Fotograaf Joey Bremer: een pain in the ass van politie en OM
Hij heeft een haat-liefdeverhouding met de politie en het OM, is in het verleden afgeluisterd en wordt met de dood bedreigd. Maar de 25-jarige fotograaf Joey Bremer uit Vlaardingen houdt zielsveel van zijn vak. ‘Dankzij die camera is mijn leven één groot avontuur.’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Geert Wilkens. Ook lid worden?
Met zijn handen in zijn zij staat Joey Bremer in de gang van zijn huis. Hij is in overleg met een monteur die ‘enkele veiligheidsmaatregelen’ zal doen, hier, op één hoog in Vlaardingen. Wat voor maatregelen dat zijn, kan Bremer niet zeggen. Hij wijst naar zijn mond, perst zijn lippen op elkaar, om maar aan te geven: zijn lips are sealed. Maar hij hoopt dat de maatregelen hem – en vooral, voorál zijn moeder – een veiliger gevoel gaan geven. ‘Dus het gaat lukken zo?’, vraagt Bremer aan de monteur. Die knikt. ‘Fijn. Ik hoor wel als je iets nodig hebt.’
Het is een paar weken geleden dat Bremer (25) een telefoontje kreeg van zijn moeder. Ze schreeuwde – hij hoorde meteen aan haar stem dat het foute boel was. ‘Ze gooien de ramen in! Ze gooien de ramen in!’ Zelf was Bremer niet thuis, hij was bij een klus, hij is altijd bij een klus. Hij zal straks vertellen over die bedreigingen. Maar eerst effe over zijn werk. Dat veel meer inhoudt hoor, dan alleen maar mensen die je iets aan willen doen.
Bremer fotografeert sinds zijn zestiende. Een studiebol was-ie niet. Hij stopte met zijn havo/vwo, hij had er geen zin in. Hij zat thuis, een beetje achter zijn computer, voor de tv, en ging, gedreven door verveling en een overschot aan tijd, steeds vaker naar buiten als hij sirenes hoorde. Hij maakte foto’s met een compact cameraatje, en dacht ineens: ik moet een goede camera hebben. Hij kocht een Pentaxje (‘ding stelde niet veel voor’) en trok er steeds vaker op uit met zijn scooter.
Zijn eerste item ging over een heimachine, ‘een gevaarte van heb ik jou daar’, die omviel op een bouwplaats. Bremer pakt zijn telefoon, die naast hem ligt, en wil de foto even laten zien. Alles wat hij maakt, plaatst hij op Instagram. ‘Ma, waar was dat ook al weer? Schiedam toch?’ Zijn moeder knikt vanaf de bank. ‘Schiedam ja.’ Heel af en toe gaat ze mee, als ze toevallig al bij hem in de auto zit als hij wordt gebeld. ‘Straks ga ik bijvoorbeeld nog eventjes naar de plek waar gisteren een motoragent omkwam. Wedden dat daar bloemen liggen?’ En wedden dat Bremer die beelden wel verkoopt? ‘Ik weet niet of er al beelden zijn, maar misschien zijn die van mij beter. Of misschien hoor ik nog iets van iemand ter plekke, over de chauffeur die is doorgereden.’
Via de vogeltjes
Bremer praat snel. Veel. Voor iemand die veel van beeld houdt, gebruikt hij behoorlijk veel woorden. ‘Als ik eenmaal begin, stop ik niet meer.’ Hij levert zowel video als foto’s aan de Telegraaf, NOS, Rijnmond, verschillende crimesites, lokale nieuwssites en voorheen deed hij ook veel voor het AD. ‘Ik ben geen 112-fotograaf’, benadrukt hij. ‘Dat vind ik echt een kutwoord. Ik versla nieuws. Verhalen. Ik ben fotojournalist. Ik ga niet alleen maar op 112-meldingen af.’
Sterker nog: de meeste klussen krijgt hij niet door de pieper – al zit die altijd aan zijn broeksband bevestigd. De meeste meldingen krijgt hij via zijn oren binnen, op straat. ‘Vogeltjes’, noemt hij die tipgevers, en die vogeltjes zitten overal. ‘Ik krijg veel dingen te horen van mensen, “dáár en dáár moet je zijn”, “die en die hebben iets te vertellen”. Maar ze horen niets van mij’, zegt hij. ‘Ik ben géén doorgeefluik van criminelen, en ik ben ook zéker géén doorgeefluik van de politie of het Openbaar Ministerie.’
Over het OM gesproken. Daar heeft hij ‘echt veel gedonder’ mee gehad. Twee jaar geleden kreeg hij excuus. ‘Eindelijk, na jaren knokken, samen met de NOS, een dierbare collega en advocaten.’ Het Openbaar Ministerie in Rotterdam heeft Bremer de afgelopen jaren afgeluisterd en hem met een peilbaken – een soort tracker – maandenlang gevolgd. Het gebeurde in 2015 en 2016, vorig jaar gaf het OM toe, incluis de boodschap: dit had niet mogen gebeuren. Er was geen rekening mee gehouden dat hij journalist was. ‘Ik word gewoon weer pissig als ik het erover heb, hè’, zegt Bremer. Hij neemt een slok van zijn cola en tikt dan met zijn wijsvinger op tafel. ‘Ze hebben gewoon een journalist gevolgd. Toen dat uitkwam, heb ik een paar vervelende gesprekken moeten voeren met mijn bronnen. Hoe kan ik mijn werk nog doen als ik word afgeluisterd? En stiekem, hè, gewoon mij stiekem afluisteren.’
Verdachte
De politie deed dat omdat ze het opvallend vonden dat hij zo snel aanwezig was bij een reeks autobranden in Vlaardingen, zo berichtte de NOS vorig jaar. Bremer was korte tijd verdacht van de brandstichtingen. ‘Ze hebben zelfs een keer aan mijn handen geroken of die naar benzine roken toen ik stond te fotograferen bij een brand. Bizar.’
De tracker werd later geplaatst, in een ander onderzoek, ook naar autobranden. Toen was Bremer geen verdachte, maar hoopte de politie op het spoor van de brandstichter te komen. En dit jaar kreeg hij excuus van de politie in Rotterdam, omdat ze hem met geweld het werk onmogelijk hadden gemaakt. Bremer maakte vanaf de openbare weg foto’s van een training van de Dienst Speciale Interventies (DSI) in de Rotterdamse haven, en werd na een discussie verwijderd. ‘En andere fotografen konden gewoon blijven staan.’
Hij is een luis in de pels. Een pain in the ass. Hij kent alle gezichten van de politie in Rotterdam en Vlaardingen. Als een agent ergens ‘undercover zit te zijn’ op een bankje, dan weet Bremer waar hij wezen moet. ‘Ze zullen best weleens zuchten als ik er weer ben met mijn Renault Cliootje. Of als ik ergens éérder ben, door een van mijn trucjes – nee die ga ik je niet vertellen.’
Journalisten zijn soms een beetje schapen.
Hij is hier niet om aardig te zijn voor de politie, maar om mensen te informeren. De burger wil weten, zegt hij, wat er gebeurt in de regio. ‘Dáár ben ik voor.’
‘Zijn’ gebied beslaat zo ongeveer Hoek van Holland tot en met Dordrecht, maar als er groot landelijk nieuws is, springt hij ook in zijn auto. Enige trots in zijn stem: ‘Tijdens de aanslag in Utrecht was ik daar 21 minuten na de eerste melding.’ Die dag maakte diepe indruk op hem. Maar het was ook gewoon hard werken. ‘Journalisten zijn soms een beetje schapen’, zegt hij. ‘Iedereen ging bij die tramhalte staan. Ik niet. De speciale eenheden waren volle bak naar de dader aan het zoeken.’ Zijn foto van de zoektocht belandde op de voorpagina van de buitenlandse krant Evening Standard. Hij vertelt niet hoe hij het weet, maar hij was bij verschillende invallen die de politie deed om de dader te zoeken. ‘Ik kan aan de kentekens van de politieauto’s zien bij welke eenheid de auto’s horen en wat hun taak is.’ Bij de inval waarbij de dader werd gepakt, was Bremer niet. Hij kijkt een beetje zuur. ‘Ja. Dat is echt kut. Maar ik baal pas écht als ik een beeld niet heb, als een ánder het wel heeft.’
Tientallen doden
Neerslachtig wordt hij niet van die foto’s; stillevens van menselijk leed. Tuurlijk, het raakt hem, hij heeft tientallen levenloze lichamen gezien, van liquidatieslachtoffers tot mensen die verdronken of verongelukt zijn. Zijn lens is zijn harnas. Of hij ooit bang is dat hij PTSS krijgt van alles wat hij ziet? ‘Ik ben daar niet mee bezig. Ik heb één keer een nacht slecht geslapen, toen was ik bij een terreurrechtszaak geweest in Rotterdam, en kwam er toevallig politie langs die zochten naar een zwarte plastic zak. Dus ik ging mee, ze vonden die zak, ze keken erin: zat er een dood baby’tje in van een paar dagen oud. Jéétje, dacht ik. Jéétje. Ja, dan ben je wel even stil. En ik heb op dat moment mijn camera ook niet gebruikt. Pas later, toen er witte pakken bij waren. En dan nog, de foto’s waar dat kindje op te zien was: daar doe ik niets mee.’
Witte lakens, witte pakken: dat zijn wel een beetje de beelden die redacties willen. Zonder bloed. Hij laat een foto zien van een jongen, geliquideerd, witte gympies komen nog net onder het laken uit, ernaast ligt een busje Pringles, paprikasmaak. ‘Dat is iconisch beeld, die jongen liep daar gewoon chipjes te eten en werd vermoord. Dat leg ik vast. Maar zodra de lakens worden weggehaald, leg ik vaak, net als mijn collega’s, de camera achterstevoren voor mijn voeten op de grond. Dat is een soort ongeschreven regel, daarmee laten we de politie zien: we maken geen foto’s.’
Niet alleen ellende
Maar – hij benadrukt het een paar keer – het ís niet allemaal ellende. Laatst liep hij door de stad voor een klus in Rotterdam. Toen hij via Twitter zag dat een man in een scootmobiel mondkapjes opruimde, heeft hij hem een berichtje gestuurd. ‘Ja, dan maak ik een praatje, een foto, ik noteer zijn nummer en bel de krant: leuk verhaal voor jullie?’ Hij pakt zijn telefoon er weer bij. ‘Of, deze foto, ook zo mooi, wacht.’ Even scrollen, ja, daar is-ie: de foto van een man die samen met de brandweer zijn papegaai uit de boom haalt. ‘Als je eentje naar links gaat, dan zie je echt een mooi plaatje: daar geeft dat baasje die papegaai een kusje.’ Bremer glundert, zijn moeder lacht.
Eens kijken of er nog wat vogeltjes zijn – en of ze nog wat te vertellen hebben.
Maar dit soort beelden zijn niet de reden dat die stenen door de ruit vlogen, onlangs. Nee, het kan te maken hebben (kán) met beelden die Bremer schoot van hooligans tijdens wedstrijden van Feyenoord. ‘Ik mag er niet teveel over zeggen, maar het is niet prettig. Er stond hier een grote camera op een paal achter. En aan de voorkant van de woning zitten nu ook twee camera’s.’ Hij lacht. ‘Dan heb je een simpel huurwoninkje in Vlaardingen, moet je er twee camera’s neerzetten. Dan denken mensen die het verhaal niet weten ook: wat hebben die te verbergen?’
‘Ik ben boos. Dan ben je een laffe hond hoor, als je stenen gaat gooien. Mijn moeder wil liever dat ik met sommige klussen stop. Maar ik ben niet bang. Als je bang bent, moet je stoppen. Dan gaat het je werk beïnvloeden, dan ga je misschien bepaalde beelden níét maken uit angst. Hoe vrij en onafhankelijk en objectief ben je dan nog als journalist? Maar ik ben wel voorzichtig. De politie adviseerde me een paar dagen niet thuis te slapen, ik zei: “Ik ga helemaal nergens heen”.’
‘Het gaat supergoed, ik heb een paar jongens vanuit de regio die foto’s voor mijn beeldbank maken. Het is niet altijd een vetpot hoor, soms hanteren opdrachtgevers echt schijtprijzen. En soms gaat mijn privéleven er wel aan, in drukke tijden. Vóór corona werkte ik vooral ’s nachts, ’s ochtends sliep ik dan een paar uur. Maar mijn leven is een avontuur dankzij die camera.’ Hij kijkt naar buiten. Het is een mooie dag. Maar eens kijken of er nog wat vogeltjes zijn – en of ze nog wat te vertellen hebben.


Praat mee