— vrijdag 6 juni 2008 19:00 | 0 reacties , praat mee

De waarde van opiniepeilingen

Kunnen journalisten zich tegenwoordig nog permitteren geen verstand van opinieonderzoek te hebben, en blind te vertrouwen op de cijfers van opiniepeilers? Ja, mits zij er geen probleem mee hebben bij tijd en wijlen onzin te publiceren. Er is namelijk veel rotzooi op de markt. Het is verbazingwekkend wat voor idiote cijfers soms de wereld worden ingeslingerd, en vervolgens nog de krant halen ook!

Laatste wijziging: 12 juni 2008, 16:22

In een poging daaraan enig tegengas te geven, heb ik het boekje ‘Wat 93,7 procent van de Nederlanders moet weten over opiniepeilingen’ geschreven. Dat is bedoeld voor iedereen die wil kunnen beoordelen of een peiling deugt of niet, en wat de waarde van al die peilingen is voor onze democratie. Maken ze de kloof bijvoorbeeld kleiner of juist groter?


Mijn ervaring is dat bij kritiek op opiniepeilingen, mensen onmiddellijk denken aan steekproefgrootte, representativiteit en andere technische zaken. Hierover bestaat inderdaad veel onbegrip, zelfs in de beste kringen. Zie bijvoorbeeld de terechte kritiek van Emiel Elgersma   op een peiling van NVJ en het Nederlands Uitgevers Verbond (NUV) onder alumni en hoofdredacteuren naar de ‘startbekwaamheden van journalisten’. Basale kennis van techniek van peilingen is dus cruciaal. In dit stukje wil ik het echter over iets anders hebben, namelijk de constructie van een publieke opinie waar die niet of nauwelijks bestaat, al dan niet met hulp van sturende vragen.


Non-attitudes


Het lijkt wel alsof Nederlanders tegenwoordig overal een mening over hebben. Dat beeld wordt mede veroorzaakt door peilingen. Het is namelijk een koud kunstje meningen te produceren waar ze helemaal niet zijn. Een voorbeeld. Afgelopen najaar sprak de Tweede Kamer over een wijzigingsvoorstel van de Elektriciteitswet uit 1998. Ik heb toen in een enquête aan ‘gemiddelde Nederlanders’ gevraagd of zij voor of tegen dit wijzigingsvoorstel waren, zonder daarbij verder enige uitleg te geven. Mensen konden onmogelijk weten wat dit - zeer technische -  voorstel inhield, want de media hadden er met geen woord over gerept. Je zou dus verwachten dat iedereen met ‘weet niet’ zou antwoorden… Niet dus. Bijna de helft van de respondenten gaf wél een inhoudelijk antwoord (ze bleken in meerderheid tegen). Wetenschappers noemen dit non-attitudes: antwoorden die niet werkelijk een mening weerspiegelen, maar die mensen geven omdat ze bijvoorbeeld niet dom wil lijken of de interviewer een plezier willen doen.


Nu is dit een grappig voorbeeld, maar verder weinig relevant. Dat geldt niet voor een andere kwestie, de versoepeling van het ontslagrecht. Nadat afgelopen zomer minister Donner zijn plannen hiervoor presenteerde, liet de FNV een enquête doen. Het resultaat? ‘De meeste Nederlanders zijn tegen het kabinetsplan voor het ontslagrecht’, aldus de FNV. Enkele dagen later meldde PvdA-Kamerlid Mariëtte Hamer, onder meer verwijzend naar de FNV-enquête, dat haar partij tegen het ontslagplan is. Bijna viel het kabinet.


Maar was de tegenstand van ‘het volk’ echt zo groot? Ik heb tezelfdertijd in een enquête precies dezelfde vraag gesteld als de FNV, maar met één verschil: ik liet deze voorafgaan door de vraag of de respondent reeds ‘voldoende had gelezen of gehoord over de kabinetsplannen om zich daarover een mening te kunnen vormen’. Hierop antwoorden maar liefst 60 procent met ‘nee’. Dat is een opmerkelijk resultaat. Het wekt de indruk dat veel mensen nog geen uitgekristalliseerde mening hadden over het voorstel. De verhouding tussen voor- en tegenstanders zou best eens kunnen veranderen als meer mensen te weten komen wat de plannen feitelijk inhouden. Hoe terecht is dan, gegeven deze onwetendheid, de krantenkop: ‘Meerderheid bevolking tegen kabinetsplannen ontslagrecht’?


De meeste Nederlanders hebben geen tijd of zin om voortdurend het nieuws bij te houden, en hun kennis over politieke zaken is soms zeer gering. Opiniepeilers doen er daarom goed aan in hun enquêtes te controleren of mensen wel iets afweten van het onderwerp in kwestie. Dit gebeurt echter zelden. De inkt van een nieuw Europaverdrag is nog niet droog of ‘gewone Nederlanders’ wordt al gevraagd of ze dat verdrag een verbetering of verslechtering vinden ten opzichte van de verworpen grondwet, zonder dat überhaupt wordt gecheckt of zij al iets hebben gehoord over de inhoud van dat nieuwe verdrag. En dus krijgen we te horen dat ‘het volk’ tegen het nieuwe verdrag is, tegen versoepeling van ontslagrecht, vóór verplicht afstaan van DNA-materiaal, tegen invoering van 3 procent extra accijns op diesel, enzovoort. Hier wordt geen publieke opinie gemeten, hier wordt een publieke opinie geconstrueerd. De suggestie is dat de kaarten reeds zijn geschud en Den Haag weinig anders rest dan zich te voegen naar ‘de wil van het volk’. Het gevaar is dat zo het politieke debat wordt doodgeslagen nog voor het goed en wel begonnen is.


Sturen met vragen


Wélke publieke opinie wordt geconstrueerd, hangt sterk af van de vraagstelling. Vraag je bijvoorbeeld aan mensen of ze kleinere klassen in het onderwijs willen, dan zijn ze massaal vóór. Maar als je vervolgens erop wijst dat bij het huidige lerarentekort kleinere klassen betekent dat er meer onbevoegde leraren voor de klas komen te staan, zijn ze plots in meerderheid tegen. Wat is nu hun echte mening? Moeten de klassen nou kleiner of niet? Als je antwoorden kennelijk zo makkelijk kunt veranderen, wat zeggen die percentages dan nog?


Uit experimenten blijkt dat bij kwesties waarover mensen niet zoveel weten, je bijna elk cijfer eruit kunt halen. Een rijke bron van voorbeelden hoe het niet moet, is Maurice de Hond. Als het gaat om peilingen naar stemvoorkeur, doet hij het niet wezenlijk slechter dan zijn concurrenten. Echter, in zijn peilingen naar inhoudelijke onderwerpen, bijvoorbeeld actuele kwesties in Den Haag, maakt De Hond er vaak een potje van. Door de wijze van vraagstelling stuurt hij mensen een bepaalde richting op, en niet zelden informeert hij de respondenten eenzijdig. Als De Hond bijvoorbeeld peilt wat mensen vinden van het laatste voorstel van Geert Wilders, noemt hij wel hét argument van Wilders vóór dat voorstel, maar niet het argument van Wilders’ opponenten tegen. Of hij dat expres doet, weet ik niet. De Hond maakt er echter geen geheim van dat volgens hem het Haagse systeem volledig op de schop moet. Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat zijn aversie tegen het establishment soms doorklinkt in zijn vragen, die sturen in de richting van anti-Haagse antwoorden.


Politieke journalisten benaderen de Haagse vertolkers van de wil van het volk doorgaans met gepast wantrouwen. Dat behoort tot hun professionaliteit. Waarom verdwijnt die kritische zin dan plots als sneeuw voor de zon wanneer het gaat commercieel gemotiveerde vertolkers van de wil van het volk, in casu de opiniepeilers? Voor alle duidelijkheid: ik ben niet tegen opiniepeilingen, integendeel. Ze kunnen een essentiële bijdrage leveren aan de democratie. Ik ben alleen tegen slechte peilingen. Sommige zogenaamde onderzoekers rommelen maar wat aan, al dan niet gemotiveerd door politieke opportuniteit. Journalisten moeten daar niet intrappen. Maar dat vereist wel dat ze in ieder geval beschikken over elementaire kennis van de do’s en dont’s van opinieonderzoek.


Will Tiemeijer,
medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid


Onlangs verscheen ‘Wat 93,7 procent van de Nederlanders moet weten over opiniepeilingen’ bij uitgeverij Aksant (ISBN 9789052602806).

Bekijk meer van

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee