek mij veerkracht geeft. Voor mij is het de reden dat ik uit mijn bed kom. Van dit werk kan ik nog steeds dat verliefde vlindergevoel krijgen. Is dat sneu? Dan mag ik naar Brabant voor een gesprek met Paul van Loon - de lievelingsschrijver uit mijn jeugd-, kan ik iemand interviewen in een TBS-kliniek of sta ik bij de herdenking van de Hercules-ramp. Dat is toch geweldig? Mijn werkende leven is nooit saai.’
Ben je weleens bang dat AI de schrijvende journalist gaat vervangen?
‘Laatst heb ik ChatGPT gevraagd om een hoofdstuk over veerkracht te schrijven en daar kwam gelukkig een ontzettend slecht stuk uit. Maar ja, het gaat niet verdwijnen. Ik wil er niet bang voor zijn. Daarom moeten we als journalisten altijd nadenken over hoe we mensen kunnen blijven bereiken. Zodat de schrijvende journalistiek hopelijk blijft. Want zoals ik al zei: ik kan dus echt niets anders.’
We zullen doorgaan. Een hoopvolle zoektocht naar veerkracht. Uitgeverij Das Mag. € 24,99


Praat mee