Impact

— vrijdag 27 september 2013, 11:37 | 2 reacties, praat mee

De journalist vindt zichzelf geweldig

Henk Steenhuis sprak woensdag 25 september de Joost Divendallezing 2013 uit. Steenhuis neemt zichzelf en zijn vakbroeders onder de loep. Waarom hebben mensen in het algemeen en journalisten in het bijzonder zo'n moeite met kritiek en zich blootstellen aan kritiek? Door de komst van internet is dat zichtbaar geworden. Redacties vinden dat lastig, maar er komt vast een moment dat iedereen begrijpt dat dit een prachtige ontwikkeling is, betoogt Steenhuis.

Jarenlang ben ik een trouwe lezer geweest van Rudy Kousbroek. Meer dan dertig jaar lang, sinds 1970, publiceerde hij zijn lange artikelen in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad en ik moet honderden van die stukken hebben gelezen.

Over zijn liefde voor dieren, over techniek, over het geloof in God, over de deplorabele staat van ons onderwijs, over andere zaken in deplorabele staat, over auto´s, over Nederlands-Indië natuurlijk, en ga zo maar door.

Kousbroek ontving op enig moment de P.C. Hooftprijs, hij kreeg een eredoctoraat van de Universiteit van Groningen, hij oogste lof en bewondering, en dat is allemaal terecht; toen hij stierf in 2010, kwam een einde aan het leven van een markante non-fictie auteur.

Omdat Kousbroek een schrijver was met veel temperament, beweerde hij dikwijls met het nodige aplomb hoe de wereld er volgens hem uitzag. Nederlandse treinstations bijvoorbeeld, die behoorden tot de lelijkste ter wereld, de oude Grieken hadden meer weg van protestanten dan van katholieken, mensen die zich kleden volgens de laatste mode waren volgens Kousbroek niet goed bij hun hoofd, enzovoorts.

Wie beweringen doet met zoveel stelligheid, lokt uiteraard weerwoord uit en dat kwam dan ook genoeg. Het Cultureel Supplement had destijds een eigen brievenrubriek en daar stond met regelmaat een reactie van iemand die het met hem oneens was. Meestal schreef zo’n lezer dan zakelijk op wat hij miste in Kousbroeks betoog en ook kwam het wel eens voor dat een briefschrijver hem op een fout betrapte.

Hoe kort die ingezonden brieven ook mochten zijn, de naschriften waren meestal aan de lange kant. Waarbij Kousbroek betoogde dat hij inzake deze ene kwestie a) groot gelijk had, b) de briefschrijver een talentloze onbenul vond en c) hij zich afvroeg waar zo iemand en of zo iemand ooit een school van binnen had gezien, want de stommiteiten die hier werden gedebiteerd…
Hiermee was de discussie wel zo’n beetje gesloten.

Kousbroek had een artikel geschreven, iemand anders had de moed getoond daar iets op aan te merken, vervolgens werd diens kop er afgehakt en daarna konden we overgaan tot de orde van de dag.

Ik noem hier Rudy Kousbroek als voorbeeld, maar deze situatie is in zekere zin exemplarisch geweest voor veel journalisten in de vorige eeuw. Journalisten hadden het rijk alleen en vele strekkende meters krantenpapier stonden tot hun beschikking om anderen te vertellen wat ze te melden hadden. Op sommige van die grote krantenpagina’s had je een hoekje waar brieven van lezers stonden afgedrukt –dat was eerder een hoekje dan een flinke hoek. Degenen die erin slaagden tot die plek door te dringen en een korte reactie te geven (niet zelden werd die korte reactie ook nog een keer ingekort door 1 of andere eindredacteur) verkeerden als het ware in een bevoorrechte positie –zij konden van buiten het schrijfvak ook even laten horen wat ze ergens van vonden. Al bestond dan wel de mogelijkheid dat je flink te pakken werd genomen ten overstaan van heel het vaderland.

Je hoeft niet veel te hebben gestudeerd –zelfs geen psychologie –om te zien wat hier aan de hand was: de meeste journalisten wensten niet te worden tegengesproken. Ze vonden het uitermate vervelend als iemand iets op hun werk had aan te merken en ze waren zo machtig, dat ze er goed in slaagden hun critici de mond te snoeren.

Als je van journalisten zegt dat ze slecht tegen kritiek kunnen, is het wel zo netjes een moment stil te staan bij de vraag hoe de rest van de bevolking het eraf brengt –hoezeer de gewone sterveling oog heeft voor zijn eigen gebreken. En in hoeverre hij daar iets over wil horen.

In de wetenschap is veel onderzoek gedaan naar deze kwestie en het antwoord is nogal schokkend. Want wat blijkt? 2

Mensen vinden eigenlijk altijd wel een rechtvaardiging voor hun eigen gekke daden. Ze zijn, vinden ze zelf, meestal goed bezig. Andere mensen daarentegen vallen ons vaak erg tegen, niet te geloven wat die allemaal doen! En wat een verschil met onszelf!

De vraag waarom wij onze domme beslissingen en ons idiote gedrag steeds opnieuw rechtvaardigen, wordt uitgebreid behandeld in een boek dat heet: Er zijn fouten gemaakt (maar niet door mij) van de Amerikaanse psychologen Elliot Aronson en Carol Tavris. Als u uw illusies over de mensheid wilt behouden, kunt u dit boek beter ongelezen laten.

Aronson en Tavris beginnen hun studie met scènes van politici die lopen te draaien, die zaken ontkennen en die domweg een potje liegen. ‘I did not have sex with that woman,’ is een bekende zinsnede van een Amerikaanse president en de rest weet u vast nog wel. Bill Clinton had al zijn talent nodig om een affaire met Monica Lewinski terug te brengen tot een alledaags akkevietje.

Als we zoiets op de televisie zien, zeggen we tegen elkaar: “Moet je die eens bezig zien!” We herkennen onmiddellijk dat iemand met gelieg en gedraai het vege lijf probeert te redden. Wat we liever vergeten, is dat wijzelf ook vaak op een dergelijke manier bezig zijn. We stappen niet uit een uitzichtloze relatie, we blijven maar hangen in een geestdodende baan, we maken ruzie met een vriend om een kleinigheid, terwijl we ons voorhouden dat we erg vredelievend zijn; de manier waarop wijzelf ons gedrag rechtvaardigen is eindeloos gevarieerd. We zuigen verhalen uit onze duim om aan de woede van een vriendin te ontkomen, om niet in de gevangenis te belanden of om ander onheil af te wenden. Zo zijn we doende voor onszelf een aanvaardbaar persoon te zijn en wie dagelijks bezig is zijn daden tegenover zichzelf te rechtvaardigen, is op enig moment nagenoeg immuun voor zelfcorrectie.

Wat ons brengt tot dit gedrag, dat heeft de psycholoog Leon Festinger al lang geleden, in 1957, uit de doeken gedaan en hij gaf het ook een naam: ‘cognitieve dissonantie.’ Cognitieve dissonantie is de psychische spanning die ontstaat als iemand twee dingen doet die onverenigbaar zijn. Dus als je denkt: roken is dom, want je gaat er dood van, maar je rookt toch 2 pakjes per dag, dan heb je een probleem.

Deze spanning veroorzaakt ongemak, variërend van lichte wroeging tot zware psychische nood. Mensen kennen geen rust totdat ze een manier hebben gevonden om deze spanning te verminderen. Als een roker vergeefs heeft geprobeerd te stoppen, is het noodzakelijk de dissonantie te verminderen door zichzelf ervan te overtuigen dat roken eigenlijk helemaal niet zo ongezond is… roken helpt je te ontspannen… van roken word je een gezellig mens… je wordt er niet dik van, enzovoorts. De meeste rokers slagen erin met dergelijke redeneringen zichzelf voor de gek te houden.

Eigenlijk is dit heel erg knap, hulde daarom voor de lenige menselijke geest. Zelfrechtvaardiging schijnt heel goed te zijn voor de nachtrust, want zonder deze vaardigheid werden we 24 uur per dag geplaagd door schaamte.

In het eerder genoemde boek worden extreme voorbeelden aangehaald om te illustreren hoe ver mensen kunnen gaan in het rechtvaardigen van hun gedrag.

Wat diepe indruk op me maakte, waren verhalen uit de wereld van misdaad en straf. Ook in de Verenigde Staten zijn dankzij beter DNA-onderzoek veel oude strafzaken opnieuw onderzocht en wat bleek? Nogal wat mensen in de VS zijn ten onrechte ter dood veroordeeld.

Nou zijn er veel manieren om andere mensen te benadelen, maar een extremer voorbeeld dan ‘iemand ten onrechte ter dood veroordelen’ wil me niet te binnen schieten. En wat blijkt uit de cases die Aronson en Tavris in hun boek opdienen? Bij de Amerikaanse justitie zien degenen die in deze een faux pas begingen zichzelf als kundig en fatsoenlijk –nooit maar dan ook nooit zouden zij in staat zijn een onschuldig mens tot de dood te veroordelen. En dus hebben ze, als hen iets wordt nagedragen, geen fouten gemaakt, was er dan ook geen sprake van een onterechte veroordeling, hooguit van een onterechte vrijspraak.

Ik sla nu maar even over wat de auteurs vertellen over het liefdesleven van veel mensen en hoe op dat gebied de zelfrechtvaardiging een reusachtige rol speelt, anders wordt het hier in deze zaal veel te onrustig. Laat ik er dit nog over zeggen: “Jij had gelijk, ik had ongelijk,” is een zinsnede die we erg weinig horen.

Niet in de woonkamer, niet in de slaapkamer, niet op kantoor, niet op de televisie en ook niet bij een bank als Lehman Brothers die onlangs in het nieuws was, vijf jaar na het begin van de bankencrisis. Blijkbaar is een fout toegeven voor ons allemaal het moeilijkste wat er is.

Goed, zelfkritiek is dus niet makkelijk, maar je kunt altijd nog op- en aanmerkingen van anderen krijgen. Daar kunnen politici, bankiers en beroepswielrenners over meepraten. En zoals iedereen weet: kritiek is een uitstekend tegengif tegen eigendunk –het houdt het ego enigszins in toom. Laten we eens kijken hoezeer journalisten blootstaan aan kritiek van anderen.

Journalisten kunnen natuurlijk niet ongemoeid hun gang gaan. Je hebt de wet waar iedereen zich aan dient te houden, en die wet geldt ook voor journalisten. Dus als, ik noem maar iets, de politieke redactie van Trouw morgen schrijft dat de minister van Defensie wel hele legeronderdelen afschaft, maar dat ze niet het verschil kent tussen een Centurion, een AMX en een Leopardtank –en dat dit komt omdat ze een domme blonde doos is –dan heeft Trouw een probleem.

Want dan is de kans groot dat minister Jeanine Hennis-Plasschaert naar de rechter stapt en zegt: “Edelachtbare, het klopt dat ik bezig ben het leger kapot te maken, het klopt ook dat ik het verschil niet weet tussen een Centurion, een AMX en een Leopardtank. Maar het feit dat ik vrouw ben en ook nog blond, heeft hier helemaal niets te maken. Dit is lasterlijk en bovendien discriminerend.” En dan krijgt minister Hennis vermoedelijk gelijk van de rechter.

Behalve een strenge rechter heeft een journalist idealiter ook een strenge hoofdredacteur. En strenge chefs. En collega’s die een oogje in het zeil houden. En collega´s van andere media die hem best op een fout zouden willen betrappen. Dan heb je nog de Raad voor de Journalistiek en wie weet is er ook een ombudsman om de journalist te kapittelen.

Het is een hele rij van criticasters die ik hier opsom, maar deze lijst kent 1 bezwaar: behalve de eerdergenoemde rechter zijn het allemaal journalisten die worden geacht hun collega’s te bekritiseren en op de 1 of andere manier werkt dat niet goed. Mensen die min of meer hetzelfde werk doen, hebben vaak de neiging aardig voor elkaar te zijn. Niet eens omdat ze elkaar ook aardig vinden, wel omdat ze een soort gedeeld belang hebben.

Ik kan dit het best illustreren met een voorbeeld van buiten de journalistiek. BP en Shell zijn elkaars concurrenten maar ze zorgen er ook samen voor dat de benzine aan de pomp niet te goedkoop wordt. En dat aan alle benzinepompen ongeveer dezelfde prijs per liter brandstof wordt berekend. Hoe dat precies in z´n werk gaat, kunt u lezen in The Wealth of Nations van Adam Smith, een boek uit de 18de eeuw maar nog erg up to date.

Zoals dat in de benzinebranche gaat, zo gaat het ook min of meer in de journalistiek. Men ontziet elkaar graag en als de eigen werkzaamheden beoordeeld moeten worden, voert mildheid de boventoon.

Het komt natuurlijk een enkele keer voor dat een journalist of een krant over de schreef gaat. Een goed voorbeeld is de NRC-verslaggeving over het ski-ongeluk van prins Friso.
Een korte samenvatting: op zaterdag 18 februari 2012 opende de krant met een bericht dat luidde: “Hoe zal het brein van prins Friso zich houden?” Wat volgde was een verhaal in de ik-vorm van redacteur Jannetje Koelewijn die vanuit Innsbruck –ze zat daar samen met haar man die neurochirurg is -verslag deed van de toestand van de verongelukte prins in Lech.

Teneur: het zou allemaal wel eens kunnen meevallen; de patiënt had geen schedelbasisfractuur; helaas was onzeker hoe lang hij in ademnood had verkeerd en of er sprake zou zijn van blijvend letsel.

Veel lezers waren woest toen ze dit stuk lazen en spraken van ‘sensatiejournalistiek,’ ‘effectbejag,’ ‘schending van iemands privacy’ en meer van dat soort verwijten. Twee dagen later schreef hoofdredacteur Peter Vandermeersch dat de NRC zoals gebruikelijk weer heel goed bezig was geweest, maar erg lang hield deze verdediging niet stand.

Al een dag later nam NRC’s eigen ombudsman de nodige afstand van de reportage en weer wat later, in april 2012, schreef een extern onderzoeker in de NRC dat inzake Friso-gate grote fouten waren gemaakt. Op dezelfde pagina stond nu ook een excuusbrief afgedrukt van Peter Vandermeersch.

Dat het liberale avondblad hier door het stof ging, is wel duidelijk –zo’n diepe buiging voor de lezer hadden we nog maar zelden gezien. Maar wat daarbij zo eigenaardig is: noch in het eerste stuk van Vandermeersch, noch in het uitgebreide artikel van de eigen ombudsman, noch in het stuk van de externe onderzoeker wordt beschreven hoe dit foute stuk in de krant is gekomen. Wie waren daar precies bij betrokken? Welke leden van de hoofdredactie waren hierbij aanwezig geweest? Welke chefs? Welke eindredacteuren?

Wellicht een redacteur koninklijk huis? Hoe heten die mensen precies en wie heeft wat gedaan of wie heeft wat nagelaten? Zoals de NRC bij een reconstructie van andermans feilen altijd minutieus te werk gaat, en man en paard noemt, zo mochten we in dit geval raden naar de hoofdrolspelers en de figuranten. Geen steek werden we wijzer; alsof de deksel van een beerput was gehaald, maar niemand kreeg een zaklamp om eens goed in de viezigheid te schijnen.

Conclusie: als een krant een enkele keer echt in het defensief wordt gedrongen, slaat de paniek toe. Help, we moeten ons verantwoorden! Help, we moeten excuses aanbieden! En niet alleen duurt het dan meer dan zes weken voor de tijd rijp is om tot inkeer te komen, tegelijk wordt er veel aan gedaan om geen openheid van zaken te geven. Journalisten vinden het blijkbaar heel erg moeilijk hun ongelijk te bekennen. Het zijn net echte mensen, maar dan nog iets erger.

Is het toeval dat dit artikel over prins Friso in 2012 tot een rel leidde? Of had zoiets ook in 2002, in 1992 of in 1982 kunnen gebeuren? Nee, dat lijkt me niet.

Want hoe kwam de bal aan het rollen? Op zaterdagmiddag 18 februari verscheen de krant met het gewraakte artikel van Jannetje Koelewijn en nog datzelfde weekend kwamen de lezers in het geweer. En niet zoals vroeger zag je het resultaat ervan een paar dagen later in de krant met wat ingezonden briefjes; nee, op de NRC-website verscheen een stroom aan berichten van boze lezers, het waren er honderden, die allemaal hun woede op de krant richtten.

Dit was een machtsvertoon dat we niet eerder hadden gezien –en dat ook niet had kunnen ontstaan in het tijdperk dat internet nog niet bestond. De massaliteit en de eensgezindheid van deze reacties moeten de redactie als een moker hebben getroffen.

En ook van belang: die briefschrijvers konden elkaars reacties lezen en dat zal ze gesterkt hebben in het idee dat ze allemaal hetzelfde dachten; ze zagen met eigen ogen hoe ze een front vormden en daarmee was de capitulatie van de hoofdredactie onafwendbaar.

Wat een krant in het pre-internettijdperk nog had kunnen doen: kritiek negeren en desnoods wegmoffelen, is niet meer mogelijk. Nu uitgevers niet langer het monopolie op de media hebben, kunnen burgers zich in allerlei debatten mengen en is het gedaan met de unieke positie van journalisten. Iedereen is journalist geworden en dat is een fundamentele verandering.

Hier wil ik graag nog een tweede factor noemen die voor andere verhoudingen heeft gezorgd. Het Nederlands medialandschap heeft lange tijd een verzuild karakter gekend, net zoals dat in de politiek gangbaar was.

Lezers, luisteraars en kijkers hadden iets weg van een kudde schapen die binnen de hekken van hun geloofsgemeenschap moesten blijven. Aan het hoofd van de kudde stond een goede herder in de gedaante van een dominee en/of een politicus: rooms, rood of protestant. Een treetje lager stond de hoofdredacteur van de krant die bij deze ene zuil hoorde en die dagelijks voorschreef wat de leidende denkbeelden waren.

In deze traditie hadden lezers niet veel in te brengen en dat leidde tot slaafse verhoudingen die lang hebben gegolden. Maar die tijd is voorbij. Van de verzuiling is niet veel meer over en dat heeft ook zijn weerslag op onze media.

Intussen is goed zichtbaar hoe veel lezers zich wentelen in de mogelijkheid om op ieder moment van zich te laten horen. De journalist beweert iets en de lezer zegt iets terug –heerlijk is dat!

Dat sommige journalisten hier nog niet aan zijn gewend, is begrijpelijk. Het is pijnlijk en ook hard als een geweldig privilege opeens niet meer blijkt te bestaan. Toen ik eerder dit jaar bij Henk Hofland over de vloer was om hem te filmen en vroeg of hij ook zin had te gaan bloggen in de zin van: je artikel verschijnt op het web en onder jouw stuk kunnen lezers reageren, sloeg hij zijn armen ten hemel. Nee, dat moesten we niet hebben. Ja, maar dan ontmoet u eindelijk uw lezers, hield ik hem voor. Nog steeds vond de nestor van de Nederlandse journalistiek dit geen goed idee. “Mijn lezers ontmoet ik iedere vrijdag op de boekenmarkt op het Spui,” zo liet hij weten en dat was hem genoeg.

Goed, dat Hofland op zijn 86ste alles bij het oude wil laten, is hem van harte gegund. Maar er zijn meer journalisten die zo te zien niet veel trek hebben in de nieuwe omgangsvormen en die daar soms zichtbaar onder gebukt gaan.

Zo was het geestig om te zien hoe de vorige hoofdredacteur van het Journaal, Hans Laroes, op de website van het Journaal begon te bloggen en hoe hij met regelmaat veel kritiek van zijn kijkers kreeg. Het kwam wel eens voor dat tientallen mensen hem wezen op een zwakke prestatie van 1 van de Journaaljournalisten en wat dan nog, zou je denken?

Journalistiek is vaak haastwerk, het Journaal is een nieuwsfabriek die een onafgebroken stroom berichten voortbrengt, dus het is niet gek dat daar wel eens een misser tussen zit. Maar nee, Laroes leefde duidelijk nog in de vorige eeuw, en hoezeer hij ook met kritiek werd bestookt, de reageerders hadden ongelijk. Het Journaal was onfeilbaar!


Een andere vakbroeder met bijzondere kwaliteiten is Kees Driehuis, lange tijd de baas geweest van het tv-programma Zembla. Driehuis had de pech dat het programma Medialogica zich onlangs verdiepte in een Zembla-aflevering over taakstraffen, getiteld: Moord, doodstraf, taakstraf.
Teneur van de bewuste Zembla-aflevering: zware misdadigers komen meer dan eens weg met lichte taakstraffen, zelfs als het gaat om moordenaars en verkrachters. Heel Nederland veerde op bij dit schandaal en 1 van de gevolgen was: de betreffende wet werd in 2012 gewijzigd om een einde te maken aan deze misstand. Het programma Medialogica zou later duidelijk maken dat Zembla de kwestie had uitvergroot, opgeblazen en verdraaid, en gaf Kees Driehuis gelegenheid om afstand te nemen van de hetze die hij had veroorzaakt.
Maar daar kwam niets van in. Driehuis wilde niet tot inkeer komen, zijn uitzending getuigde van journalistiek vakwerk en daarmee basta.

Ook de bekende NRC-columnist Marc Chavannes mag hier niet onvermeld blijven. Van zijn jongere collega Pieter van Os kreeg hij eerder deze maand het verwijt dat hij een zogenaamde ‘salonpopulist’ is. Een salonpopulist is iemand die deel uitmaakt van de elite, maar die net als Geert Wilders en zijn vrienden loopt af te geven op het establishment. Mooi woord trouwens, salonpopulist, en bovendien kwam Van Os met een paar treffende citaten aanzetten, waaruit bleek met welk dedain Chavannes soms op het politieke bedrijf neerkijkt.

Maar die Chavannes werd toch kwaad en kwam met een erg boze reactie. Al lezend werd snel duidelijk dat hij diep was geraakt –hij, de betweter, had commentaar gekregen van iemand die het nog beter wist, en dat in zijn eigen krant… Ongehoord.

Al die journalisten die zich onbehaaglijk voelen bij het weerwoord dat ze krijgen, ik kan het me goed voorstellen. Het waren fantastische jaren dat jij het als journalist zowat als enige voor het zeggen had. Jij had het eerste woord, het laatste woord en het hoogste woord. Terugkijkend waren dat gouden jaren en menigeen heeft daarom te maken met ontwenningsverschijnselen.

Zou het mogelijk zijn dat de journalistiek zijn voordeel kan doen met deze nieuwe ontwikkeling? Ik denk eerlijk gezegd van wel. Mensen die nooit worden tegengesproken, kunnen in monsters veranderen. Het is goed voor de hygiëne van het vak dat uit alle hoeken en gaten weerwoord komt. En moet je zien wat er gebeurt als slimme en kritische lezers zich met de journalistiek gaan bemoeien –daar kan het resultaat alleen maar beter van worden.

Het zijn vaak de journalisten zelf die benadrukken dat hun beroep van een ongelooflijk belang is. Niets minder dan het voortbestaan van de democratie is gediend met hun werkzaamheden. Op plekken waar de macht buiten zijn oevers treedt, staan journalisten dag en nacht klaar om verslag te doen van uitwassen en schandalen. De politiek, het leger, het openbaar bestuur en het bedrijfsleven: op al die plaatsen tref je journalisten aan die de macht controleren en zo vinger aan de pols houden. Bijna niets ontgaat aan hun scherpe blik en menige misstand is in de kiem gesmoord dankzij het optreden van wakkere reporters.

Nou ja, ik overdrijf een beetje, maar eerlijk is eerlijk –echt bescheiden over hun eigen rol zijn journalisten maar zelden.
Stel, dat dit allemaal een klein beetje waar is. En dat het soms echt iets uitmaakt voor de kwaliteit van het openbare leven dat journalisten goed hun werk doen.

Dan zou het toch een zegen moeten zijn dat ze eindelijk weerwoord krijgen. En dat we op het web getuige kunnen zijn van de vele critici die hardop zeggen wat journalisten niet goed hebben gedaan.

Misschien is dit een overgangstijd en moeten we nog een beetje wennen aan de nieuwe omgangsvormen. Maar er komt vast een moment dat iedereen begrijpt dat dit een prachtige ontwikkeling is. Noem het maar gerust, in de geest van de Chinese leider Mao Tse-tung, een Grote Sprong Voorwaarts.

Bekijk meer van

Praat mee

2 reacties

Kees Driehuis, 30 september 2013, 14:57

“Taakstraffen bij doodslag bestaan dus wel”, stond er boven de column van Folkert Jensma (NRC-22 december 2012).
Waarschijnlijk is deze column de heer Steenhuis ontgaan.
Een bekentenis van Jensma, waarmee hij terug kwam op zijn eigen woorden in de aflevering van Medialogica (24-10-2012) over de ZEMBLA uitzending “Moord, doodslag, taakstraf” (14-10-2007).
Deze “Medialogica” was wellicht geïnspireerd op een eerdere column van Jensma
(http://www.nrc.nl/rechtenbestuur/2011/03/19/weg-met-slapjanussen/), waar hij ruim anderhalf jaar later dus op terug komt.
Omdat de rechtzetting van Jensma onderbelicht is gebleven hierbij de volledige passage uit zijn column:
“Vorig jaar maakte ik me hier druk over een Zembla uitzending waarin ten onrechte werd beweerd dat de rechter bij moord, doodslag en verkrachting met grote regelmaat slechts taakstraffen en boetes oplegde. Uit wetenschappelijk onderzoek was gebleken dat dit bij moord en doodslag juist niet voorkwam en bij seksuele
misdrijven bij hoge uitzondering. En dan doorgaans op goede gronden. Slordige journalistiek dus. Dat pikte dit jaar de tv-serie Medialogica van Human op, waarin ik dat herhaalde. Nu kwam dit jaar wederom de cijferbijbel Criminaliteit en Rechtshandhaving uit, met de gegevens over 2011. Daarin staat in tabel 6.12 op
pagina 524 dat de strafrechter vorig jaar in 0,4 procent van de ‘misdrijven tegen het leven’ het wel degelijk liet bij een taakstraf. En trouwens ook in 0,1 procent van de verkrachtingen. Dat zijn lage percentages. Maar in respectievelijk 123 moord- of doodslagzaken en 25 verkrachtingszaken was de rechter dus zéér genadig, met een taakstraf. Zó ver kan Zembla er niet naast gezeten hebben. Waarvan akte”.
(de volledige column van Jensma: http://www.nrc.nl/rechtenbestuur/2012/12/22/taakstraffen-bij-doodslag-bestaan-dus-wel/).
Kees Driehuis.

J.C. Roodenburg, 3 oktober 2013, 16:32

Journalisten hebben inderdaad vaak een aversie tegen kritische opvattingen van lezers. Meestal zijn dat ook de collega’s die zich niet mee ontwikkelen met de grote elektronische mogelijkheden en veranderingen. Over tien jaar hoor je niemand meer over kritiek van lezers, luisteraars en kijkers. Dan wordt het als normaal geaccepteerd. Persoonlijk vind ik de passage van Steenhuis over Chavannes (van NRC) een heel goede. Hij is HET voorbeeld van het eigenwijze ‘salonjournalisme’.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.