Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging. Wat er toen met onze beroepsgroep is gebeurd. Zou ons dat nu weer kunnen overkomen?’
In Nederland was ongeveer 10 procent van de journalisten voor de oorlog Joods. De nazificatie van de pers kwam tijdens de bezetting snel op gang en uiteindelijk werden er meer dan honderd journalisten en publicisten gedeporteerd en vermoord. Piet Hagen schreef er een boek over. Hij gaat met Telegraaf-journalist Kitty Herweijer, zelf Joods, in gesprek over deze zwarte bladzijde in onze persgeschiedenis.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Marjolein Slats. Ook lid worden?
‘De dag na de capitulatie van 15 mei 1940 stond er een Duitser voor de deur bij het ANP. Hij had een lijst in zijn handen van de drieëntwintig Joodse medewerkers’, vertelt Piet Hagen in zijn werkkamer in Badhoevedorp, de plek waar hij zo’n vier jaar onderzoek deed naar de journalistiek ten tijde van de Duitse bezetting voor zijn boek ‘Dubbel zondebok, Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging, 1920-1945’, dat 13 september verschijnt.
‘De redacteur van dienst heeft al die mensen opgebeld en gezegd: jullie zijn ontslagen. Ze zijn nooit meer teruggekomen. De directeur van het ANP heeft zijn Joodse medewerkers een ontslagbrief geschreven, een ontslagvergoeding kregen ze niet. Dat is toch een verbijsterend feit’, zegt Hagen. ‘Vervolgens is dat gebeurd bij alle kranten aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal, waar destijds de grote kranten gevestigd waren. Bij Het Volk - een socialistische krant met vele edities - gebeurde hetzelfde. De Duitsers kwamen binnen met de opdracht: alle Joden eruit. En dat gebeurde.’
Dat er zoveel prominente Joodse journalisten waren en zijn in Nederland, daar stuitte Hagen tijdens eerder onderzoek al op. ‘Toen ik voor een boek achtenveertig portretten maakte van prominente journalisten, bleken daarvan twaalf Joods. Daar had ik ze helemaal niet op geselecteerd. Al vroeg kwamen Joden bovendrijven in de journalistiek. Neem de familie Belinfante, die heeft meer dan twintig bekende journalisten afgeleverd. Dat gaat door tot na de oorlog, van Martin van Amerongen tot Max van Weezel van Igor Cornelissen tot Renate Rubinstein. Ik vroeg me af: wat is dat toch dat Joden zo’n vooraanstaande plaats innemen in ons vak?’
Tekst loopt door onder het beeld.

De 10 procent Joodse journalisten in 1940 is inderdaad opmerkelijk, aangezien Joden destijds slechts 1,4 procent van de bevolking uitmaakten. Die oververtegenwoordiging is vergelijkbaar met het hoge aandeel Joodse artsen destijds: ongeveer 8 procent van de totale beroepsgroep, zo lezen we in het boek van Hagen.
Kitty Herweijer: ‘Ik zou zelf denken dat het mede komt doordat Joden een vrij talige opvoeding krijgen. Amos Oz, de bekende Israëlische schrijver, heeft het boek ‘Joden en woorden’ geschreven. Woorden zijn ten eerste mobiel, dat is natuurlijk handig als je de hele geschiedenis opgejaagd wordt. De viool was ook een populair instrument bij Joodse muzikanten, die kan je immers makkelijk inpakken. Volgens Oz hebben taal en debatcultuur door de eeuwen heen sowieso een centrale rol in de Joodse cultuur ingenomen.’
Piet Hagen: ‘Dat wordt zeker genoemd als verklaring. Daarbij komt dat Joden lange tijd geen lid konden worden van de gilden, waardoor vrije beroepen goede opties waren. En als er eenmaal veel mensen in je omgeving zo’n beroep hebben, dat moedigt ook aan. In sommige families werd het doorgegeven. Zoals je zag bij de Belinfantes.’
Tijdens de oorlog werd de schaduwzijde van deze beroepskeuze al snel duidelijk: Joodse journalisten waren dubbel doelwit: als Jood en als journalist. De massa moest volgens Hitler beschermd worden tegen ‘kwaadwillende opvoeders’, die onder het mom van persvrijheid mensen misleidden met de ‘onzin van de westerse democratie’. De Duitsers hadden als doel dit ‘proces’ te stoppen door de Nederlandse pers ‘gelijk te schakelen’ en uiteindelijk te nazificeren. Dat werd bezegeld met het Journalistenbesluit, waardoor niemand met een joodse afkomst nog in de journalistiek mocht werken. De taak van journalisten was voortaan: ‘volksopvoeding in de geest van het nationaalsocialisme’. Wie geen lid was van het genazificeerde journalistenverbond VNJ, mocht het beroep niet meer uitoefenen.
PH: ‘Na het Journalistenbesluit was het echt klaar. Maar in de eerste anderhalf jaar was het een geleidelijk proces per krant en per omroep. De omroepen waren ook snel aan de beurt. Alle Joodse medewerkers waren er na een jaar verdwenen, ook de musici van de omroeporkesten. Zelfs platen waarop Joodse solisten te horen waren, werden niet meer gedraaid. Hoe was het voor jou Kitty, om dat als Joodse journalist allemaal te lezen?’
KH: ‘Ik heb vrij veel boeken over de oorlog gelezen en toch ben je telkens weer verbaasd over de wreedheid. Omdat ik zelf journalist ben kan ik me in deze situaties ook beter inleven en kan ik me voorstellen hoe dat moet zijn geweest. Je weet hoe een redactie eruitziet, hoe vertrouwd zo’n omgeving na een tijdje voelt. En dat er dan van de ene op andere dag een vreemde binnenkomt met een briefje met de namen van alle Joodse medewerkers erop, vreselijk.’
Je had toch gewild dat mensen op zo’n redactie zeiden: ben je helemaal besodemieterd, blijf van mijn collega’s af!
PH: ‘Ja, je had toch gewild dat mensen op zo’n redactie zeiden: ben je helemaal besodemieterd, blijf van mijn collega’s af! Dat je die man vastpakt en het gebouw uitschopt. Dat denk je. Maar misschien zouden ook wij aan de grond genageld zijn.’.
KH: ‘Het was natuurlijk wel een doodenge situatie op dat moment, lijkt me.’
PH: ‘Maar het was een man in zijn uppie, die binnenkwam. Niet eens een militair, maar een soort ambtenaar. Op dat moment hadden we in Nederland nog niet te maken gehad met liquidaties.’
In de aanloop naar het Journalistenbesluit zijn bij de pers in anderhalf jaar tijd stap voor stap de duimschroeven aangedraaid. ‘Van alle kranten werkten bij De Telegraaf de meeste Joodse journalisten, ook daar is al snel een Duitser op bezoek gekomen’, zegt Hagen. ‘Maar daar maakten de Duitsers aanvankelijk nog enig onderscheid. Sem Davids, dat is een van mijn lievelingen uit het boek, die moest meteen weg van de nazi’s. Hij werkte op de buitenlandredactie en was een communist. Maar een beroemde tekenaar als Joost Spier, die had gek genoeg de gunst van NSB-leider Mussert. Deze heeft een goed woordje voor hem gedaan, want Spier maakte toch zulke leuke tekeningen. Die moet je niet wegsturen, zei hij. “Die is Joods maar kan het wel goed.” Uiteindelijk is ook Spier gedeporteerd, maar hij heeft de oorlog wel overleefd.
Nog zoiets geks: bij Het Volk waren veel Joodse letterzetters in dienst. Dat was een beroep waarin veel Joden werkte. En die waren vaak socialist, net als de diamantbewerkers destijds. Journalisten moesten vertrekken en de directeur zei: de letterzetters kan ik niet missen want er zijn geen anderen. Die mogen dan nog een tijdje blijven zitten, zeiden de Duitsers, maar op den duur moeten ook zij weg. Komt in orde, was de reactie.’
KH: ‘Bijna de hele pers heeft meebewogen, schrijf je in je boek. Maar er waren dappere uitzonderingen: de Volkskrant koos er bijvoorbeeld voor om zichzelf op te heffen.’
PH: ‘Er waren inderdaad mensen die zeiden: dat doe ik niet. Het Friesch Dagblad hief zichzelf bijvoorbeeld ook op. Dat is nog bij een enkele andere krant gebeurd. Ook in eerdere fases, toen Joden de deur werden gewezen, stapten collega’s soms op. Sommigen gingen daarna schrijven voor een van de verzetskranten, zoals Het Parool. Dat de Volkskrant destijds niet meebewoog heeft ermee te maken dat ze eigendom waren van de katholieke arbeidersbeweging en de bisschoppen zich verzetten tegen het nationaalsocialisme. Dat zagen zij als heidendom. De paus is natuurlijk niet zo flink geweest, maar de aartsbisschop van Utrecht wel.’
KH: ‘Tegelijkertijd werden in De Katholieke Pers, het tijdschrift van de Katholieke journalistenbond, in 1935 “de Protocollen van de Wijzen van Zion” afgedrukt, een verzonnen verslag waarin Joden ervan worden beschuldigd dat ze wereldheerschappij nastreven, schrijf je.’
PH: ‘Die publicatie is een dieptepunt in de geschiedenis van de Nederlandse journalistiek geweest. Allang was toen duidelijk dat de protocollen een vervalsing waren, een hetze en een complottheorie. Ook een katholieke journalist kon dat weten.’
KH: ‘Ik werk bij De Telegraaf, een krant die het stempel heeft fout te zijn geweest in de oorlog. Ik weet wel het een en ander van het verleden van de krant, maar had me er nooit echt in verdiept. Ik wist bijvoorbeeld niet dat daar voor de oorlog zoveel Joodse journalisten werkten en dat het Telegraaf-gebouw door NSB’ers daarom het “jodenaquarium” werd genoemd. En ik was verrast door je oordeel, dat ergens vrij mild is over de krant.’
De meeste journalisten bij De Telegraaf waren absoluut niet fout
PH: ‘De meeste journalisten bij De Telegraaf waren absoluut niet fout, het oude beeld van De Telegraaf als extreem kwaadaardig in de oorlog werd al genuanceerd door Mariëtte Wolf in haar boek “Het geheim van De Telegraaf”. Daarbij is De Telegraaf ook niet de enige krant die is meegebogen met de wensen van de bezetter. Het beleid van hoofdredacteur Goedemans was wezenlijk niet anders dan dat van andere kranten. Alle kranten die zichzelf niet hadden opgeheven waren gedwongen de verplichte kopij van de bezetter op te nemen, inclusief de teksten van Goebbels en zijn trawanten.’
KH: ‘Toch is er geen krant die uiteindelijk in zulk bruin vaarwater belandt als De Telegraaf, schrijf je, met in het laatste jaar een SS’er aan het roer.’
PH: ‘Het was voor de Duitsers heel belangrijk om de grootste krant van Nederland eronder te krijgen. Het was een dramatische metamorfose, van een dagblad met veel vooraanstaande Joodse journalisten voor de oorlog tot een krant onder regelrechte SS-leiding in het laatste oorlogsjaar, nadat de laatste hoofdredacteur J.C. Fraenkel ontslag nam omdat hij te vaak voor gewetensconflicten werd geplaatst. Zo kwam de weg vrij voor de benoeming van SS-verslaggever Cees van der Heijden tot hoofdredacteur. Met daarbij de fanatieke nationaalsocialist Hakkie Holdert in de directie. De meeste redacteuren van de oude garde waren tegen die tijd echter wel verdwenen.’
PH: ‘Krijg je omdat je Joods bent vaak opmerkingen over het verleden van De Telegraaf?’
KH: ‘Weleens, maar ik vind niet dat ik me hoef te verantwoorden daarvoor. Op dezelfde manier dat ik me niet zou hoeven verantwoorden als ik in een Volkswagen rij of iets van Hugo Boss zou kopen. Er wordt geschat dat een derde van de Nederlanders foute voorouders heeft, dus als je in deze tijd wilt blijven “afrekenen”, dan blijf je aan de gang.’
PH: ‘Dat getal las ik in een van jouw columns, maar ik vraag me af of het klopt. Ik ben voorzichtig met getallen. Ik kan niet eens precies zeggen hoeveel Joodse journalisten er waren in de oorlog. En dan nog blijft het oordeel, wie was er goed en wie niet, moeilijk. Veel mensen zijn op een bepaald moment heel dapper geweest en op andere momenten niet.
Je schrijft ook in een van jouw columns over de “verzetsmythe”, dat er nog steeds onwil is om de zwarte bladzijden onder ogen te zien en dat vooral het beeld van dappere verzetsstrijders blijft hangen. Ik geloof dat die mythe in de decennia na de oorlog wel bestond, maar er is inmiddels zoveel over geschreven. Nu zegt toch niemand meer dat alle Nederlanders in het verzet zaten?’
KH: ‘Dat klopt, dat denkt ook bijna niemand meer, maar tegelijkertijd is collaboratie ook niet iets wat de meeste mensen sterk op het netvlies hebben staan als het over de rol van Nederlandse burgers in de oorlog gaat. Of het feit dat de meeste mensen geen vinger uitstaken voor hun Joodse medeburgers of collega’s. Pas in 2020 bood Rutte excuses aan de Joodse gemeenschap aan voor de collaboratie van de ambtenarij. Het waren Nederlandse tramconducteurs die hun Joodse medeburgers naar het station reden. Het was de Nederlandse politie die meewerkte. Dat Nederland met 25.000 man de meeste vrijwilligers uit alle West- en Noord-Europese landen aan de Waffen-SS leverde, is ook niet breed bekend.’
PH: ‘Maar onderschat ook niet dat mensen kleine dingen goed hebben gedaan. Er zijn natuurlijk gradaties. Sommigen deden bovenmenselijk dappere dingen. Er waren ook mensen die wel lang meegingen, maar toch ook flink zijn geweest. En aan de andere kant mensen die absoluut fout zijn geweest. Holdert van De Telegraaf was heel erg fout. Maar neem een figuur als redactiesecretaris Jan Spaan, die als een van de weinigen onder SS-leiding bij De Telegraaf bleef. Die steunde ondertussen het verzet. Samen met zijn minnares Lenie Schenk gaf hij zelfs een illegaal blaadje uit. Op haar adres aan de Nieuwezijds Voorburgwal verbleven onderduikers. Is zo iemand dan fout geweest?
Het kan áltijd flinker, maar als historicus vind ik het ook lastig om te oordelen. Als ik om me heen kijk zijn er genoeg mensen die iets hebben gedaan. Ik ben in de oorlog geboren. Mijn vader heeft in een gijzelaarskamp gezeten en een oom van mijn vrouw is in Bergen-Belsen omgekomen. Bij een ons bekende familie zijn drie zoons gefusilleerd omdat ze in het verzet zaten en zo ken ik er meer.
Ik was ook onder de indruk van het relatief grote aantal Joodse journalisten en fotografen, die aan het verzet deelnamen zowel via de ondergrondse pers als bij de Ondergedoken Camera.
Een minderheid van de Nederlanders, ook van de journalisten, was echt fout. Zo is het verraad heel ernstig geweest. Van de 25.000 Joodse onderduikers zijn er 8000 omgekomen door verraad. De Duitsers hebben ze vermoord, maar zonder de Nederlandse verraders zouden ze het er misschien levend vanaf gebracht hebben. Daar schrok ik heel erg van.’
KH: ‘Wat hadden journalisten meer kunnen doen?’
PH: ‘Negen van de tien journalisten bleven op hun plek. Is dat erg, kun je je afvragen? Toch wel, want redevoeringen van Goebbels, waarin stond dat Joden verdelgd moesten worden, moesten de kranten wel afdrukken. Net als bij de tramconducteur of treinbestuurder was dat collaboratie, dat moeten we toegeven. Hoe erg die collaboratie was, daarover kun je over van mening verschillen.
Nadat de eerste Joodse journalisten waren ontslagen zagen de mensen echt wel dat het de verkeerde kant op ging. Ik zou misschien ontslag moeten nemen, dachten ze. Maar ik heb het inkomen nodig, ik heb een huis en kinderen en kan niet zomaar een andere baan krijgen. Dit speelde bij alle kranten. Velen gingen schrijven over onbelangrijke dingen als jonge giraffes in Artis en probeerden zo onder de radar te blijven.’
KH: ‘Is er in andere landen meer verzet geweest vanuit de pers?’
PH: ‘In België was het anders omdat ze de Eerste Wereldoorlog hadden meegemaakt. Toen de Duitsers kwamen, die twintig jaar eerder hele Belgische steden hadden platgebrand, wisten ze: dit is het einde. Je moet niet meewerken.
Na een half jaar bezetting in Nederland gingen er rapporten naar Berlijn met de boodschap dat het allemaal heel goed liep. Kranten doen keurig wat we willen, je kan al bijna niet meer het verschil zien tussen het Algemeen Handelsblad, De Telegraaf en Het Volk, rapporteerden ze aan hoge nazi’s. Ze lopen allemaal keurig in het gareel. Daar verbaasden de Duitsers zich over.’
KH: ‘Wat ontzettend pijnlijk.’
PH: ‘Ja, dat is het zeker. Er is veel romantiek over de tijd aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Toen ik begon in de journalistiek, in 1967, was het ook allemaal erg avontuurlijk en romantisch. Maar op diezelfde plek zijn de vreselijkste dingen gebeurd. Dat moeten we ons realiseren. Het is goed om te weten dat ook dit een deel is van de geschiedenis van de journalistiek. Wat er toen met onze beroepsgroep is gebeurd. En zou het ons weer kunnen overkomen?’
Het boek ‘Dubbel zondebok, Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging, 1920-1945’ verschijnt op 13 september bij de Arbeiderspers (ISBN 9789029542623, 718 pagina’s, € 39,99). Folkert Jensma zal op 21 september namens het NVJ-bestuur het eerste exemplaar in ontvangst nemen. Tijdens de bijeenkomst zal Piet Hagen worden geïnterviewd door Natascha van Weezel.
Piet Hagen (1942) begon zijn journalistieke loopbaan in 1967 bij Trouw. Later was hij docent en directeur van de School voor de Journalistiek en hoofdredacteur van De Journalist. Vanaf 2002 is hij fulltime schrijver van historische boeken.
Kitty Herweijer (32) is mediajournalist en columnist bij De Telegraaf. Ze studeerde politicologie en Midden-Oostenstudies aan de UvA en de VU. Eerder werkte ze als freelancejournalist voor Quote, Nieuw Israëlietisch Weekblad en Bernie Magazine.



Praat mee