— donderdag 17 juli 2008, 12:00 | 2 reacties, praat mee

We moeten terug naar ons echte vak

Soms krijg ik kromme tenen van mijn media optredens. Voor je het weet, wordt er in de studio beweerd dat je ontvoerd was in Irak, terwijl je slechts een paar uur door milities was vastgehouden. Of er wordt gesuggereerd dat je kans zag in het diepste geheim Birma binnen te glippen, terwijl je gewoon op het vliegtuig van Bangkok naar Rangoon stapte.

Niet alleen redacties, ook verslaggevers doen mee aan het opkloppen van gevaar en geheimzinnigheid bij hun werk in moeilijke gebieden. Een trip van de beveiligde Groene Zone in Bagdad naar een hotel wordt zo gefilmd dat het lijkt alsof de crew van NOVA met een levensgevaarlijke exercitie bezig is. Hun reportage over Kandahar wekt de indruk dat het een bloedstollende onderneming is. Een verslaggever van Netwerk rukt uit naar Schiphol om met beelden van een teruggekeerde journalist en een suggestieve tune het item over Birma zo speciaal mogelijk te maken. Vanuit Rangoon bericht de Volkskrant dat oppositieleidster Aung San Suu Kyi nooit bij naam wordt genoemd en dat elke stap die de verslaggever zet wordt gecontroleerd. Het komt allemaal spannend en dramatisch over, maar waarheidsgetrouw is het niet. En het is maar een kleine greep uit de talloze voorbeelden van overdrijving.

Ook met het uitvergroten van de rol van de journalist hebben veel media geen moeite. Zo is een verslaggever regelmatig de enige Nederlandse journalist ter plekke ook al staan er verhalen van zijn collega’s in de krant. Als media unembedded in Uruzgan of Bagdad aan de slag gaan, levert dat gegeven headlines of uitgebreide commentaren op, terwijl je zou denken dat het toch gewoon hun werk is. Wanneer een cycloon in Birma tienduizenden slachtoffers eist, vraagt de presentator van het Oog op Morgen eerst uitgebreid aan de journalist hoe deze een visum heeft weten te bemachtigen en pas daarna komt ter sprake wat zich in het rampgebied afspeelt. Ik wil niet beweren dat journalisten nooit over hun belevenissen mogen vertellen. Maar tegen de achtergrond van zo’n enorm drama is dit gebruik van zendtijd vrij bedroevend. Of op z’n minst is de volgorde van onderwerpen dat. Het ultieme voorbeeld waaruit blijkt dat de journalist geen boodschapper meer is die zo onopvallend mogelijk hoort te blijven maar een Held op Avontuur, geeft De Pers. Met een stoere foto van hun oorlogsverslaggever op de voorpagina kondigt het dagblad aan dat de lezer mag bepalen naar welke brandhaard hij moet afreizen.

Die Kuifje-aanpak zou verre oorlogen, dictaturen en rampen voor het publiek dichterbij brengen, luidt een veelgehoord argument. Af en toe is daar op redacties wel discussie over. Met mate en alleen als het iets toevoegt, zegt de een. Zolang het publiek zich daardoor meer kan voorstellen bij het onderwerp, zegt de ander. Het zijn echter vage criteria die zowel de voor- als tegenstanders van deze werkwijze munitie geven.

Ik geloof helemaal niet dat er zo diepzinnig wordt nagedacht over hoe de media problemen in het verre vreemde buitenland zo goed mogelijk onder de aandacht van het publiek kunnen brengen. Er zal vast wel over gebrainstormd worden, maar ik vermoed dat er vaak ook een veel banalere reden is voor de beslissing om de journalist en zijn werkomstandigheden een grote rol in het verhaal te geven. Veel reportages komen tot stand onder een enorme tijdsdruk – in een week à tien dagen uit en thuis. En als dat bliksembezoek een oorlogsgebied betreft is de bewegingsruimte van de verslaggever meestal zeer beperkt omdat de Nederlandse media, anders dan de buitenlandse, erg terughoudend zijn bij het nemen van risico’s. Tenzij de journalist het land heel goed kent is het onmogelijk om met die restricties een verhaal te leveren dat iets toevoegt aan de berichten van de nieuwsagentschappen. En zo is de druk des te groter om die leemte dan maar op te vullen met informatie over de verslaggever en zijn werk.

Veel oude rotten in het vak wijten de teloorgang van hun oude ambacht aan het veranderde karakter van de media-industrie. Informatie is een lucratieve onderneming gebleken en daardoor zijn verhalen meer dan ooit handelswaar geworden; onderdeel van een fabriek die met hoogwaardige technologie en in razend tempo 24 uur per etmaal producten uitspuugt. Aan de top van de conglomeraten staan veelal zakenlieden die niet noodzakelijkerwijs een liefde voor de journalistiek bezitten en dat drukt een stempel op het vak. Volgens een aantal van die collega-veteranen is de mediawereld inmiddels zelfs een bedrijfstak waar de wetten van de markt uiteindelijk zwaarder tellen dan de wetten van de waarheidsvinding.  In die markt hebben buitenlandreportages maar weinig prioriteit en ze moeten vooral makkelijk consumeerbaar zijn.

In zijn nieuwe boek ‘Leeftocht’ ageert Van Dis tegen die ‘five billion flies can’t be wrong: eat more shit’ gedachte. Volgens hem is het televisiepubliek aan de andere kant van het scherm niet zo achterlijk als omroepbazen in Hilversum denken. Ik eis van de programmamaker dat hij niet daalt. Ik eis van de kijkers dat zij klimmen, schrijft hij.

En klimmen willen mensen zo lang ze maar voor vol worden aangezien. Een treffend voorbeeld daarvan vind ik de reactie op ‘Het gezicht van de armoede’, een reportage over het dorp Dickson in Malawi van journalist Dick Wittenberg en fotograaf Jan Banning, die verscheen in NRC maandblad M. Er kwamen maar liefst vierhonderd brieven van lezers binnen. In mijn omgeving hoorde ik er met betrokkenheid over praten, ook door degenen van wie ik dat allerminst verwacht had. Armoede in Afrika zou een verhaal zijn dat veel media honend van tafel zouden vegen als een volledig uitgesleten en niet aan het publiek te verkopen onderwerp.

Maar schrijver en fotograaf beheersen de kunst van het vertellen. Ze besteden tijd en aandacht aan hun onderwerp. Ze hebben oog voor detail en mijden clichés en algemeenheden. En zo weten ze de inwoners een gezicht te geven en een dorp tot leven te wekken in zijn worsteling met de armoede.

Door die aanpak is het een verhaal dat niet alleen de dorpelingen, maar ook de lezers serieus neemt. Het geeft hen de gelegenheid hun dagelijkse wereld even stil te zetten en af te reizen naar die onbekende wereld in Afrika. Het is een verhaal dat hen niet verplettert of afstompt, maar dat hen beroert en tot nadenken stemt. Zoals dat de bedoeling is van goede journalistiek.

En er zijn meer voorbeelden. Zo is NRC-correspondent Bram Vermeulen een van de journalisten die met zijn verhalen uit Zimbabwe bewijst dat het ook in de snellere wereld van het nieuws mogelijk is reportages te maken die beklijven zonder dat de journalist of het gevaar opdringerig aanwezig zijn. In Birma slagen collega’s van de BBC en The Times of London er in zeer indringend te berichten. Elke sensatie ontbreekt en om hun bronnen optimaal te beschermen en hun kansen op een volgend visum niet in gevaar te brengen, blijven de journalisten volledig anoniem of gebruiken ze schuilnamen.

Wij journalisten laten ons de nieuwe rol als avontuurlijke entertainer veel te makkelijk aanpraten. Al jaren geleden zei de veteraan Ryszard Kapuscinski tegen een collega van The Guardian: ‘Journalists used to be self-reliant loners, but new technology and the demands of corporate ownership has turned them into something entirely different.’ Van een eigenzinnige individualist met een grote mate van vrijheid zijn de buitenlandcorrespondent en -verslaggever werknemers in een bedrijf geworden dat danst naar het pijpen van de (vermeende) markt.

We moeten terug naar ons echte vak. We moeten tijd eisen voor ons onderwerp en daarin investeren. We moeten ons weer bekwamen in de kunst van het vertellen. Daar ligt de uitdaging voor een journalist van deze tijd. Niet in het over onszelf vertellen.

Bekijk meer van

Praat mee

2 reacties

André Naber, 27 juli 2008, 21:30

Nijhuis heeft natuurlijk gelijk. De prijs winnende - ultra sec geschreven- reportage van Wittenberg/NRC in een Afrikaans dorp laat zien hoe het kan/moet zonder fanfare over de maker. Een begin van een oplossing kan zijn hier mee te starten in lessen voor eerstejaars in de HBO-journalistiek.

Paul Waayers, 27 november 2009, 00:15

Wat is bovenstaand mooi allemaal. In Minka’s verhaal kan ik me helemaal vinden. Ze raakt de kern van de journalistiek, een dienstbaar beroep. Journalisten zijn de transformatoren die een gebeurtenis (die van belang is voor een grote groep mensen) betrokken en volgens de oude normen (hoor/wederhoor, alleen de feiten tellen, etc) duiden voor het publiek. Niets meer (dus geen egoverhalen van de journalist) en al helemaal niets minder (emo-tv met buurtinterviewtjes waarin passanten van een gebeurtenis als ‘deskundigen’ fungeren.
Iedere journalist die zichzelf (of zijn eigen ervaringen/verhaal) belangrijker vindt, moet subiet solliciteren naar een woordvoedersfunctie of een ego-boek gaan schrijven. Journalistiek is in mijn optie ploeteren, twijfelen, verdiepen, zwetend rondbanjeren op zoek naar het nieuws en de achtergronden daarvan. En juist daarin zit de schoonheid van de journalistiek.

Journalistiek? Boeiend, maar vermoeiend. Maar wat een godvergeten prachtvak.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.