— maandag 26 april 2021, 12:44 | 1 reactie, praat mee

Hoe ‘ik’ van persona non grata tot lieveling van de journalistiek werd

Toen ik (daar heb je dat vermaledijde woord al) ruim een halve eeuw geleden in de journalistiek begon, kreeg ik als eerste consigne: schrijf nooit ‘ik’. Plus het gebod om ‘nergens lid van te worden’. Bij het Algemeen Handelsblad werden die principes uitgedragen door de legendarische filmredacteur Jan Blokker: ‘Sluit je niet aan bij een politieke partij, of de journalistenvakbond. Blijf overal buiten.’

Die twee geboden dienden om de schijn van objectiviteit te handhaven. De journalist moest zich opstellen als een volstrekt neutrale waarnemer en niet, menig hoofdredacteur zei het zijn voorgangers na, ‘tussen het nieuws en de lezer in gaan staan’. Alleen als het niet anders kon trad de verslaggever zelf in de kolommen, via krampachtige vormen als de pluralis majestatis: ‘Wij gingen op zoek naar…’ of de derde persoon: ‘schrijver dezes’ of ‘ondergetekende’ – als er al sprake was van ondertekening, want ook die werd doorgaans te persoonlijk geacht: allemaal borstklopperij en aanstellerij. Berichtgeving werd toegeschreven aan een anonieme instantie: ‘Van onze parlementaire redactie.’ Of de verslaggever verschool zich achter het anonieme ‘In politiek Den Haag wordt verwacht…’, wat een vrijbrief was om zijn eigen verwachtingen te etaleren: nep-objectiviteit.

Deze tekst is deels ontleend aan IK? Het ego in de journalistiek. Het kleinood (met treffende voorbeelden en conclusies) is te verkrijgen door overmaking van € 7,50 op NL97INGB0004248717 t.n.v. SP Abonneeservice Alphen a/d Rijn o.v.v. Argusboekje John.

Henri Knap, die met zijn Dagboek op pagina 2 van Het Parool een van de eerste schrijvers van een ‘column’ was (nu het eldorado voor het ‘ik’ van scribenten), voerde zichzelf alleen in de derde persoon ten tonele: ‘Dagboekanier zag gisteren…’, ‘Dagboekanier kreeg ter inzage…’ En alleen als het functioneel was. Dagboekanier zou nooit melden dat hij hoofdpijn had, of een kater.

De wapenstok
De journalist had geen meningen of standpunten, althans: liet die nooit in zijn krant blijken. Hij rapporteerde quasi-objectief: ‘De H. Hermandad zag zich gedwongen van de wapenstok gebruik te maken,’ en onthield zich van elk oordeel over het politieoptreden.

Die persoonlijke afstandelijkheid vloeide voort uit de ideologie die het naoorlogse Nederland beheerste: je moest jezelf, zoals mijn moeder altijd zei, ‘wegcijferen’. Nooit jezelf vooropstellen, maar op je beurt wachten, geen aandacht vragen voor je kwalen of je leed. “Tanden op elkaar en je tong ertussen,” zei mijn moeder ook. Die instelling bracht ons de wederopbouw, maar toen de babyboomers volwassen werden, was het er gauw mee gedaan. 

En kijk nu eens! Als op de redactievergaderingen van het opinieblad Argus één ergernis regelmatig terugkeert, is het wel het overvloedige gebruik van het woord ‘ík’. Wat zeg ik (alweer die vervloekte derde persoon enkelvoud!):  regelmatig? Telkens die wrevel over het hoge ik-gehalte van ingezonden kopij. “Zestien keer in één stuk!

Wat hebben lezers ermee te maken dat die man in Jakarta een geile vriendin had? Dat stuk gaat toch over de opmars van de islam in Indonesië?’’ Nu is niet uit te sluiten dat er een verband bestaat tussen islamisering en afnemende geilheid, maar dat verband doet de scribent zelden uit de doeken: hij wil vooral opscheppen. Onlangs trof een Argusredacteur met satanisch genoegen in Het Parool in één niet al te lange zin van restaurantcriticus Gilles van de Loo viermaal het woord ’ik’ aan: eerste prijs voor journalistieke ik-gerichtheid!

Geen wonder
Het is geen wonder dat juist Argus met dit verschijnsel te maken heeft: veel medewerkers stammen uit de jaren zeventig, toen de kentering intrad. Het weekblad Haagse Post bestempelde dat tijdvak tot ‘ik-tijdperk’ en nam er zelf het voortouw in. “Wij maakten van HP een spiegel van ons eigen persoonlijke leven,” zegt toenmalige eindredacteur Bert Vuijsje. Met alle levensstijlen die daarbij hoorden: de LAT-relatie, de therapiegolf, de ‘nieuwe vrijgezel’, de commune.

Dat was een succesvolle formule, omdat die aansloot bij de nieuwe sociale codes die voorschreven vooral ‘jezelf’ te zijn, ‘dichtbij jezelf te komen’. ‘Authenticiteit’ werd de marsorder van de jaren zeventig. Alles wat kunstmatig, vals, gemaakt, onecht was, moest weggekrabd worden om ‘de echte mens’ tot zijn recht te laten komen. De journalist werd een personage in zijn eigen verhalen, allerminst van plan zichzelf weg te cijferen: hij vroeg de aandacht van het publiek voor zijn meningen en gevoelens.

Nog onlangs kreeg de gelauwerde NRC-essayist Bas Heijne te horen: “Je verschuilt je achter je onderwerpen,”  en dat knoopte hij in zijn oren: “Blijkbaar wordt het tijd om te laten zien wie ik ben: minder over de wereld schrijven, meer uit de innerlijke wereld in mijzelf.”

Ziekten en angsten
In de eerste plaats was daarvoor de column uiteraard het puike speelveld en die groeide dan ook als kool, in tal en last. Maar ook in reportagevorm kwam ‘ik’ steeds meer aan bod. Hadden journalisten voorheen angstvallig over hun ziekten en angsten gezwegen, sedert de jaren negentig is er een hausse van persoonlijke verslagen over gestorven vaders, gehandicapte kinderen en je eigen kanker, autisme of verslaving. Het werd een succesvol genre: het uitgangspunt dat de journalist het allemaal ‘zelf meegemaakt’ had, boeide blijkbaar veel lezers. En vergrootte mogelijk het begrip voor het beschreven leed. 

Het voorlopige hoogtepunt van deze ontwikkeling is bereikt met wat Vuijsje noemt ‘de ik-platforms’ van Facebook en Twitter. Je lanceert jezelf op zo’n netwerk, noemt jezelf influencer en dan is het afwachten hoeveel ‘volgers’ je krijgt. Eindelijk kan iedereen volgens Andy Warhols prognose uit 1968 voor 15 minuten beroemd worden.

Toen ik voor Argus daarover een kleine boutade schreef, vroeg de hoofdredactie prompt of ik er geen drieduizend woorden van kon maken, dan was het een ‘essay’ en liet zij er een boekje van maken (dat de drukker vervolgens een ‘brochure’ noemde), om bij gelegenheid van het honderdste nummer aan alle medewerkers te schenken: een cadeau met een dubbele bodem, want een vermaning tegelijk: niet teveel ‘ik’.

Bekijk meer van

Persoonlijk Argus

Praat mee

1 reactie

J.C. Roodenburg, 8 mei 2021, 10:37

Ik ben nog opgevoed bij Het Vrije Volk (en daarvoor bij Het Rotterdams Parool) dat de ik-vorm uit den boze was.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.