— donderdag 22 oktober 2009 08:04 | 5 reacties , praat mee

Waar blijven de daden van de Raad?

Journalisten hebben geen best imago als het gaat om incasseringsvermogen. Wie klaagt over de berichtgeving, krijgt niet snel erkenning. Journalisten stellen zich arrogant op, reageren niet op brieven, blaffen de klager af en nemen een klacht zelden serieus. Nova’s besluit voorlopig niet meer mee te werken aan klachtenprocedures bij de Raad voor de Journalistiek lijkt dat beeld nog eens te bevestigen. Maar de ligt anders, betogen hoofdredacteur Carel Kuyl en redacteur Wim Fortuyn. Nova heeft een discussie willen forceren over de kwaliteit van de journalistieke rechtspraak. Daar valt naar onze overtuiging veel aan te verbeteren.

Laatste wijziging: 27 oktober 2009, 16:33

Nova heeft dit besluit allesbehalve lichtvaardig genomen. Het mag zeker niet worden opgevat als een uiting van arrogantie of minachting ten opzichte de Raad voor de Journalistiek of de klagers.

Directe aanleiding was een tweetal uitspraken waarin de Nova-redactie onjuist of onzorgvuldig journalistiek handelen wordt verweten, op grond van achteraf geconstrueerde feiten en argumenten die elkaar tegenspreken.

De eerste uitspraak betreft de uitzending van19 december 2007 over het schietincident rond Eric O. in Irak. Daarin komt naar voren dat een van de getuigen onder druk zou zijn gezet door zijn generaal om een voor Eric O. gunstige verklaring af te leggen. Nova baseert dat op bandopnamen van gesprekken met deze getuige.

Drie weken na de uitzending komt de getuige met een verklaring dat hij helemaal niet door de generaal onder druk is gezet. Mede op grond daarvan komt de Raad tot de conclusie dat er ‘op z’n minst’ twijfel bestaat of de beschuldigingen worden ondersteund door ‘een deugdelijke feitelijke grondslag’. Het feit dat die verklaring op het moment van uitzending nog niet bestond, doet er kennelijk niet toe. De Raad zet evenmin vraagtekens bij het feit dat de generaal en de getuige zich laten vertegenwoordigen door een en dezelfde advocaat.

De tweede uitspraak oordeelt over een tweetal reportages waarin Nova signaleert dat de Nederlandse Moslim Omroep (NMO) in de greep lijkt te komen van fundamentalistische stromingen. Probleem daarbij was dat de NMO ondanks aandringen onzerzijds elke vorm van weerwoord weigerde. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het principe van hoor en wederhoor goed is toegepast, maar stelt tegelijkertijd vast dat Nova zich schuldig maakt aan eenzijdige berichtgeving.

Daarmee suggereert de Raad dat journalisten die misstanden aan de kaak stellen automatisch partij kiezen als ze stuiten op de reactie ‘geen commentaar’. Vermoedelijk daarom onderbouwt de Raad haar uitspraak met de opmerking dat Nova meer onderzoek had moeten doen naar de wijze waarop de berichtgeving van de NMO tot stand komt. Een argument dat in de processtukken noch tijdens de zitting naar voren is gekomen, zodat Nova zich daar niet tegen heeft kunnen verweren.

Een na de uitzending opgestelde verklaring, tegenstrijdige argumenten, overwegingen die pas achteraf zijn aangedragen: een dergelijke gang van zaken zou in de reguliere rechtspraak onherroepelijk leiden tot vernietiging van een uitspraak, is onze vaste overtuiging. Maar anders dan in de reguliere rechtspraak is het niet mogelijk in hoger beroep te gaan, zodat Nova geen andere weg openstond dan de uitspraken publiekelijk ter discussie te stellen.

Het lijkt gemakkelijk uitspraken van de Raad voor de Journalistiek te negeren. Er staat geen sanctie op. De Raad moet het nu eenmaal niet hebben van machtsmiddelen, maar van haar gezag – gezag dat alleen te verdienen is met weloverwogen uitspraken.
Nova wil niet de indruk wekken boven kritiek verheven te zijn. Een programma dat hecht aan openheid en transparantie, moet ook bereid zijn verantwoording af te leggen en fouten te corrigeren. Juist in een tijd waarin de media onder vuur liggen en veel invloed wordt toegedicht, is er een schone taak weggelegd voor een onafhankelijke arbiter die waakt over het journalistieke fatsoen. Maar dat stelt hoge eisen. Aan de arbiter én aan zijn uitspraken.

Inmiddels is er ruim een jaar verstreken sinds Nova haar medewerking opschortte, zonder dat er concreet iets is veranderd. Wel heeft de Raad haar eigen functioneren gespiegeld aan de gang van zaken in vijf andere West-Europese landen. Daarbij is gebleken dat ook die landen geen mogelijkheid tot hoger beroep kennen. Volgens de Raad is dat ook niet nodig ‘vanwege de beperkte gevolgen die aan de opiniërende uitspraken van de Raad zijn verbonden’.

Het valt te begrijpen dat de Raad niet staat te springen om de klachtenprocedure op te tuigen met een hoger beroep, al getuigt de argumentatie niet van kracht maar van zwakte. Gelukkig signaleert de Raad ook dat het beter kan: veel landen kennen wel de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak, als er ‘fouten zijn gemaakt in de klachtenprocedure of als bepaalde feiten of omstandigheden ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling’.

We zouden er aan toe willen voegen: dat moet ook gelden voor bepaalde feiten en omstandigheden die ten onrechte wel bij de beoordeling zijn betrokken.

Nova is niet de eerste of de enige journalistieke rubriek die het gezag van de Raad voor de Journalistiek ter discussie heeft gesteld. De Raad zou er dan ook verstandig aan doen niet lang te wachten met het aanbrengen van verbeteringen. Na de studies en de woorden is het nu tijd voor daden.

Carel Kuyl is hoofdredacteur en Wim Fortuyn redacteur van Nova

 

 

Bekijk meer van

Raad voor de Journalistiek
NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee

5 reacties

wim teeuwen, 23 oktober 2009, 12:22

Prima dat de uitspraken van de Raad voor de Journalistiek kritisch worden besproken. Ik heb ook al eens (vergeefs) geprobeerd de Raad ervan te overtuigen dat ook rechtbankverslaggeving aan de regels van hoor en wederhoor onderworpen is en niet als recensie of column beschouwd moet worden.

Overigens: de Raad voor de J. is mannelijk en de zin “Juist in een tijd waarin de media onder vuur liggen en veel invloed wordt toegedicht…” is taalkundig incorrect. Volgende keer nog eens kritisch (laten) nalezen.

chris, 23 oktober 2009, 20:44

Het principe van hoor en wederhoor ligt bij rechtszaken nogal lastig. Als rechtbankverslaggever ben je slechts toehoorder. Verdachten krijg je niet te spreken, advocaten willen niet altijd spreken.

Rechtbankverslaggever

Carel, 23 oktober 2009, 23:45

Een van de argumenten waarmee de klacht van de NMO tegen Nova werd toegekend, was de veronderstelling dat Nova niet zou hebben aangetoond dat NMO-bestuurder Yahia Bouyafa banden had met de Moslimbroederschap. Daarbij baseerde de Raad van de Journalistiek zich op een eerdere rechtbankuitspraak in een kort geding van Bouyafa tegen De Telegraaf. Inmiddels zijn de rechterlijke uitspraak tegen de Telegraaf en dit onderdeel van de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek achterhaald door de feiten. Op 21 april 2009 heeft minister Ter Horst namelijk in antwoord op Kamervragen van SP, VVD en PVV verklaard dat de Federatie Islamitische Organisaties Nederland, waarvan Bouyafa de voorzitter is, aangesloten is bij de Europese koepelorganisatie van de Moslimbroederschap.

A. radi, 26 oktober 2009, 16:59

Nog NOVA, nog de RVJ hebben goed begrepen, waar het omdraait. Het feit dat de RVJ vindt dat NMO in voldoende mate benaderd is is ook onzin. Geen enkele bestuurslid van NMO is benaderd en dat is bewust gedaan door Arnob Shakrabarty/NOVA. Dhr Bouyafa is was nooit bestuurslid van NMO geweest, maar het verhaal is te complex om in een kleine reactie uit te leggen. Het moment is bijna aangebroken om de hele waarheid en complot naar buiten te brengen en met bewijzen.

A. Radi, 26 oktober 2009, 17:10

Wie nog twijfels heeft overwie de bestuurders van NMO waren toen NOVA de programma’s maakte kan de KvK consulteren. De programmamaker A. Shakrabarty was nog fictief in dienst bij NMO, en hoe kan je uitleggen dat een onderzoeksjouranilst die jaren bij NMO gewerkt heeft en daarna voor NOVA (net in dienst), niet weet wie in het bestuur van NMO zit. Er was bewust gekozen voor kwetsbare mensen uit moskeebesturen ( Bouyafa, Kharoun), dan is de verdachtmaking makkelijk te plakken op de naam van moskeebestuurders. De waarheid komt nog en we zien wel.