Jaarrede voorzitter Genootschap van Hoofdredacteuren Corine de Vries: pleidooi voor radicale transparantie
Het Genootschap van Hoofdredacteuren vertegenwoordigt alle Nederlandse hoofdredacties van dagbladen, tijdschriften, journalistieke websites, radio- en televisieprogramma's. Voorzitter Corine de Vries sprak eerder vandaag, bij technologiegigant ASML in Veldhoven, de jaarrede 2026 uit. De Vries blikt terug op 2025. Een jaar met opnieuw veel doden onder collega's, meerdere oorlogen en nimmer aflatende druk vanwege AI en Big Tech.
Hieronder publiceren we integraal De Vries’ jaarrede.
Collega’s,
Het was een donker jaar voor de journalistiek.
Bij PersVeilig kwamen in 2025 262 meldingen binnen van intimidatie en geweld tegen journalisten, opnieuw meer dan het jaar ervoor. Oorlogen eisen een zware tol: in Gaza en Israël kwamen meer dan vijftig journalisten om het leven, in Oekraïne vier. Het Committee to Protect Journalists telde wereldwijd 129 vermoorde journalisten in 2025, het hoogste aantal sinds het begin van de metingen in 1992. Er zaten dat jaar 336 journalisten gevangen en werden er 84 vermist.
Ook dichter bij huis voelen we de druk. De laatste Nederlandse journalist in Rusland, Geert Groot Koerkamp, werd het werken onmogelijk gemaakt. Dat raakt mij persoonlijk: als voormalig Rusland-correspondent, maar ook omdat ik in mijn rol als voorzitter van dit genootschap zelf op de sanctielijst terechtkwam.
En daar blijft het niet bij. We lopen tegen de overmacht van Big Tech aan. De manier waarop AI onze data plundert. Nepnieuws dat zich razendsnel via sociale media verspreidt. Tegelijkertijd zagen we dit jaar hoe ondoordacht of naïef gebruik van AI redacties en journalisten in de problemen bracht.
Maar vandaag wil ik het vooral hebben over vertrouwen. Of preciezer gezegd: over het groeiende gebrek daaraan.
Wie zorgvuldig bestuurt, afspraken nakomt en processen op orde heeft, hoeft weinig te verdoezelen en heeft van openbaarheid niet te vrezen.
We leven in een samenleving waarin het wantrouwen op meerdere niveaus zichtbaar is. Tussen burgers, overheid en bedrijven. Tussen instituties onderling. En ook in de manier waarop die instituties naar de journalistiek kijken.
Dat wantrouwen is niet uit het niets ontstaan. Het is gevoed door jaren van polarisatie, door de coronapandemie, door de toeslagenaffaire, en verder versterkt door sociale media, waar twijfel zich vaak sneller verspreidt dan nuance.
De omgangsvormen tussen de journalistiek en instanties zijn daardoor veranderd. Even bellen, toelichten, doorvragen – het was jarenlang vanzelfsprekend. Langzaam maakten die omgangsvormen plaats voor procedures, communicatieprotocollen en afscherming. Door een opeenstapeling van crises is er iets vastgelopen.
Dat zien we scherp terug bij de overheid. Daar lijkt soms het idee te leven dat openbaarheid zélf de oorzaak is van affaires. Dat transparantie tot schandalen leidt. En dat minder openheid dus ook minder problemen oplevert. Alsof de bonnetjesaffaire en de toeslagenaffaire niet voortkwamen uit falend bestuur, maar uit de controle daarop.
Dit is fundamenteel onjuist.
Wie zorgvuldig bestuurt, afspraken nakomt en processen op orde heeft, hoeft weinig te verdoezelen en heeft van openbaarheid niet te vrezen.
Openbaarheid tenzij. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn.
Dat brengt mij bij de Wet open overheid.
De Woo werd ingevoerd om precies deze cultuurverandering af te dwingen: informatie actief delen, in plaats van pas nadat er langdurig om is gevraagd. Maar vier jaar na de invoering zien we het tegenovergestelde gebeuren.
Onderzoeksplatform Follow the Money liet het afgelopen jaar zien hoe de uitvoering van de Woo structureel wordt vertraagd. Niet door toevallige achterstanden, maar door bestuurlijke keuzes: het uitstellen van digitale voorzieningen, het ontbreken van centrale regie en het steeds opnieuw oprekken van termijnen. Soms worden verzoekers zelfs actief ontmoedigd.
Veel journalistieke verhalen halen door alle vertraging en tegenwerking de eindstreep niet. Actieve openbaarmaking, een van de kernbeloftes van de wet, komt nauwelijks van de grond. Het bijbehorende ICT-project is groot, complex en vooral: nog altijd niet werkend.
FTM berekende overigens dat een transparante overheid helemaal niet zo duur is als vaak wordt beweerd. Integendeel: investeren in actieve openbaarmaking bespaart tijd, geld en juridische procedures. Toch blijft het hardnekkige frame bestaan dat openheid onuitvoerbaar, riskant of simpelweg te ingewikkeld zou zijn.
Intussen groeit in Den Haag de gedachte dat de wet moet worden ingeperkt. Er wordt gesproken over limieten aan het aantal verzoeken, de omvang van dossiers en het aantal uren dat een verzoek mag kosten. Zelfs documenten van lagere ambtenaren zouden buiten beschouwing moeten blijven.
Dat zijn ingrijpende beperkingen. In plaats van naar haalbare en betaalbare mogelijkheden te zoeken die openbaarmaking wel mogelijk maken en de geest van de wet recht doen, wordt liever het kind met het badwater weggegooid.
Voor de Woo is het erop of eronder.
Want met zulke beperkingen krijg je nooit meer een volledig beeld van bestuurlijke besluitvorming — terwijl juist dát essentieel is voor democratische controle.
Het kernprobleem zit bovendien niet in de wet, maar in de uitvoering. Processen zijn niet op orde. Besluitvorming is onnodig complex georganiseerd. Op sommige ministeries duurt het zetten van een benodigde handtekening bijna vier weken. Dat maakt uitvoering praktisch onmogelijk, waarna diezelfde onuitvoerbaarheid wordt gebruikt als argument om de openbaarheid verder te beperken.
In andere landen zien we dat anders. In Zweden is transparantie diep geworteld in de wetgeving en de maatschappij, en komt nauwelijks corruptie voor. Groot-Brittannië heeft een onafhankelijke autoriteit voor openbaarheid, de Information Commissioner. Iemand die knopen doorhakt. Een nationale archivaris die kan beslissen wat openbaar is en wat niet. Bij ons blijft die beslissing versnipperd, vertraagd en betwist.
Openbaarheid wordt nog te vaak gezien als bedreiging, en niet als fundament van goed bestuur.
En daarmee zijn we terug bij vertrouwen.
Want een overheid die informatie achterhoudt, vertraagt of via eigen kanalen filtert, voedt precies het wantrouwen dat zij zegt te willen bestrijden. Geslotenheid roept achterdocht op. Communicatie zonder verantwoording ondermijnt uiteindelijk het gezag dat men probeert te beschermen.
Wie minder Woo-verzoeken wil, zou ruimer moeten zijn in het geven van interviews en in het beantwoorden van vragen. Als overheid en journalistiek het informeren van burgers als een gezamenlijke opdracht zien, valt daar veel te winnen.
Een goede woordvoerder zou ervoor moeten zorgen dat burgers zo goed mogelijk geïnformeerd worden. In plaats daarvan zien we dat het aantal woordvoerders groeit, dat vragen vaker worden doorgeschoven naar Woo-verzoeken, en dat die procedure vervolgens wordt gebruikt om te vertragen, terwijl zij bedoeld was als uiterste middel.
Dat patroon zien we breder. Bedrijven, sportclubs, onderwijsinstellingen en gemeentes bouwen hun eigen communicatiemachines op. Compleet met newsrooms, contentstrategieën en soms zelfs eigen hoofdredacteuren. De overheid doet daar volop aan mee. Er wordt steeds professioneler gecommuniceerd, maar steeds minder bereidwillig verantwoording afgelegd.
Een vergelijkbaar spanningsveld zien we in de verhouding tot de politie. Uit een rondgang onder collega’s blijkt dat media vaak urenlang moeten wachten op een reactie van de politie. Communicatie verschuift steeds meer naar eigen kanalen eerst.
Juist in tijden van crisis of dreigend gevaar is het te woord staan van de media essentieel. Niet om ons een plezier te doen, maar om burgers goed te informeren, zeker nu sociale media zich razendsnel vullen met ongecontroleerde informatie.
Ook bij het toezicht zien we hoe geslotenheid en angst doorwerken. De recente opstelling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ten aanzien van journalistieke publicaties over nieuwe afslankmiddelen laat zien hoe regulering kan doorschieten. Verslaggeving over een grote maatschappelijke en medische ontwikkeling wordt aangemerkt als publieksreclame, met forse boetes tot gevolg.
Dat heeft een chilling effect, vooral ook voor magazines, waar persoonlijke verhalen een wezenlijk onderdeel van de journalistieke vertelvorm zijn. Wanneer zulke verhalen snel als ‘wervend’ worden beschouwd, ontstaat terughoudendheid die niet voortkomt uit journalistieke zorgvuldigheid, maar uit angst voor sancties.
Mijn pleidooi: radicale transparantie
En die angst leidt tot kramp. Tot het idee dat minder delen meer controle oplevert. Terwijl het tegenovergestelde waar is. Openheid vergroot de kans op discussie en stimuleert het publieke debat.
Waar de journalistiek buitenspel wordt gezet, ontstaat ruimte voor speculatie, wantrouwen en desinformatie. Geen kritische vragen betekent niet minder onrust, maar méér. Geen context betekent geen begrip. En een overheid die haar eigen verhaal vertelt zonder tegenspraak, verliest uiteindelijk geloofwaardigheid — ook bij burgers die zij zegt te willen bereiken. Zoiets zien we nu in de Verenigde Staten gebeuren.
Al deze ontwikkelingen laten hetzelfde zien. Wantrouwen leidt tot geslotenheid. Geslotenheid leidt tot meer wantrouwen. En zo ontstaat een systeem dat zichzelf versterkt.
Collega’s, als wantrouwen het probleem is, dan kan geslotenheid nooit de oplossing zijn. Dan blijft er één richting over: zo open mogelijk zijn.
En dat is mijn pleidooi: radicale transparantie.
Niet roekeloos, alsof alles altijd openbaar moet zijn, maar principieel. Openheid als uitgangspunt. Uitlegbaarheid als basis van gezag. Om zo het vertrouwen te herstellen dat de afgelopen jaren beschadigd is geraakt.
Dat geldt voor overheden en instituties, maar zeker ook voor onszelf. Ook in onze eigen sector zien we dat transparantie positieve gevolgen heeft. Redacties zijn zorgvuldiger geworden doordat zij opener zijn over fouten en correcties. Doordat ze uitleggen hoe de journalistiek werkt. Doordat ze beter communiceren met hun publiek, ook als het schuurt.
Laten we die lijn vasthouden. Niet defensief, maar vanuit vakmanschap, openheid en zelfkritiek.
En laten we tegelijk gezamenlijk pal blijven staan voor persvrijheid en journalistieke integriteit. Wanneer twijfel wordt gezaaid over onze rol, wanneer journalistiek wordt weggezet als onbetrouwbaar of gestuurd, dan vraagt dat om solidariteit, niet om stilzwijgen.
Zonder vrije, kritische journalistiek is er geen democratie.
En zonder openheid is er geen vertrouwen.
Dank u wel.


Praat mee