‘Diversiteit moet over meningen gaan’, vindt nieuwe Telegraaf-adjunct Kamran Ullah
Hij stond nog nooit met een stuk op de voorpagina van zijn krant. Toch is Kamran Ullah sinds januari adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf. Na jaren van neergang zit die titel digitaal flink in de lift. Ullahs opdracht: De Telegraaf op dat gebied nog sterker maken. Interview met een aardige multimediaman. ‘Mensenmens? Dat vind ik een verschrikkelijk woord!’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Boudewijn Geels. Ook lid worden?
De werkkamer van Kamran Ullah (37) is een zeer ruim bemeten glazen kooi. De inrichting ervan ongezellig minimalistisch: een vergadertafel en een bureau dat op het moment van het interview op stahoogte is afgesteld. ‘Ik probeer minstens de helft van de dag te staan’, luidt het verkapte gezondheidsadvies van de adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf.
Dat hij, die nog nooit met een artikel op de voorpagina stond, sinds 1 januari deze ‘grotemensenbaan’ heeft, vindt Ullah nog steeds best bijzonder. ‘Laatst nam ik deel aan een internationale digitale conferentie. Zag ik de woorden “deputy editor in chief, Telegraaf, Netherlands” op mijn scherm. Toen heb ik toch even een screenshot naar mijn vrouw gestuurd: “Dit is echt wat er onder mijn naam staat!”’
Sommige dingen waren even wennen. ‘Ik werk nu veel thuis, waar ik in mijn oude rol van nieuwsregisseur op de redactie werkte. Want de nieuwsregisseur moet gewoon hier op de Basisweg zijn, hebben we aan het begin van de coronapandemie gezegd. Ook ben ik nu verder weg van de hartslag van het nieuws, terwijl ik die hartslag wel continu volg. Soms kriebelt het. Dan denk ik: dit moet snel op de site! Maar dat is mijn rol niet meer.’
Ullah focust in zijn nieuwe functie op de digitale activiteiten van de krant die niet zo heel lang geleden Nederlands grootste was. Jarenlang kelderde de oplage en volgde bezuiniging op bezuiniging. Ondertussen vochten de aandeelhouders – onder wie John de Mol – elkaar de tent uit. Deprimerende tijden waren dat, erkent Ullah. Maar in 2020 kwam de ommekeer. De drie jaar eerder door het Vlaamse Mediahuis ingelijfde Telegraaf passeerde opnieuw de grens van 400.000 betalende lezers, maar dan op de weg omhoog.
Een van de vaders van het succes: een jongensachtige verschijning met Pakistaanse roots die van de muziek van Tino Martin houdt en in 2010 kandidaat-Kamerlid was voor de VVD.
Wat is jouw kracht? Waarom hebben ze jou deze baan gegeven?
‘Dat zou je aan anderen moeten vragen, maar de functie is dus: adjunct met een focus op digitaal. De afgelopen vijftien jaar heb ik met alle facetten van de digitale journalistiek wel iets gedaan. Ik ben ooit begonnen bij Campus TV, en daarna werd ik eindredacteur en presentator bij WNL. Bij De Telegraaf, waar ik sinds 2013 werk, werd ik chef video. Ik heb hier ook de podcast van Wierd Duk opgezet – aanvankelijk met mezelf als presentator. Als nieuwsregisseur bepaalde ik de jaren daarna wat er op welke plek op onze website kwam. Al die bagage heb ik dus. Verder is denk ik mijn kracht dat ik verschillende partijen kan verbinden. Want ik mag dan niet de taal van developers spreken, ik snap ze wel. Zoals ik ook de taal van de redactie snap.’
Van mensen die je kennen hoor ik: Kamran is ook gewoon een aardige jongen. Loyaal, geduldig, diplomatiek, stimulerend.
Glimlachend: ‘Ja.’
Een mensenmens.
Weg glimlach. ‘Dat vind ik echt een verschrikkelijk woord! Iemand hier vroeg: “Ben jij niet te aardig voor deze rol?” Dat is op zich een compliment, maar het is goed om in mijn achterhoofd te houden dat het ook mijn valkuil kan zijn. En toch, het is wel wie ik ben. Ik probeer te verbinden. Ben ook niet direct van de confrontatie. Ik geloof eerder in de kracht van de overtuiging.’
In de kamer naast je zit iemand die bepaald niet altijd aardig is: hoofdredacteur Paul Jansen. Jij kunt een buffer vormen tussen hem en de redactie.
‘Alsof dat nodig zou zijn. Nee dus, en daar is het in de procedure ook geen moment over gegaan. Er bestaat een bepaald beeld van Paul. Vroeger was hij misschien vrij hard, maar ik ken hem niet op die manier. Paul is duidelijk. En als hij, plaatsvervangend hoofdredacteur Wim Hoogland en ik complementair aan elkaar zijn, dan is dat alleen maar mooi. Ook mijn functie bestaat overigens uit duidelijk zijn en keuzes maken. Dat is niet altijd even prettig voor de mensen die erbij betrokken zijn. Er lopen er in de journalistiek ook tientallen rond die zullen zeggen dat ze aan die Kamran geen al te beste herinneringen bewaren. Maar oké, je vindt er waarschijnlijk veel meer die me aardig vinden en zeggen: hij is zacht, hij luistert goed – al praat hij ook veel – en hij is er voor me.’
Jij kijkt als adjunct met name naar ‘digitaal’. Wat is de digitale strategie van De Telegraaf, en is die anders dan voor jouw aantreden?
‘Ik zit nog maar net op deze stoel, dus de strategie is niet heel anders dan hiervoor. Bovendien was ik de afgelopen twee jaar ook betrokken bij de digitale strategie. Veel abonnementen worden afgesloten via de paywall die bij elke krant tegenwoordig ver naar voren staat. Op die manier kunnen we blijven maken wat we willen maken. De strategie is daarop geënt, met een focus op mobiel. Daar kijken we altijd eerst naar: is een bericht geschikt voor de mobiele telefoon? Want daar zit het grootste deel van het onlinebereik. Verder gaan we natuurlijk vol door met audio en video.’
Het is nu 15.00 uur. Op het videoscherm bij jullie centrale middentafel zag ik dat jullie paywall vandaag tot dusver 42 nieuwe abonnees heeft gegenereerd. Dat houden jullie dus continu bij.
‘Zeker. De hoofdredactie heeft zich laten inspireren in Scandinavië. Er kwam een nieuwe mobile first-werkwijze en de data-dashboards deden hun intrede. Daarop zien we hoe goed een verhaal wordt gelezen, waar het verkeer vandaan komt en dus ook: hoeveel nieuwe abonnees levert een artikel op?’
Hier heeft ook jullie directeur Consumenten Xavier van Leeuwe, die in 2017 overkwam van NRC, een rol in gespeeld.
‘Ja. Xavier kwam dat jaar “thuis” – hij begon ooit als journalist hier – en heeft aan bepaalde knoppen gedraaid. Xavier zei: “Jullie hebben goeie content, maar jullie verkopen het op de verkeerde manier.” Vroeger werkte ook De Telegraaf veel met proefabonnementen: tien euro voor tien weken en zo. Had je er opeens 20.000 abonnees erbij, maar drie jaar later was daar nog maar één van over. Nu gaan we minimaal een relatie van een jaar met de lezer aan. Wat we vroeger deden was een beetje Tinderen, nu gaan we echt daten. Met als doel: een huwelijk voor het leven.’
Een abonnement waarmee jullie ‘premium’-artikelen kunnen worden gelezen, kost maar 81 cent per week. Ik zou bijna zeggen: zo kan ik het ook. Kan dat wel uit?
‘Als het niet uit zou kunnen, zouden we het niet doen. We hebben digitaal natuurlijk geen distributiekosten.’
Nee, maar uitgevers willen graag dat consumenten ook hun dure papieren krant blijven lezen – alleen al voor de advertentie-inkomsten.
‘Ik zit soms in overleggen waar dat besproken wordt, maar gelukkig gaan anderen daarover. Wij moeten als redactie zorgen dat onze content zo goed is dat iedereen die in potentie abonnee zou kunnen zijn dat ook wordt.’
Podcasts worden steeds populairder. Jij bent vanaf het begin betrokken geweest bij de podcasts van De Telegraaf. Wat zijn jullie luistercijfers?
‘Die houden we graag voor onszelf… Nou vooruit, vorig jaar hadden we rond de 4 miljoen plays, met zes of zeven podcasts per week. Per aflevering schommelt het aantal luisteraars tussen de 10.000 en de 35.000. Niet veel als je weet dat een miljoen mensen een bericht in de krant lezen, maar het zijn wel dedicated luisteraars.
De trend in podcastland lijkt nu beetje te zijn dat de deelnemers eerst ‘lollig’ ruzie maken over persoonlijke trivialiteiten. Wie de taart meeneemt en zo. Moet dat nou?
‘Eh, ja, dat vind ik ook ingewikkeld. Het idee is dat je als luisteraar een band krijgt met de podcastmakers. Een beetje als bij Veronica Inside van Genee, Derksen en Van der Gijp. Maar onze chef politiek Wouter de Winther (zijn podcast heet ‘Afhameren met Wouter de Winther’, red.) en Wierd Duk (‘Het land van Wierd Duk’, red.) hebben liever dat het meteen over de inhoud gaan. Als je als presentator tegen Wierd zegt: “Hee, je hebt een baard”, dan wordt hij helemaal ongemakkelijk.’
Over Wierd Duk gesproken: ik wil je niet etnisch profileren…
Met een grijns: ‘Maar je gaat het toch doen?’
De Telegraaf is behoorlijk kritisch over de ‘woke’-beweging en jullie hebben de op Twitter vaak als xenofoob weggezette Duk in dienst. En dan een adjunct-hoofdredacteur met Pakistaanse wortels. Best woke, eigenlijk.
‘Ha, ja, dan zijn wij ook woke – al weet ik niet precies wat dat is. Als mensen afgaven op Wierd, zeiden we vaak: “Bel maar in bij de podcast, kom langs!” Maar nee, dat deden ze niet. Tsja. Voor alle duidelijkheid: ik ken Wierd niet als vreemdelingenhater.’
Cabaretier Diederik Ebbinge kwam in december met een tekenfilmpje waarin de poppetjes ‘Wautor’ en ‘Wyrt’ valselijk insinueren dat asielzoekers verkrachters zijn, teneinde ‘krantjes’ te verkopen. Wat vond je daarvan?
‘Het is niet mijn humor, maar ik ben erg voor de vrijheid van meningsuiting, en satire moet kunnen. Het moet alleen niet ten koste van mensen gaan. Dat vond ik hier wel het geval.’
Voel je dan de behoefte om enorm voor die twee in de bres te springen op Twitter?
‘Ja, want ik heb Wouter en Wierd buitengewoon hoog zitten.’
Doe je dat dan ook?
‘Nee, omdat ik niet denk dat dat zin heeft. Het voor hen opnemen moet vooral richting onze abonnees. Dat doet Paul Jansen elke zaterdag in zijn column, en bij zijn afwezigheid mogen Wim en ik het doen. Verder kunnen we nieuwsverhalen maken als er echt aanleiding toe is.
Wat ik in bredere zin echt heel vervelend vind – ik hoop echt dat mensen mij daar niet op zullen betrappen, en zo ja, dan hoor ik het graag – is het zonder kennis van zaken mensen van allerlei dingen beschuldigen. Tot bedreigingen aan toe. Je ziet het bij de woke-beweging, maar ook bij andere bewegingen: het al een mening over iemand of iets hebben op basis van één zin. Omdat je ergens iets hebt zien langskomen.’
Nog even over je roots. Hoe zit dat precies?
‘Ik ben in Amsterdam-Osdorp opgegroeid als zoon van Pakistaanse ondernemers. Mijn vader kwam in 1974 naar Nederland als gastarbeider. Pakistan had geen contract met de Nederlandse overheid, zoals Marokko, dus het waren jongens die het zich konden permitteren om deze kant op te komen. De zoons dus van middenstanders – mijn opa was kruidenier. De rijken bleven in Pakistan, want die hadden het daar goed.
Zoals dat gaat werd mijn vader uitgehuwelijkt aan een Pakistaans meisje, dat begin jaren 80 ook naar Nederland kwam. Toen ben ik geboren, en een paar jaar later mijn zusje. Mijn ouders hadden in die jaren restaurants, daarna zijn ze de confectie ingegaan. Dus niet één discipline, maar echt het ondernemerschap omarmen: zien waar de kansen liggen en die grijpen. Die mentaliteit brachten ze ook over op ons. Ook hamerden ze op het belang van kennis.’
Je ging naar het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam en studeerde bestuurskunde in Leiden. Waarom geen journalistiek?
‘Als kind was ik al een nieuwsjunk, maar op een gymnasium word je niet echt gestimuleerd om naar hbo-opleidingen te kijken. En op universiteiten zag ik journalistiek niet voorbij komen. Wel allerlei modestudies zoals communicatiewetenschap-achtige dingen. Uiteindelijk koos ik voor een opleiding die alles, en daarmee tevens net niks was: een beetje sociologie, een beetje rechten, een beetje politicologie. Bestuurskunde dus.’
Wanneer dacht je: ik wil journalist worden?
‘Dat heb ik nooit gedacht. Het ging eigenlijk vanzelf. Ik was voorzitter van de Nationale Jeugdraad (koepelorganisatie van landelijke jongerenorganisaties voor jongeren tussen de 12 en 30 jaar, red.) en had met wat mensen een tv-programmaatje bedacht. Toen kwam ik drie heren tegen die teleurgesteld waren vertrokken bij Talpa: Mark Koster, Wouter Laumans en Beau van Erven Dorens. Zij vroegen me voor hun nieuwe bedrijfje Campus TV. Ik was daar van alles, van presentator tot hoofdredacteur. Zo rolde ik steeds verder de journalistiek in.’
Ben je ooit op een soort glazen plafond gestuit vanwege je afkomst?
‘Kijk naar deze kamer: een en al glas, behalve het plafond, haha. Maar nee, ik beoordeel mensen echt op hun gedrag, kijk naar wat ze hebben gepresteerd. Zo ben ik zelf ook altijd behandeld. Ik zeg niet dat zo’n plafond niet bestaat, maar mijn ervaring is dat je afkomst in de Nederlandse media geen belemmering hoeft te zijn.’
Zijn er te weinig mensen van kleur in de journalistiek?
‘Ik tel helemaal niet hoeveel mensen van kleur ik tegenkom. Wel ben ik benieuwd naar verschillende meningen. Want allemaal gelijkgestemden… Dat is vaak wat je hoort aan de woke-kant: “We moeten diversiteit en inclusiviteit.” Maar alleen naar iemands huidskleur kijken is gewoon keihard racisme. Diversiteit van gelijkgestemden ís ook geen diversiteit, want dan zit je gezellig bij elkaar en zeg je: “Kijk eens hoe verschrikkelijk die ander is!” Diversiteit is voor mij daadwérkelijke diversiteit, van meningen. Zeker in de journalistiek is dat natuurlijk heel belangrijk.’
En jouw eigen krant dan? ‘De T. is nu eenmaal De T.’, appte minister Ferd Grapperhaus vorig jaar aan de zwaar onder vuur liggende Amsterdamse burgemeester Femke Halsema. Hij oogstte herkenning. Kortom: is die diversiteit aan opvattingen hier dan wél?
‘Absoluut. Als ik zie hoe Telegraaf-redacteuren het soms met elkaar oneens zijn op sociale media… En als ik het in de podcast anders zag dan Wierd, dan zei ik dat ook gewoon.’
In 2010 was je kandidaat-Kamerlid voor de VVD. Je stond 59e op de lijst en haalde 445 voorkeursstemmen. Komt er een dag dat je het opnieuw gaat proberen?
Op besliste toon: ‘Nee. Ik heb echt een ander pad gekozen.’
Kamran Ullah werd op 26 november 1983 geboren in Amsterdam. Na zijn studie bestuurskunde belandde hij in 2006 bij Campus TV. Dat jaar schreef hij zich ook in bij de KvK als dagvoorzitter. In 2010 ging hij bij WNL aan de slag als eindredacteur en presentator op Radio 1. Hij werkte ook voor Goedemorgen Nederland. Tussen 2013 en 2018 was Ullah chef video bij De Telegraaf. Daarna werd hij chef nieuws. Sinds 1 januari 2021 is hij adjunct-hoofdredacteur.


Praat mee