Afstudeerprijs Villamedia 2019

— donderdag 10 september 2009, 09:45 | 5 reacties, praat mee

Dag zonder krant is dag niet geleefd

Een dag zonder krant is een dag niet geleefd is de titel die Elsbeth Etty, in samenwerking met de organisatoren, onderstaande Jac. Van Looylezing heeft meegegeven. ‘Een lezing heeft nu eenmaal net als krantenartikelen een pakkende kop nodig. Maar evenmin als pakkende krantenkoppen, moet u deze titel letterlijk nemen. Als ik alle krantloze dagen in mijn leven zou optellen, dan heb ik een groot deel van mijn bestaan als lijk doorgebracht’.

En hoe moet ik bijvoorbeeld de gezondheid van mijn studenten beoordelen? Als je de krant beschouwt als dagelijks brood, basisvoedsel om in leven te blijven, dan geef ik college aan een stel terminale anorexia patiënten.

Behalve redacteur en columnist van NRC Handelsblad ben ik sinds vijf jaar bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de VU. Het was, toen ik daar aantrad, een schokkende ontdekking dat vrijwel geen van de studenten kranten leest. Degenen die buiten Amsterdam wonen en met de trein reizen, bladeren nog wel eens een gratis krant als Metro, Spits of De Pers door. Sommige erg christelijke studenten, dun gezaaid trouwens, ook aan de VU,lezen op mijn verzoek bij hun ouders de boekenbijlage van het Reformatorisch Dagblad en een enkeling heeft weet van het bestaan van het dagblad Trouw.

Mijn studenten kiezen vrijwillig voor het vak literaire kritiek, maar de meesten hebben als ze eraan beginnen geen benul wat dat inhoudt. Mijn oratie in 2004 had als ondertitel De literaire kritiek als journalistiek genre, waarmee ik wilde onderstrepen dat reflectie op literatuur in de vorm van boekrecensies en essayistiek zich van oudsher in dag- en weekbladen afspeelt, waarbij critici en literaire journalisten zich grosso modo aan dezelfde eisen van betrouwbaarheid en objectiviteit moeten houden als politieke verslaggevers, economieredacteuren of regiocorrespondenten.

Je staat raar te kijken, als het vak dat je wilt doceren – journalistiek dus – voor hele generaties niet meer bestaat. Het behoort tot de oude ambachten zoals klompen maken en kantklossen die je op de Zaanse Schans of in het Openlucht Museum kunt gaan bekijken.

Als ik tijdens het eerste college van het jaar vraag: naar welke Nederlandse recensenten gaat jullie voorkeur uit, valt er een diep stilzwijgen. Natuurlijk, de studenten moeten voor een van hun andere vakken wel eens informatie over een boek of een schrijver opzoeken, maar daarvoor gebruiken zij internet. Als ze iets willen weten over het nieuwste boek van Thomas Rosenboom googelen ze dat gewoon.

De kans is groot dat ze daarbij op een recensie uit NRC Handelsblad stuiten, maar denk maar niet dat ze zich dat realiseren – je mag al blij zijn als ze weten wat NRC Handelsblad is. En denk vooral niet dat ze kijken naar de naam van de recensent – die telt so wie so niet.

Vlak voor hij ruim een jaar geleden stierf had ik een langdurig interview met Kees Fens, dagbladcriticus in hart en nieren, die zich erover verbaasde dat recensenten vandaag de dag geen enkel gezag meer hebben. Vroeger, toen elke krant nog één gezichtsbepalende criticus had die helemaal zelf uitmaakte welke boeken er op welke manier besproken werden, citeerden uitgevers diens loftuitingen op achterflappen en in advertenties.

‘Harry Mulisch schreef weer eens een briljante roman – Kees Fens’ heette het dan bijvoorbeeld en dan wist je als consument dat je een verantwoorde aankoop deed. Als ik nu aan mijn studenten vraag hoe ze op nieuwe boeken worden geattendeerd, valt er weer een akelige stilte. Een enkeling merkt op: via De Wereld Draait Door.

Zodra Matthijs van Nieuwkerk een schrijver uitnodigt om zijn eigen boek te komen aan prijzen heeft dat kennelijk enige impact. Voor de vraag hoe ze aan dat boek moeten komen, hoe de auteur ervan ook al weer heette en de titel precies luidt klikken ze de website van De Wereld Draait Door aan en als ze het willen kopen bestellen ze het via Bol.com.
Voor deze generatie geldt: een dag zonder internet is een dag niet geleefd.

De vraag is of dat erg is. Of onze cultuur en zelfs de democratie naar de knoppen gaat als burgers geen kranten meer lezen. Ik kan wel hoogdravend beweren dat ik een dag zonder krant ervaar als een dag niet geleefd, maar tegelijkertijd dien ik mij terdege te realiseren ik daarmee een groot deel van de mensheid dood verklaar.

Ik – en met mij alle mensen die op wat voor manier dan ook leven van de gedrukte media – moeten zo langzamerhand beseffen dat wij de terminale patiënten zijn en dat de gedrukte producten die wij afleveren dode letters zijn. Letters die voor velen pas gaan leven als je er op kunt doorklikken naar andere letters en naar bewegend beeld en geluid.

De internetgeneratie leest nauwelijks nog dagbladen. Van de groep 20- tot 35-jarigen verdiepte in het jaar 2000 45 procent zich in een krant, tegenover 92 procent in 1975. “Het trage en ietwat ouderwetse krantenbedrijf moet een swingend en snel multimediabedrijf worden of een enkeltje nemen naar het Persmuseum – constateerde Pieter Broertjes, hoofdredacteur van De Volkskrant, drie jaar geleden al in zijn jaarrede voor het Genootschap van hoofdredacteuren

Wel, afgelopen maand heb ik zo’n enkele reis genomen. Ik kwam terecht in een piepklein badplaatsje waar alleen maar Italiaanse kranten te krijgen zijn. Voor de zekerheid had ik mijn laptop meegenomen in de hoop het nieuws te kunnen volgen in talen die ik goed beheers.

Voor het eerst van mijn leven was ik geheel op internet aangewezen voor wat ik tot mijn eerste levensbehoefte reken. . Dat viel om de donder mee : in de tijd die ik kwijt was om bijvoorbeeld de voorpagina van de NRC op te roepen en een beeld te krijgen van wat nu werkelijk en om welke reden van belang was, zou ik normaal gesproken drie kranten uit hebben.

Dus liep ik iedere ochtend een half uur heen en een half uur terug naar het enige verkooppunt van de schaarse buitenlandse kranten – een soort persmuseum dus -  en was dan als een kind zo blij als ik bijvoorbeeld een Telegraaf, een International Herald Tribune of de Frankfurter Allegemeine kon bemachtigen met het komkommernieuws van een dag eerder.

Volkomen achterhaald, maar ik kan me het leven, zelfs of juist in mijn vakantie niet voorstellen zonder een knisperend pak papier op mijn schoot waarin ik een selectie krijg aangeboden van het nieuws en de fait divers die een stel beoefenaars van het oude ambacht met zorg voor mij heeft samengesteld.

En ik stuit tussen alle rotzooi en infotainment ook altijd wel op interessante verhalen, prikkelende analyses, beschouwingen die me aan het denken zetten, berichten die me op ideeën brengen, waar ik nooit op was gestuit als ik gericht was gaan zoeken op internet.

Zo las ik, mijmerend over de vraag of ik u nu echt moest gaan wijs maken dat een dag zonder krant een dode, verspilde dag is, in The International Herald Tribune van 11 augustus een voorpagina stuk onder de kop ‘Morning gets a new routine, and its online’.

Het betrof een reportage over mensen overal ter wereld die geen kranten meer lezen en al hun informatie van internet halen. Die hebben echt niet het idee dat ze dood zijn, integendeel, ze leven – als we de metafoor even vasthouden en informatie als dagelijks brood beschouwen gulziger en intenser dan ooit. 

Ik haalde in Italië de krant voor dat ik ging ontbijten, in de International Herald Tribune las ik dat de internet-generatie voor dag en dauw on line gaat nog voordat de eerste slok koffie is genuttigd. Het verhaal ‘Morning gets a new routine’ begon als reportage over het hoogopgeleide echtpaar Karl en Dorsey Gude uit Michigan en hun twee kinderen.

Moeder Gude vertelt nostalgisch hoe idyllisch vroeger hun dag begon: ze zaten samen aan de ontbijttafel, lazen de krant en bespraken het nieuws. Om de aandacht van hun kinderen te krijgen hoefden ze alleen maar te concurreren met de televisie, die je, indien nodig, gewoon uit kon zetten.

Tegenwoordig zien hun ochtenden er totaal anders uit: Mr. Gude staat om zes uur op om zijn e-mail te checken, zijn twee zoons , Cole en Eric beginnen iedere dag met, videogames en Facebook.

Deze nieuwe routine werd al snel een bron van conflict, waarbij vooral moeder Gude klaagde dat internet het gezinsleven ruïneerde. Maar nu begint ook zij haar dag met het openen van haar laptop. ‘Dingen waarvan ik een paar jaar geleden nog dacht dat ze onacceptabel waren zijn nu normaal in mijn huis, vertelt ze,  ‘zoals het feit dat wij alle vier onze dag beginnen achter vier verschillende computers in vier verschillende kamers.”

Bij het lezen van zo’n verhaal krijg ik geen last van cultuurpessimisme of angstvisioenen over het teloorgaan van het gezinsleven . Integendeel: met terugwerkende kracht word ik met jaloers op de broertjes Cole en Eric Gude.

Als ik hun 21ste eeuwse ochtenden vergelijk met mijn naargeestige jaren vijftig ontbijtjes, vind ik dat zij beter af zijn dan ik.  Wij hadden thuis weliswaar een ochtendkrant, maar die werd gemonopoliseerd door mijn vader. Bovendien heette die krant De Telegraaf en daarmee wilde ik nog niet dood worden aangetroffen: liever een dag niet geleefd dan vergiftigd te worden door de rechtse propaganda van die krant. Zo dacht ik er toen over en ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren hoe trots en blij ik was toen ik eindelijk mijn eigen kranten kon uitkiezen en betalen.

De vraag is natuurlijk hoe betrouwbaar de informatie is die de diverse leden van de familie Gude en andere full time internetgebruikers via hun laptops tot zich nemen. Als zij na het checken van hun mails onmiddellijk doorklikken naar de Financial Times zijn ze nog altijd beter af dan ik begin jaren zestig met een verkreukelde, door andere familieleden stukgelezen Telegraaf in een formaat dat voor kinderhandjes nauwelijks te hanteren was.

Maar de Financial Times vraagt, zoals steeds meer kranten, geld voor zijn website, dus daar zal de familie Gude zijn informatie niet uithalen. Waarschijnlijker is dat de volwassenen gratis informatie aanboren op amateuristische en parasitaire sites, vergelijkbaar met het Nederlandse Nu.nl of GeenStijl, die het oude ambacht, het vakmanschap, de expertise om betrouwbare begrijpelijke en tot nadenken stemmende informatie te brengen niet beheersen en daar ook het belang niet van inzien.

Als we het hebben over de vraag of kranten een toekomst hebben, ben ik in beginsel optimistisch gestemd. Als ik niet zonder een dagelijkse portie vakkundig geselecteerde informatie kan, waarom zouden anderen dat dan wel kunnen. De behoefte aan duiding van wat er in de wereld en in je directe omgeving gebeurt blijft, dus zullen er hooggekwalificeerde journalisten, ingebed in hoogwaardige nieuwsorganisaties nodig blijven.

In welke vorm we dagelijks de krant tot ons nemen, op papier of van een beeldscherm is minder relevant dan de inhoud van het product dat ik en velen met mij als een eerste levensbehoefte beschouwen.

Of ik mijn ochtendkoffie in een wedgwood kopje geserveerd krijg of uit een plastic bekertje maakt voor de kwaliteit ervan niet zoveel uit. Een dag zonder goede koffie is een dag niet geleefd, maar een dag zonder wedgwood serviesgoed is uitstekend door te komen.

Moraal van dit verhaal: een goede krant, geserveerd op een beeldscherm in plaats van op papier betekent geenszins dat het leven ophoudt. Integendeel: het leven, althans dat van de kranten houdt op, als zij niet in staat zijn tot drastische aanpassingen die het papier wellicht uiteindelijk in de prullenbak doet belanden.

Kort nadat ik deze lezing over de toekomst van de krant had toegezegd verscheen op 23 juni 2009 het rapport van de Commissie Brinkman over Innovatie en Toekomst van de Pers. Het 77 pagina’s tellende document is getiteld De volgende editie en komt tot de terechte conclusie dat, wanneer de gedrukte media niet met hun gedigitaliseerde tijd meegaan er van een volgende editie domweg geen sprake meer zal zijn.

Typerend vond ik de reactie op het rapport-Brinkman van de Website GeenStijl, die – ondanks zijn nauwe banden met De Telegraaf - al sinds zijn ontstaan een bloedhekel heeft aan wat men laatdunkend ‘dode bomen journalistiek’ noemt. Volgens GeenStijl zijn ‘de dode bomen media’ per definitie niet levensvatbaar, omdat zij een arrogante elite vertegenwoordigen die onleesbare shit produceren. GeenStijl kapittelt het rapport van de Commissie vooral omdat daarin gezocht wordt naar manieren om internetgebruikers te laten betalen voor hoogwaardige informatie.

Een greep uit het commentaar van GeenStijl daarop: ‘Met kunstmatige maatregelen, voorstellen tot concurrentievervalsing en regelrechte afpersing van internetgebruikers oppert de commissie Brinkman om kranten te beschermen. De journalistenvakbond, en al dat andere tuig is het roerend met de uitkomsten eens. Opeens moet iedereen bloeden om het mismanagement van kranten op te vangen. Stelselmatig misbruik ook van trouwe lezers door onleesbare shit te publiceren die elke aansluiting met de lezer mist. Praktijken die zelfs nu nog gewoon doorgaan.’ (einde citaat)

Pogingen van gedrukte media om zich aan te passen aan het internet-tijdperk zijn volgens GeenStijl ten dode opgeschreven . Citaat:  ‘Internet en cóntent. Ze kunnen het niet, en zullen het nooit kunnen. En hier gaat het om. De rest is gelul van een stel oude mannen die hun krantje proberen te redden. Babyboomers die de wet zover willen ombuigen dat je straks onvrijwillig mag betalen voor nieuws van eergisteren, gekunstelde GeenStijl-kloontjes en de zoveelste nu.nl killer “met duiding en diepte”. Fuck duiding en diepte. Op het moment dat wij extra geld moeten dokken voor internet om die kudtkranten van de pers te laten rollen wordt het oorlog. Het is toch echt heel simpel: pas je aan of ga dood.’ (einde citaat)

Pas je aan of ga dood: afgezien van stijl en woordgebruik ben ik het met deze conclusie van GeenStijl volmondig eens. Waar ik me als arrogante babyboomer tegen verzet is de vaststelling dat de kranten zich niet zouden kúnnen aanpassen. De vraag is natuurlijk: waaráán moeten ze zich aanpassen?

Aan de nep-journalistiek van GeenStijl en nu.nl?

Maar dergelijke sites weigeren juist te voorzien in de vraag naar betrouwbare informatie en duiding die voor verstokte krantenlezers een eerste levensbehoefte is. Fuck duiding en diepte – de leus van GeenStijl – is dus geen optie voor kwaliteitskranten, die hetzij op papier, hetzij op internet of als combi willen overleven.

Mij lijkt eerder het omgekeerde het geval. Als je ziet hoeveel van hun zogenaamde cóntent allerlei Internet Sites – inclusief GeenStijl – aan de vermaledijde oude media ontlenen, dan vraag je je af of zij nog wel kunnen overleven als de kranten het loodje leggen. Op internet hebben zij in deze transitieperiode onbetwist een voorsprong, maar voor het leveren van inhoud zijn ze volkomen afhankelijk van de traditionele nieuwsorganisaties.

In het lezenswaardige rapport van de commissie Brinkman wordt terecht geconstateerd dat de dagbladen nog steeds de hoofdrol spelen in het netwerk van nieuwsproductie. Ik citeer: ‘Online nieuwsdiensten kopen hun nieuws in bij een van de belangrijkste nieuwsleveranciers van Nederland, het ANP. Dat kan mede bestaan vanwege de contracten die het heeft met kranten, ooit de belangrijkste aandeelhouders van dit persbureau. Aggregatiediensten grazen het web af en maken gebruik van de RSS feeds van kranten, opiniebladen, nieuwsbladen en van andere media, om een constante stroom van berichten naar gebruikers door te sturen. Ook vormen nieuwsberichten en artikelen uit kranten belangrijke grondstoffen voor online discussies van onder andere bloggers. Nieuwe spelers op de nieuwsmarkt zouden aanzienlijk slechter presteren zonder de journalistieke infrastructuur die is gestoeld op de printmedia. De wijze waarop nieuwe spelers van dit bestaande netwerk gebruik maken, levert de kranten, nieuws- en opiniebladen echter geen nieuwe inkomsten op. Dit is geen duurzaam model.’ (einde citaat)

Overigens geldt het parasiteren op de infrastructuur van de gedrukte media niet alleen voor nieuwe spelers op de nieuwsmarkt, maar – sinds jaar en dag – ook voor actualiteitenprogramma’s op radio- en tv. Voor vrijwel ieder nieuwsprogramma op radio I en voor iedere talkshow op de tv werken complete redactiestaven die de hele dag weinig anders doen dan kranten napluizen op nieuwtjes en analyses waar zij vervolgens achteraanbellen, gasten bij uitnodigen en programma’s als Standpunt.nl of talkshows mee vullen.

Probleem – en daar gaar het rapport van de Commissie Brinkman natuurlijk in wezen over, is dat de krantenmakers voor deze aanlevering van ‘cóntent’ niet betaald krijgen. Je mag blij zijn als er op radio en tv aan bronvermelding wordt gedaan, maar zelfs als dat gebeurt, is het nog niet gezegd dat luisteraars en kijkers massaal naar de kiosk rennen om de krant waaraan het nieuws is ontleend te gaan kopen.

Kortom: Anders dan GeenStijl beweert is het nog altijd zo dat de ouderwetse dagbladen het merendeel van de content leveren, aan zowel internet als aan de audiovisuele media. Het feit dat ze daar niet voor betaald krijgen, is – naast allerlei andere oorzaken – een reden dat de kranten het op dit moment wereldwijd zo moeilijk hebben. Als alle informatie die hoogopgeleide en naar verhouding duur betaalde journalisten vergaren gratis beschikbaar is, hetzij via internet, radio en tv, hetzij via gratis kranten als Metro, Spits en De Pers wie abonneert zich dan nog op een dure kwaliteitskrant?

Een, andere gerelateerde vraag, die door GeenStijl cum suis al bij voorbaat ontkennend wordt beantwoord luidt:  is er nog wel behoefte aan de expertise van dure specialisten nu je via google alle achtergrondinformatie, duiding en diepgang kunt vinden die je je kunt wensen? 

Onlangs voerde ik hierover een discussie in een mediaprogramma van BNR-Nieuwsradio met de jazz-criticus van De Volkskrant Koen Schouten en chef cultuur van gratis krant De Pers, Dirk Koppes Koppes. Het was een paar dagen na het overlijden van Michael Zeeman, literatuurcriticus van De Volkskrant. Koppes van De Pers, noemde het een voordeel dat zijn krant door een kleine redactie van ongeveer 25 mensen wordt gemaakt, zonder specialisten á la Michael Zeeman en dat hij als chef-kunst vrijwel alles zelf doet, want zo ontdekt hij bij het afgrazen van internet voor het samenstellen van een bericht, tenminste af en toe iets waarvan hij tevoren niets af wist. Als hij zijn werk moest delegeren aan specialisten, zou hij er veel minder genoegen aan beleven.

Ja, ja dacht ik: dat zeg je omdat het om – in jouw ogen - zoiets futiels als informatie-voorziening gaat, maar als je een ernstige ziekte hebt, neem je vast geen genoegen met een arts die van toeten noch blazen weet en die je niet wil doorverwijzen naar een specialist omdat hij het zo leuk vindt al kwakzalvend iets te ontdekken waar hij van te voren niets van wist.

Ik snap wel hoe ze werken bij een gratis krant als De Pers, en ik zie ook de lol die de makers eraan beleven er wel van in, omdat ik zelf jarenlang als redacteur van het noodlijdende communistische dagblad De Waarheid zo heb gewerkt.  Die kant maakten we ook met zo’n 25 journalisten.

Het meeste nieuws haalden van het ANP en internationale persbureaus, waar we dan zelf achteraan belden en achtergronden bij verzamelden. Maar we excelleerden alleen op die gebieden waar we wel degelijk specialisten voor hadden: binnenlandse politiek, sociaal-economische berichtgeving en – omdat er veel ex-studenten Nederlands zoals ik werkten - literatuur.

Dat nam niet weg dat als de sport-redacteur uitviel, ik heel wel in staat was een goed leesbare en informatieve necrologie bij elkaar te tikken (lees: te jatten) over een dode voetballer. En ik ben jarenlang buitenlandredacteur geweest, waarbij ik mij op een aantal terreinen al doende tot specialist ontwikkelde.

Niettemin, heb ik weinig fiducie in de werkwijze die door de chef-kunst van De Pers als ideaal wordt gekenschetst. De necrologie van een overleden voetballer of schrijver overtikken van Wikipedia kunnen we allemaal en als Doris Lessing de Nobelprijs voor Literatuur wint, dan is het ook een koud kunstje om van internet te pikken wat The Times of The Guardian erover hebben . Je kunt natuurlijk ook volstaan met een eenregelig berichtje en dan doorverwijzen naar de relevante internetsites. De vraag is alleen of je je met deze in wezen ongeschoolde arbeid die iedereen kan verrichten, onmisbaar maakt voor je publiek.

Als ik op de radio hoor dat Doris Lessing de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen en ik heb nog nooit van mijn leven van die vrouw en haar romans gehoord, dan kan ik zelf ook haar naam op Google intikken en alles lezen wat de Britse kwaliteitspers over haar te melden heeft. Op voorwaarde natuurlijk dat die Britse kwaliteitspers nog bestaat.

Maar liever krijg ik, in mijn eigen taal een verhaal voorgeschoteld van een specialist die haar romans door en door kent en die mij kan vertellen wat de betekenis is van haar oeuvre en welke boeken daarvan ik om welke redenen beslist moet lezen. En voor die informatie wil ik nog altijd graag betalen.

Toen ik tijdens dat radiodebatje opmerkte dat de hoofdredacteur van De Volkskrant, Pieter Broertjes bij de dood van Michael Zeeman had verklaard dat door diens bijdragen de Volkskrant zich een kwaliteitskrant kon noemen, knikte de jazzrecensent van diezelfde Volkskrant instemmend. Daarmee viel hij tegelijk het amateurisme van gratis krant De Pers aan: ‘Inderdaad zei hij: als je je wilt onderscheiden van andere media dan heb je zulke gekken als Zeeman nodig.’

Met ‘gekken’ bedoelde hij niet psychisch gestoorden, maar vakidioten die kunnen putten uit een hoeveelheid specifieke kennis en ervaring, eruditie, stilistische en journalistieke kwaliteiten die je niet in een handomdraai bij elkaar kunt googelen.. Het probleem is alleen dat zulke ‘gekken’ letterlijk uitsterven en– althans in het huidige tijdsgewricht - niet één twee drie worden vervangen . Bij De Volkskrant is Kees Fens nooit opgevolgd en het ziet er ook niet naar uit dat er druk wordt gezocht naar een equivalent van Zeeman.

Eerder is er sprake van een omgekeerde tendens: al voor hij stierf was er in de Volkskrant eigenlijk al geen ruimte meer voor de diepgang en duiding waaraan de literaire essayistiek waar iemand als Zeeman voor was vrijgemaakt moest voldoen De boekenbijlage Cicero werd in april jl. opgeheven om op te gaan in een algemeen kunst- of liever gezegd infotainment en life style katern, waarmee een nationale en internationale trend werd gevolgd.

In Nederland zijn er, behalve NRC Handelsblad nu geen landelijke dagbladen meer met een aparte boekenbijlage en de afgelopen jaren kwamen er wekelijks berichten over het opheffen van het zoveelste boekenkatern van gerenommeerde Amerikaanse, Franse en Britse dagbladen. Continu met het argument dat ze te weinig lezers trekken, geen advertenties genereren en meer geld kosten dan ze opleveren. In het vocabulaire van GeenStijl: omdat ze onleesbare shit publiceren die elke aansluiting met de lezer mist.

Het resultaat is een steeds verdergaande verschraling, waar je gemakkelijk je schouders over kunt ophalen als je niet in literatuur bent geïnteresseerd, maar waar je allicht anders over gaat denken als je het op de informatievoorziening in het algemeen betrekt. Ook op andere terreinen dan kunst en literatuur – zowel op het gebied van de politieke berichtgeving als dat van economie en het recht treedt die verschraling op.

Omdat op alle terreinen specialisten te duur zijn en zichzelf in de huidige conjunctuur niet terugverdienen, worden ze bij bosjes weg gesaneerd met het argument dat het gewone volk er geen boodschap aan heeft. Alleen een aftandse elite zou nog behoefte hebben aan kwaliteit.

Maar daar geloof ik dus helemaal niets van en nu steekt mijn cultuuroptimisme ontembaar de kop op. Volgens mij is het ‘gewone’ volk aanzienlijk veeleisender geworden dan in een halve eeuw geleden toen hele volksstammen nog genoegen namen met informatie uit één (verzuilde) krant.

Laat ik de vergelijking met medisch specialisten nog eens oppakken: wie een ernstige ziekte heeft laat zich niet meer in de luren leggen door één kwakzalvende huisarts, die zoekt op internet naar de beste specialisten, sluit zich aan bij een patiëntenvereniging om online ervaringen uit te wisselen en voorziet zichzelf van adequate medicatie. Second opinions, Gespecialiseerde kennis en second opinions zijn allang niet meer aan elites voorbehouden.

Wie er de noodzaak van inziet, voorziet zich van de hoogst gekwalificeerde hulp. En zo zal het, denk ik – hoop ik – ook uitpakken met de nieuwsmedia. De beste zullen – in welke vorm dan ook – overleven, domweg omdat informatie over de wereld waarin je leeft een elementaire levensbehoefte is voor elk ontwikkeld en verantwoordelijk mens.

Niettemin ziet de nabije toekomst er voor de kwaliteitsmedia somber uit. Als GeenStijl in reactie op het Rapport Brinkman tegen de kranten zegt: Pas je aan of ga dood, bedoelen ze: word net zo amateuristisch en oppervlakkig als wij, want anders leg je het loodje. Mijn vrees is dat veel kranten, onder druk van de huidige malaise, inderdaad aan die oproep gehoor geven, niet beseffend dat ze ten dode zijn opgeschreven als zij zich niet kwalitatief onderscheiden van de gratis informatie die overal verkrijgbaar is.

In De Telegraaf van zaterdag 15 augustus jl. zegt bestuursvoorzitter Ad Swartjes van Telegraaf Media Groep dat de financiële problemen waarin zijn kranten verkeren kunnen worden opgelost door geld te gaan vragen voor het bezoek aan hun websites. “Het moet mogelijk zijn”, zegt hij, “om op de één of andere manier mensen te laten betalen , want onze producten voegen iets toe.”

En om dat laatste draait het inderdaad. De vraag is alleen of kranten nog iets kunnen toevoegen als zij tegelijkertijd hun vakmensen er bij bosjes uitsmijten. In hetzelfde bericht waarin de Telegraaf-topman zint op mogelijkheden om zijn voor zijn websites te laten betalen zegt hij flink te willen gaan bezuinigen op de personeelskosten. Ik citeer Swartjes : ‘Het TMG-personeel moet vrezen voor een versobering van de arbeidsvoorwaarden. Een plan om de CAO-verhoging van 3 procent niet door te laten gaan, sneuvelde door verzet van de vakbonden. (…)De TMG-directie richt zijn pijlen nu op de dertiende maand van het personeel.’ (einde citaat)

Maar hoe ver kun je gaan in het bezuinigen op hooggekwalificeerd personeel? Een volgende stap, die pas echt kostenbesparend werkt, is fors saneren: de duurste werknemers eruit gooien, redacties tot een minimum inkrimpen en dan net zo gaan werken als ze bij De Pers doen: geen of weinig arbeidsintensief eigen nieuws vergaren, geen diepgravende analyses brengen kortom minder content leveren en dus ook niks extra’s te bieden hebben op je websites waar dan ook geen hond voor zal willen betalen.
Met een uitgedunde, slecht gekwalificeerde redactie kun je een krant maken als De Pers of het onlangs gesneuvelde Dag – die mensen tussen Amsterdam en Schiphol vluchtig doorbladeren, maar waar ze terecht geen cent voor over hebben.

Nu stond De Telegraaf toch al nooit bekend om zijn analyses en diepgang, maar wel om zijn uitstekende arbeidsvoorwaarden. Als zelfs bij die krant de beuk er in gaat, valt het ergste te vrezen voor de rest van de dagbladpers.

Die is zoals u weet onlangs in handen gekomen van de Belgische eigenaar van De Persgroep onder leiding van de Belg Christian Van Thillo en met angst en beven wordt nu afgewacht hoe die de boel gaat saneren. In België heeft hij al verscheidene kranten, zoals De Morgen, onder handen genomen en de resultaten stemmen niet vrolijk. Verwacht wordt dat er hier in Nederland titels gaan sneuvelen. Wat gaat er met het Algemeen Dagblad gebeuren, zal Trouw zich handhaven en wat blijft er van De Volkskrant over als iedereen die meer in huis heeft dan een amateurblogger wordt wegbezuinigd

Hoe het met NRC Handelsblad verder gaat, moeten we maar afwachten. In hetzelfde Telegraafbericht waaruit ik zojuist citeerde begrijp ik dat TMG , de Telegraaf Media Groep NRC Handelsblad .wil kopen. ‘We hebben onze interesse kenbaar gemaakt’, aldus bestuursvoorzitter Swartjes. ‘We geloven in dagbladen en vinden de NRC een mooi afgerond product. Ook omdat de distributie en druk moet worden mee verkocht.’

Toen in 1967 de Telegraaf en de DagbladUnie (uitgever van het Algemeen Handelsblad en de NRC) wilden gaan samenwerken was dat voor zichzelf respecterende Handelsbladjournalisten als Jan Blokker en Han Gruyters onoverkomelijk. Blokker nam zelfs ontslag en stapte over naar de katholieke Volkskrant, waar de anti-papistische columnist het nog tot adjunct hoofdredacteur bracht.

De samenwerking met de Telegraaf was zoals bekend geen lang leven beschoren en als je het mij vraagt heeft Blokker altijd spijt gehad van zijn premature overstap. Inmiddels is hij weer terug op het oude honk als columnist van NRC Next en gewaardeerd medewerker van de Boekenbijlage van NRC Handelsblad. Zijn zoon Bas Blokker is sinds een paar jaar adjunct-hoofdredacteur van de NRC. Het lijkt mij sterk dat Jan Blokker, als de verkoop van de krant aan de Telegraaf doorgaat ten tweeden male opstapt.

Het verschil met 1967 en nu is dat de dagbladen sinds de ontzuiling en de algemene ont-ideologisering, op wereldbeschouwelijk gebied nauwelijks meer van elkaar verschillen. Er is geen krant meer die een eenduidige ideologische of politieke boodschap uitdraagt. Behalve De Waarheid was er in de tijd dat ik begin jaren zeventig journalist werd geen geen enkele partij-krant meer. De Volkskrant had zijn ondertitel ‘katholiek dagblad voor Nederland’. (tot eind 1952 geleid door KVP-leider Romme) in de jaren zestig geschrapt . Het antirevolutionaire Trouw liep voorop in het steunen van de revoluties in Latijns Amerika , het eertijds machtige Vrije Volk, spreekbuis van de Partij van de Arbeid ging op de fles. De kwijnende NRC, bolwerk van de Rotterdamse havenbaronnen was in 1970 gefuseerd met het noodlijdende Algemeen Handelsblad, voorheen gelieerd aan de VVD maar daarvan losgeweekt door links-liberale journalisten als Hans van Mierlo die de krant gebruikten als podium voor de lancering van D66.

Dat er in die periode dagbladen sneuvelden of fuseerden gaf reden tot zorg voor de pluriformiteit van de pers, maar al snel werd duidelijk dat die zorg ongegrond was omdat de pluriformiteit gerealiseerd kon worden binnen de krantenredacties zelf. Het feit dat een links-liberaal als Jan Blokker adjunct hoofdredacteur kon worden de Volkskrant en dat een ex-adjunct hoofdredacteur van De Waarheid zoals ik zonder problemen in dienst kon komen van NRC Handelsblad toont dat aan. Van moderne journalisten werd niet meer verwacht dat zij partijprogramma’s uitdroegen maar vakkundige en onafhankelijke berichtgeving verzorgden, niet meer voor een specifieke doelgroep maar voor een algemeen ontwikkeld en geïnteresseerd publiek. 

Als ik nu, anno 2009,  in het rapport van de Commissie Brinkman lees dat “de Dagbladen minder aansluiting bij het publiek vinden dan vroeger” , dat ‘de relatie tussen de bestaande journalistiek en de samenleving verzwakt’ dat ‘De binding tussen burgers en kranten is minder vanzelfsprekend is’ en dat . “de bestaande journalistiek daar nog geen sluitend antwoord op heeft gevonden – dan denk ik: dit beschrijft de situatie van veertig jaar geleden en die heeft niets met internet te maken, maar alles met de ontzuiling, de ontideologisering en de individualisering.

Het antwoord dat de journalistiek erop heeft gevonden heet: professionalisering. Toen ik zojuist zei dat De Waarheid, een krant die voor eigen parochie preekte, zich onderscheidde van andere kranten op het gebied van binnenlandse politiek en sociaal-economische berichtgeving, bedoelde ik dat die krant specialisten in dienst had die de belangen van de progressieve arbeiders dienden. Daarin onderscheidde De Waarheid zich van alle andere Nederlandse dagbladen.

Ik herinner me de voorzitter van de Industriebond van de FNV Arie Groenevelt met zijn klaagzangen over communistische arbeiders die volgens hem hun gezag in de bedrijven ontleenden aan ‘briefjes van Felix’ waarmee ze hem op vergaderingen om de oren sloegen.

Die ‘briefjes van Felix’, waren niets anders dan exemplaren van De Waarheid, die volgeschreven en gedrukt werd in het toenmalige CPN-bolwerk Felix Meritis.

Tegenwoordig verwachten wij van onze dagbladen niet meer dat ze ons vertellen hoe wij tijdens vakbondsvergaderingen moeten optreden, hoe we moeten stemmen, wat we moeten denken van nieuwe politieke stromingen of van extravagante cultuuruitingen. Dat maken we zelf wel uit – we willen vooral zo goed en volledig mogelijk worden geïnformeerd.

We willen geen ‘briefjes’ meer van Felix, maar ook geen richtlijnen van het Vaticaan zoals de Volkskrant die vroeger doorgaf, geen partijpropaganda, maar wel de expertise die nodig is om ons te helpen ons oordeel te vormen over alles wat er om ons heen gebeurt.

Mijn conservatieve vader las De Telegraaf om in zijn conservatieve meningen te worden bevestigd, ik De Waarheid de voorzien te worden van tegenargumenten. Als het goed is worden in een modern dagblad alle kanten van het biljard geraakt. Maar hoe onderscheiden dagbladen zich dan nog van elkaar, hoe concurreren ze, hoe zorgen ze er – om met Telegraaf topman Swartjes te spreken, dat ze iets toevoegen?

Door datgene te doen waar ze goed in zijn.

Regionale kranten moeten zich onderscheiden door als geen ander het stads- en regionieuws te verzorgen: dat besef heeft een krant als Het Parool het vooralsnog gered. Door zijn landelijke pretenties op te geven en zich volledig te richten op Amsterdam heeft die krant zich weer onmisbaar gemaakt voor Amsterdammers. Voor het landelijke en buitenlandse nieuws las ik Het Parool allang niet meer: buitenlandse berichtgeving werd betrokken van persbureaus, men had geen eigen correspondenten, zelfs geen eigen parlementaire redactie in Den Haag, de cultuur werd verzorgd door derderangs recensenten die toneel of literatuur ‘erbij’ deden.

Om mij op al die terreinen te oriënteren had ik meer aan een landelijke kwaliteitskrant, maar voor het reilen en zeilen van de Amserdamse politiek, de veiligheid in de buurt, de misdaadbestrijding, de gezondheidszorg, de toestand op de Wallen, het cultuuraanbod, de places to be, de Noord-Zuidlijnellende, de verbouwing van het Stedelijk Museum en het Rijks, het terrassenbeleid, , of de aanpak van overlast veroorzakende Marokkaanse jongeren, dan lees ik het Parool.

Dat is ook de krant die in mijn buurtcafé in de Jordaan iedere middag besproken wordt door de vaste klanten. Als ik die krant een dag mis, kan ik volmondig zeggen dat ik die dag als Amsterdammer niet heb bestaan.

Maar, zult u zeggen, die informatie kan je, op een terras aan de Middellandse Zee toch ook op je laptop vinden? Misschien wel, maar ik heb geen zin om daar moeite voor te doen, vooralsnog verlang ik naar een zorgvuldige aantrekkelijk gepresenteerde selectie van het nieuws, voorzien van goed geschreven achtergronden, analyses commentaren en recensies en doorspekt met allerhande faits divers die ik nooit zou vinden via een willekeurige zoekactie op internet.

Zodra Het Parool alles wat die krant op papier te bieden heeft, op het web zou presenteren , zou ik hem bookmarken en ook tijdens mijn vakanties iedere dag lezen. Uiteraard zou ik dan wel mijn dure papierenabonnement (waarbij ik ook nog eens betaal voor de kostbare bezorging) opzeggen. En daarin schuilt nu precies het probleem waarover de Commissie Brinkman zich heeft gebogen. Kranten eten zichzelf op als zij hun producten gratis aanbieden op internet en dus moet er een manier worden gevonden om de gebruikers ervan te laten betalen.

Laten we ons proberen voor te stellen dat er zo’n nieuw betaalmodel wordt bedacht, dat de papierenkrant zoals we die nu kennen verdwijnt en dat we ons kunnen abonneren op internetkranten die precies hetzelfde te bieden hebben als de huidige papieren krant, met alle extra’s van doorklikken naar blogs etcetera. -Voor welke kranten uit het huidige aanbod kies je dan?

Ik zou – vermoed ik – kiezen voor één goede stadskrant – zoals Het Parool - en voor de beste, meest complete landelijke krant. Precies zoals ik nu selecteer.

Blijft de vraag wat een goede krant is. Uiteraard is dat in hoge mate afhankelijk van de smaak, interesses en het ontwikkelingsniveau van de lezers.

Een goede krant moet betrouwbaar en dus onafhankelijk zijn van de overheid, de politiek, de commercie en allerhande belangengroepen. Websites als GeenStijl Nu.nl of gratis krantjes als Metro, Spits of de De Pers sturen niet zelf verslaggevers naar gemeenteraden of parlement, laat staan dat reporters en cameramensen in Iran of Afghanistan detacheren of dat ze – om op mijn eigen gebied te blijven – onafhankelijke critici kunnen vrij maken om dikke boeken, films, toneelvoorstellingen en concerten te boordelen.
Een goede krant heeft dus niet alleen een hoogwaardige redactie nodig die uit het enorme aanbod van nieuws de beste keuzes kan maken, ze moet vooral het geld en de menskracht hebben om zelf op pad te gaan, netwerken op te bouwen, onderzoek te doen om de macht te kunnen controleren.

In Nederland zijn er – nadat er de afgelopen decennia talrijke titels zijn verdwenen nog een paar van zulke kranten over, die ik beroepshalve iedere dag allemaal lees: De Volkskrant, Trouw, De Telegraaf, NRC Handelsblad en Het Parool. Het Algemeen Dagblad dat in mijn ogen niets toevoegt, zeker als je geen sportfanaat bent – heb ik er al jaren geleden uitgegooid en ik zou er eerlijk gezegd geen traan om laten als die krant wordt opgedoekt. Het Financieele Dagblad is een hele goede krant, maar voor mij te kostbaar om ‘erbij’ te hebben – financieel nieuws interesseert me te weinig om er een speciale krant voor te nemen. Als het FD iets heeft dat ik moet weten hoop ik dat andere kranten ernaar verwijzen of ik pluk het van internet. Hetzelfde geldt trouwens voor Het Reformatorisch Dagblad en Het Nederlands Dagblad – ouderwetse kranten die voor eigen parochie preken.

Nederland kan volgens mij heel goed volstaan met één landelijke populaire krant zoals De Telegraaf en één of twee landelijke kwaliteitskranten voor de hoger opgeleiden, die vermaledijde elite volgens GeenStijl en Geert Wilders.

De Telegraaf onderscheidt zich van andere landelijke dagbladen, niet alleen doordat ze door haar populistische insteek in staat is te laten zien wat er onder het volk leeft (deels door dat volk vakkundig naar de mond te praten), maar ook haar specifieke expertise. Ik noem de financiële berichtgeving, haar contacten in de wereld van de populaire cultuur (de liefdesperikelen van Volendamse volkszangers of de borstkanker van een soapsterretje) maar bijvoorbeeld ook de misdaadverslaggeving .

Peter R. de Vries en John van den Heuvel zijn er groot geworden, al ontlenen die hun bekendheid tegenwoordig vooral aan de televisie. De Telegraaf behoudt haar bestaansrecht, haar lezerspubliek, vermoed ik, als die expertise gekoesterd wordt en als men bereid blijft daar in te investeren.

Wanneer topman Swartjes van De Telegraaf   nu aankondigt zijn krant te willen redden met bezuinigingen op personeelskosten mogen we aannemen dat de dure experts sneuvelen en worden ingeruild voor inwisselbare freelancers die misschien nog net in staat zijn achter de politieberichten aan te bellen, maar niet over de netwerken en contacten beschikken die nodig zijn om je te onderscheiden van gratis kranten als De Pers of van gespecialiseerde internetblogs.

Mijn stelling – ik kom daar straks nog op terug – is dat de krant alleen toekomst heeft als zij verder professionaliseert in plaats van af te dalen naar het niveau van GeenStijl.

Blijven over De Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad – ik heb er geen enkele fiducie in dat die drie titels – folkloristische overblijfselen van de verzuiling - in de toekomst naast elkaar kunnen blijven voortbestaan. En wie, zoals ik die kranten dagelijks doorneemt, moet constateren dat het geen ramp hoeft te zijn als er op den duur een van deze drie landelijke kwaliteitskranten verdwijnt.

Neem de Volkskrant. Sinds die Jan Blokker, Kees Fens, Martin Bril en Michael Zeeman moet missen en het boekenkatern is opgeheven, heb ik die krant steeds sneller uit. Trouw lees ik eigenlijk alleen nog voor een paar columnisten die goed zijn ingevoerd in de CDA-kunde , wegens hun religieuze en filosofische pagina’s en de onovertroffen overlijdensadvertenties. Maar daar houd je op den duur geen abonnees mee vast. Als ik Van Thillo was zou ik de Volkskrant en Trouw samenvoegen – ik weet niet onder welke naam want VolksTrouw of TrouwVolk is natuurlijk onverkoopbaar - en investeren in journalistieke kwaliteit om beter te worden dan NRC-Handelsblad.

Mogelijk ben ik bevooroordeeld omdat ik er zelf werk , maar ik beschouw NRC Handelsblad als de beste van Nederland. Hoewel de naam ervan nog idioter is dan VolksTrouw of TrouwVolk – zou Van Thillo er een voorbeeld aan kunnen nemen: NRC Handelsblad, in 1970 ontstaan uit een fusie van twee noodlijdende dagbladen heeft laten zien dat het samenvoegen van titels geen verschraling hoeft te betekenen maar integendeel tot een aanzienlijke kwaliteitsverbetering kan leiden.

Of NRC Handelsblad onder zijn huidige naam kan voortbestaan weet ik niet. Mijn studenten hebben het – als ze de krant al kennen – stelselmatig over Het NRC, dat wil zeggen: Het Nieuwe Rotterdamse Courant. Ze weten duidelijk niet meer waar die afkorting voor staat.. Misschien doet het er ook niet toe: Dat een telegraaf een antiek toestel is om met tekens berichten over te brengen, weet de internetgeneratie ook niet meer en toch denk ik niet dat de de krant van wakker Nederland zijn welluidende naam snel zal inruilen voor een modernere.

Goed, de vraag is dus welke titels er op de krimpende markt overblijven en de kans krijgen zich op internet te gaan bewijzen.  Gek genoeg wordt mij bij tal van gelegenheden gevraagd: wie sneuvelt er het eerst? De Volkskrant of NRC Handelsblad, waarop ik dan steevast antwoord: bij voorkeur geen van beide.

Maar misschien zie ik iets over het hoofd.

In zijn column in De Groene Amsterdammer van 7 augustus deed Theodor Holman verslag van een gesprek met een paar rijke heren die volgens hem goed zijn ingevoerd in de mediaproblematiek. Helaas vermeldde hij niet wie zijn zegslieden waren (slechte, onbetrouwbare journalistiek!) , wel dat zij NRC Handelsblad de beste krant van Nederland vinden en dat die krant meer hun levenssfeer vertolkt dan de Volkskrant. Maar juist zij voorzagen dat NRC Handelsblad eerder (en zelfs binnenkort) over de kop gaat dan De Volkskrant, die vervolgens weer zou groeien omdat de abonnees van de NRC daarheen zouden vertrekken.

Mij lijkt het een ramp als er naast De Telegraaf maar één landelijke kwaliteitskrant zou overblijven, omdat dan iedere concurrentie wegvalt en vanzelf de kwaliteit achteruit keldert. Als redacteur van de redactie Boeken van NRC Handelsblad ervaar ik het wegvallen van Cicero, het boekenkatern van de Volkskrant al als een gemis. Voorheen kon je nog wel eens constateren dat zij een intelligentere, smakelijker of originelere selectie hadden gemaakt uit het boekenaanbod, of dat hun recensenten interessantere recensies leverden dan die van ons – reden om ons eigen werk onder de loep te nemen en onze medewerkers kritisch tegen het licht te houden.

Concurrentie, daar ben ik heilig van overtuigd, blijft nodig en zal nog belangrijker worden als de papierenkrant met zijn dure papier- druk- en distributiekosten een door elites gekoesterd en betaald bijproduct wordt van de on line krant

Een internetkrant zoals ik die voor me zie en waarvoor abonnees bereid zijn te betalen heeft in mijn ogen dezelfde functie als de papierenkrant. Voor de democratie is het wezenlijk dat er onafhankelijk platforms blijven die met eigen onderzoek en verslaggeving de macht controleren, een breed lezerspubliek verbinden en zo het maatschappelijk debat gaande houden en entameren.
Zo’n collectief platform kunnen afzonderlijke nieuwssites of blogs nooit of te nimmer bieden.

De kracht van de krant is nou juist de scherpzinnige relevante selectie van nieuws, commentaren, achtergronden , die niet door één of twee of tien of 25 bloggers of gratis-krant-redacteuren worden gemaakt ,maar door een journalistiek hooggekwalificeerde redactie die op haar beurt in staat is de beste bloggers in binnen- en buitenland aan te trekken en aan te sturen.

Mijn ideaal van een dagblad is dat het een onafhankelijk podium is waarop een breed publiek kennis neemt van hoogwaardige, betrouwbare informatie. Het selecteren en presenteren van die informatie is een vak – journalistiek genaamd – en het maakt niet veel uit of dat van papier of van een beeldscherm tot ons komt.  Het met elkaar verbinden van een breed publiek is een kernfunctie van het klassieke dagblad. Zoals Ben Knapen, oud hoofdredacteur van NRC Handelsblad en thans mediaprofessor in Nijmegen het onlangs formuleerde: Die functie is wezenlijk. Dingen die in een krant staan of in een actualiteitenprogramma aan de orde komen, maken alleen al daarom deel uit van het publieke discours. Het bereikt voldoende mensen om het er verder, indien nodig en gewenst, met elkaar over te kunnen hebben. Het verbindt burgers met een maatschappelijke agenda, maakt hen deelgenoot van beïnvloeding, van tegengestelde opvattingen en van compromissen en dat zijn essentiële bestanddelen van een democratie.
Aan deze kernfunctie om een breder publiek rondom maatschappelijke agenda’s te verzamelen voldoen de klassieke media in Nederland nog altijd. Honderdduizenden Nederlanders zijn bereid ervoor te betalen via een abonnement of kijken naar nieuws en achtergrond van de publieke omroep.”

Maar , zo voegde Knapen daar aan toe, het is ook duidelijk dat deze functie op de tocht staat. Als voorbeeld noemde hij The New York Times waarmee het niet goed gaat. “De Times zal wel niet verdwijnen maar hij wankelt”, aldus Knapen. En dat betekent nogal wat:
Dat betekent nogal wat, want wie stuurt er dan nog verslaggevers naar Irak om een onafhankelijker beeld aan te bieden? Wie zoekt er dan nog uit hoe de geldstromen in de gezondheidszorg eigenlijk lopen? Enzovoorts, enzovoorts. In het geding is de laatste, algemene, landelijke kwaliteitskrant. In het geding is ook een wezenlijke leverancier van de grondstoffen van debat: feiten, inzichten, argumenten.”

Onlangs werd ik door HP/De Tijd evenals een aantal collega’s van mij geïnterviewd over de toekomst van NRC Handelsblad. Onafhankelijk van elkaar verklaarden we allemaal hetzelfde: we zullen alleen overleven als we kwalitatief de beste blijven. De interviewers wierpen mij tegen: maar dat redden jullie nooit, alleen de elite leest een krant als NRC Handelsblad. Mijn antwoord, wat niet is opgenomen in HP/De Tijd luidde: het alternatief is dat we pulp gaan produceren zoals HP/De Tijd , maar pulp is er al in overvloed, ga maar kijken op de schappen van de kiosken en de supermarkten. Voor het plebs worden er genoeg blaadjes volgeschreven, mensen die goed geïnformeerd willen worden – en om die reden tot de elite behoren – hebben veel minder keuze. Op die markt moeten wij dus juist excelleren. 

Goede, betrouwbare, inspirerende en met smaak en stijl gebrachte informatie zoals die door kwaliteitskranten dagelijks geleverd wordt, beschouw ik als een kunstwerk, een Gesammt Kunstwerk, te vergelijken met de Middeleeuwse kathedralen waaraan ambachtslieden en kunstenaars uit diverse disciplines hun bijdragen leveren.

De HP/De Tijd-interviewers reageerden nogal badinerend op mijn bevlogen verhaal. Over het paard getild, verwaand, elitair vonden ze mijn opvatting van zoiets aards als ‘een krantje maken’. Maar ik meende het: op een krant als NRC Handelsblad zijn toptalenten samengebracht, die ieder vanuit hun eigen expertise dagelijks bijdragen aan de broodnodige betrouwbare informatievoorziening.

Ik ben ervan overtuigd dat mensen te allen tijden bereid zijn om voor betrouwbare informatie te betalen – zoals ze bereid zijn te betalen voor adequate, betrouwbare medische hulp. In welke vorm die informatie in de toekomst ook tot ons komt – ik ben er zeker van dat de betrouwbaarste, dat wil zeggen de hoogst gekwalificeerde journalistiek uiteindelijk zal overleven.

Wie zich niet goed wil laten informeren op terreinen die ons allemaal aangaan, moet dat natuurlijk helemaal zelf weten. Hij zal er misschien niet dood aan gaan, maar moet wel beseffen dat hij niet leeft maar zich láát leven door alle pulp en kwakzalverij die gratis en voor niks verkrijgbaar is, maar waar je – als het er echt op aankomt – helemaal niets aan hebt.

Elsbeth Etty sprak deze Jac. Van Looylezing op 6 sept 2009 uit in Soest.

Bekijk meer van

Praat mee

5 reacties

denhaag24@gmail.com, 10 september 2009, 14:53

Grappig dat de behoefte aan goede journalistiek gelijk wordt gesteld aan de behoefte aan goede medische verzorging. De behoefte aan duiding is al lang vervlakt tot het niveau Metro-plus, terwijl de behoefte aan een goede hartchirurg alleen maar toeneemt.

Jan, 11 september 2009, 18:48

Wat een grote lap tekst. Wat heeft het voor zin om dit integraal af te drukken?

koos staal, 15 september 2009, 10:46

...Inderdaad een lap tekst maar juist dan ervaar je de zwakte van internet. Een interessant thema maar zoveel tekst wil je lezen in een prettige vorm, in een handzaam boekje dus. Deze hoeveel tekst, in doorgaans veel te brede kolom, lees je niet op een scherm. Ik ga ‘t kopiëren, in een leesbare vorm gieten en printen en dan lezen. Leve bedrukt papier! < Koos

Cleo, 19 september 2009, 14:04

“Websites als GeenStijl Nu.nl of gratis krantjes als Metro, Spits of de De Pers sturen niet zelf verslaggevers naar gemeenteraden of parlement.”

Dit is niet juist. Nu.nl stuurt wel degelijk verslaggevers naar het parlement. Daarnaast sturen ze ook wel eens een camera naar Den Haag. Interviews met politici zijn dus met beeld en al te zien op nu.nl.

Travone daSilva, 20 september 2009, 06:40

Tsja, als je niet van lappen tekst houdt moet je maar teruggaan naar nu.nl.
In bovenstaande reactie zit nog een gevolg van het jachtige internet besloten, dat in het artikel niet erg naar voren kwam: namelijk het verminderen van onze concentratie. Als ik mij goed wil laten informeren koop ik niet alleen een krant omdat daar meer achtergronden en opinie in staan, maar ook omdat het genakkelijker is daarin grote hoeveelheden tekst tot je te nemen en deze, door de rust van het papier, vanzelf aanzetten tot eigen bespiegelingen en overpeinzingen. Want uiteindelijk ligt daarin de grote waarde van goed nieuws: aanzetten tot eigen gedachten en hiermee het nieuws aan laten zetten tot iets wat onderdeel is van jezelf.

VVOJ banner congres

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.