Van satanisme naar Katholiek Nieuwsblad: Hoe Anton de Wit dagelijks vecht voor het behoud van religieuze journalistiek
Journalist Anton de Wit dompelde zich als tiener onder in antichristelijke boeken en satanische muziek, maar vecht sinds 2017 als hoofdredacteur van Katholiek Nieuwsblad voor het behoud van religieuze journalistiek. Zonder de kerk naar de mond te willen praten. ‘Wij zijn geen katholieke applausmachine.’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?
Een echte satanist was De Wit niet, laat hij direct aan het begin van het gesprek weten. ‘Ik was in ieder geval een stevige atheïst. Erg geïnteresseerd in occultisme, satanisme en in allerlei schimmige spirituele bewegingen. En ik luisterde naar black metal. Daar ging het natuurlijk over de haat tegen het christendom en over kerken in fik steken. Het was natuurlijk een beetje puberale dweepzucht.
Ik kom uit een vrijmoedig en gezellig katholiek gezin uit Bergen op Zoom. Daar deed iedereen zijn eerste communie, maar niemand had daar speciale gedachten bij. Behalve dan dat je een fiets cadeau kreeg. Ik merkte dat het mij wél om meer ging. Ik vond het katholieke geloof ontzettend mooi. Het raakte me als ik in zo’n kerk kwam. Ik ervoer een mystieke dimensie. Het kaarslicht, de glas- en loodramen. En hoe het licht daar doorheen viel. Ik kon daar als kind geen woorden aan geven. Maar ik merkte in mijn pubertijd dat ik dat wel begon te doen. Ik had zingevingsvragen, maar de antwoorden die ik van de plaatselijke gemeenschap kreeg vond ik onbevredigend.’
In de openbaarheid vind je niet per se altijd de waarheid, want je hebt altijd met een mate van vertekening te maken
Je was ook nieuwsgierig naar het ontkrachten van Bijbelteksten.
‘Ja, daar ging ik naar op zoek. Mijn omgeving vond het gek dat ik zoveel schoonheid in het geloof zag. Er was ook geen ruimte voor diepere vragen over het waarom en waartoe we op aarde zijn. Ik merkte dat ik me daardoor ging afzetten. Bij een vriendje ontdekte ik een boek van Nietzsche, “De Antichrist”. De vurige manier waarop Nietzsche zich afzette tegen het geloof was een openbaring. Wauw! De passie die ik eigenlijk voor dat geloof voelde, richtte zich bij hem ertegen. Dat raakte bij mij die honger naar verdieping, naar schoonheid. Maar ook naar taal. Taal geven aan wat je ten diepste beweegt. Ik denk dat dat mij uiteindelijk ook de journalistiek in heeft gedreven. Ik wilde onder woorden brengen wat mij bewoog in deze wereld. En dat vond ik bij die felle antichristelijke Nietzsche en de atheïsten.’
We zaten tijdens de jaardag van het Genootschap van Hoofdredacteuren aan dezelfde tafel. Vertelde je me toen ook niet dat je een pentagram tatoeage had?
‘Ja, op mijn 18e laten zetten. Daar is inmiddels een andere tatoeage overheen gezet: een globe waar het kruis op staat. Met de frase Stat crux dum volvitur orbis, “Het kruis is standvastig terwijl de wereld draait”. Als tiener zocht ik wanhopig naar een eigen identiteit. Een stam om bij te horen. En ik hield van die metal wereld. Maar na een tijdje kwam ik erachter dat de mensen in die wereld het niet allemaal zo serieus namen. Waar ik in mijn vroege jeugd een lauwheid van geloof ervoer, voelde ik nu een lauwheid van ongeloof. En dan denk je: kijk ze allemaal lopen met die omgekeerde kruizen en pentagrammen op hun T-shirts.’
Maar jij besloot gewoon stage te gaan lopen bij het progressieve, katholieke tijdschrift De Bazuin. Je vertelde de hoofdredacteur zelfs dat je atheïst was. Waarom nam hij je toch aan?
‘Dat is mij ook nog steeds een raadsel. Misschien zagen ze iets in me. Ik ben wel altijd een hele beleefde jongen geweest hoor. Ook in mijn aller duisterste metal jaren was ik nog steeds de ideale schoonzoon. Ik weet niet eens meer hoe ik precies bij De Bazuin terecht kwam. Het was toeval, ik moest iets. Ik heb in het eerste gesprek tegen die hoofdredacteur gezegd…’
Heil Satan!
(lacht) ‘Nee, dat ik heel erg geïnteresseerd was in religie. Dat was ook oprecht. Maar ik zei ook: “Luister, ik ben niet gelovig. Sterker nog, ik zou mezelf als atheïst schetsen.” Die hoofdredacteur was een hele lieve man, die pijp rokend over de redactie liep. Hij haalde een beetje zijn schouders op en zei: “Dit is een journalistiek bedrijf, zolang jij onbevooroordeeld vragen kunt stellen vind ik het prima”.’
Voel je ten opzichte van de lezers van Katholiek Nieuwsblad dat je jezelf als katholiek moet blijven bewijzen?
‘Nee, die kennen mijn achtergrond wel. In 2011 werd ik aangetrokken als columnist. De toenmalige hoofdredactie zag in mij een soort bekeerling, iemand die zich heel erg hard maakte voor het katholieke geloof en daarvoor uitkwam. En dat ook in het publieke debat verdedigde met een zekere, hoe moet ik het zeggen, onverschrokkenheid. Met stilistische bravoure. Ik was een vreemde vogel en dat vonden mensen in de katholieke kring heel interessant.’

In je nieuwe boek ‘Geloof jij het?’ schrijf je dat journalistiek zingeving is geworden. Wat bedoel je daarmee?
‘Een journalist probeert formuleringen op te stellen die betekenis geven aan een complexe werkelijkheid. Vanaf het moment dat je wordt geboren komt er van alles op je af. In het begin word je door je ouders aan de hand genomen, maar op een gegeven moment moet je het zelf doen. Je probeert chocola te maken van wat zich aandient en je probeert mensen te helpen. Eigenlijk lijkt alles wat we doen uitermate zinloos. Daarmee omgaan en er toch iets van betekenis in te voelen, dat is wat religie doet. En volgens mij ook wat journalistiek moet doen.’
Je constateert in je boek ook: ‘De kerk en de krant verstaan elkaar zo slecht. Het lijken vaak gescheiden werelden met een eigen taal, eigen mores.’ Jij moet dat dagelijks bij elkaar brengen.
‘Ik ben een burger van twee werelden eigenlijk. Met twee paspoorten. Af en toe komen er van die populisten die vinden dat je moet kiezen. Dat weiger ik. Zeker de journalistieke beroepsgroep heeft zijn eigen mores en je voelt een grote spanning tussen de katholieke kerk en de media. Vooral als het over transparantie gaat.’
Jij schrijft dat het openbaar maken van problemen niet automatisch bijdraagt aan het oplossen ervan. Dat ligt in lijn met de katholieke kerk. Terwijl het ontdekken van misstanden juist de kerntaak van de journalistiek is.
‘Dat botst wel in mijn werk. Ik vind dat ook ingewikkeld, want ik voel de waarde van beide benaderingen. Als leerlingjournalist hoorde ik weleens van ervaren rotten wie er allemaal een maîtresse op nahield. “Waarom schrijven we dat dan nooit op?”, vroeg ik. “We hoeven dat niet allemaal te weten”, kreeg ik dan te horen. Ik begreep dat toen niet, maar nu wel iets beter. In de openbaarheid vind je niet per se altijd de waarheid, want je hebt altijd met een mate van vertekening te maken. Dat is dubbel. Openbaarheid heeft een functie voor waarheidsvinding, maar kan ook een eigen waarheid afdwingen.’
Als jij iets pikants hoort, welke mores overheerst dan?
‘Dat zit er een beetje tussenin. Soms gaat de katholieke mores heel erg ver in de wens van de kerk om alles toe te willen dekken. Dat zag je rond die misbruikschandalen heel sterk. Volgens de publieke opinie was er sprake van een doofpot, terwijl het katholieke perspectief was: “Wacht even, dit betreft hele gevoelige materie. Deuren dicht. We gaan het eerst helemaal uitzoeken.” Er bestaat natuurlijk ook zoiets als een kwaadaardige doofpot, maar veel bevindt zich in een grijs gebied. Prudentie is een echte deugd in de katholieke theologie. Als ik met kerkelijke gezaghebbers spreek, zeg ik altijd: “Wees niet zo bang voor die openbaarheid. Je moet ook dingen naar buiten durven brengen. Denk niet steeds dat een journalist jouw vijand is. Durf het gesprek met ze aan te gaan. Het zijn net mensen”.’
Kun je met je hand op je hart zweren dat je nooit in je journalistieke taak bent belemmerd door de kerk?
‘Ja, nog nooit. Ze mogen zich wel wat meer bemoeien. Je voelt een grote terughoudendheid. Ook bij interviewverzoeken met bisschoppen bijvoorbeeld. Dan is het vaak: “Nee, nee, liever niet”. Het wordt soms zelfs getraineerd. De kerk houdt niet zo van openbaarheid.’
We moeten een krant overeind houden terwijl dat economisch gezien volstrekt krankjorum is’
(op een ladekast staat een ingelijste foto van de paus) Wat heeft hij in zijn handen?
‘De open brief die wij hebben geschreven om Titus Brandsma uit te roepen tot patroonheilige van de journalistiek. Over openbaarheid gesproken; ik mag die foto daar neerzetten, maar ik mag hem niet afdrukken in print. Ik was bij de heiligverklaring van Brandsma in Rome aanwezig. Hendro Munsterman van het Nederlands Dagblad en ik zochten toen naar een manier om die brief bij de paus te krijgen. De Vaticaanse bureaucratie is een ramp. Zo’n brief verdwijnt al snel in een of andere lade. Bij de Dicasterie voor de Communicatie had Hendro iemand bereid gevonden die de brief wel wilde ontvangen, maar het bleef allemaal moeilijk. Later sprak ik daarover met onze correspondent Salvatore Cernuzio in Rome en die zei: “Ja maar, de paus is ook mijn biechtvader. Ik kan het gewoon aan hem geven.”’
De paus is zijn biechtvader? Welke invloed heeft dat op zijn journalistieke objectiviteit?
(lacht) ‘Dat is ingewikkeld. Dat geef ik ogenblikkelijk toe. Hoewel, hij verstaat zijn werk. Het is een keurige journalist. We hadden de brief vertaald in het Engels en in het Italiaans en in een mooi mapje gestopt. Toen onze correspondent weer een pastoraal gesprek met de paus had heeft hij hem de brief overhandigd. “Mag ik even een fotootje van je nemen?” “Ja”, zei de paus, “maar niet voor publicatie, hè?” Ik denk niet dat de paus wekelijks braaf Katholiek Nieuwsblad leest, maar als we de foto afdrukken zou de persoonlijke band tussen de paus en onze correspondent beschadigd raken.’
Maar waarom mag je het niet van de paus afdrukken?
‘Nou weet je, hij is denk ik bang om door Jan en allemaal voor het karretje te worden gespannen. Dat snap ik ook wel. Er zijn veel mensen die een foto van de paus met hun boek willen hebben. Dat kan ook gewoon, maar daarvoor moet je wel via via de juiste formuliertjes hebben. Dan kun je op het Sint-Pietersplein dat boek bij hem in handen drukken en maakt een fotograaf van L’Osservatore Romano (dagblad van het Vaticaan) een foto. Vervolgens mag je netjes aan het loket afrekenen en krijg je de foto mee naar huis. Daar waren we eigenlijk gewoon te laat voor. Zoiets kost ook weken om goed te regelen, het ontbrak ons aan tijd en mankracht.’
Brandsma werd heilig verklaard, maar hoelang kan het duren totdat Brandsma beschermheilige wordt?
‘Honderden jaren. “Roomse molens draaien traag”, zo citeer ik Vonne van der Meer in mijn boek. De Vaticaanse bureaucratie is notoir onvoorspelbaar, zo ondoorgrondelijk als Gods wegen.’
Kun je dat niet op eigen houtje voor de Nederlandse journalistiek bepalen?
‘Ik kan hier naar de bisschop lopen (het kantoor van het bisdom ‘s-Hertogenbosch zit in hetzelfde gebouw, red.), dus je hebt zo’n formele weg niet nodig. Maar voor ons is het van belang om een internationaal statement te maken. Zodat de waarde van de journalistiek ook breder bij de katholieke media en in de kerk zelf voelbaar wordt. In pauselijke geschriften wordt sinds het begin van de twintigste eeuw positief over media geschreven. Maar wel in de zin van: media zijn goed, zolang ze braaf katholieke propaganda brengen. En dat voel je zelfs bij deze paus. Het moet in het straatje passen, dan is het goede journalistiek.’
In je boek staat hoe geraakt je werd door die heiligverklaring van Brandsma.
‘Ik had toen voor het eerst even moeite met de journalistieke distantie die van mij op dat moment gevraagd werd. Brandsma is de eerste echte journalist die heilig is verklaard. Hij is vermoord in concentratiekamp Dachau om zijn journalistieke activiteit. Hij nam openbaar stelling in tegen de nazi’s en bezocht in 1941 alle toenmalige hoofdredacteuren om een brief van kardinaal De Jong voor te leggen. Die sprak daarin onder andere uit dat het verboden was om nazipropaganda af te drukken. Vanaf dat moment werd Brandsma door de SS als gevaarlijk persoon gemarkeerd. Maar voor mij is hij niet alleen een professionele voorbeeldfiguur. Ik heb heel veel van zijn geschriften gelezen. En daar zitten prachtige dingen bij. Dus ja, dat raakt ook de gelovige Anton de Wit. Niet alleen de journalist.’
In een podcast vertelde je dat je na de geboorte van je eerste kind grote verbondenheid voelde met de heilige Jozef. En dat je daar een mentale dialoog mee had. Heb je dat ook met Brandsma?
‘Op een bepaalde manier wel. Aan het einde van mijn boek laat ik hem ook bijna visioenachtig verschijnen. “Heilige Titus Brandsma, bid voor ons”’, schrijf ik. Dat spreken we trouwens ook op onze redactie uit. Wij openen de week met een gebed en dat besluiten we met: “Heilige Titus Brandsma, bid voor ons.” Dat kan echt vanuit je ziel komen.’
Waar moet hij precies voor bidden?
‘Voor alle zorgen en dagelijkse strubbelingen. Katholiek Nieuwsblad vecht al veertig jaar voor haar bestaan. We moeten een krant overeind houden terwijl dat economisch gezien volstrekt krankjorum is. Ons hoogtepunt van abonnees hadden we in 1987. Op de elfde van de elfde, het begin van het carnavalsseizoen. Maar op 1 januari 1988 stond de teller alweer op 19.500 abonnees. Sindsdien is het alleen maar gedaald. We sluiten dit jaar onder de 4.000. Dus dan bid je ook voor de zorgen die dat met zich meebrengt. Of als er collega’s zijn die ziek zijn. Dan merk je dat het fijn is om dat in gebed te brengen en te zeggen: “Heilige Titus…”.’
Geloof jij het? Waarachtige journalistiek ten tijde van nepnieuws, van Anton de Wit, is uitgegeven door Kokboekencentrum Non-Fictie en te koop bij boekhandels in Nederland.


Praat mee