‘Und was denkst du davon?’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Marjolein Slats. Ook lid worden?

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

‘Und was denkst du davon?’

Franka Hummels — Geplaatst op dinsdag 2 juni 2015, 15:01

© Maaike Putman

Persoonlijk Twee maanden als gast bij een Duitse krant of omroep: jaarlijks mogen een aantal Nederlandse journalisten op uitwisseling. Zijn Duitsers echt zo formeel en hiërarchisch als wij denken? En wat doe je nou eigenlijk, in die twee maanden als gastredacteur? Freelancer Franka Hummels is net terug uit Erfurt, waar ze werkte bij de Thüringer Allgemeine. Ze doet verslag.

Koud een dag was ik als uitwisselingsjournalist gestationeerd bij de Thüringer Allgemeine, of daar tutoyeerde ik de Oekraïense ambassadeur in Duitsland al. ‘Und was denkst du als Botschafter davon?’ Bam. Hakkelend legde ik uit dat ik zó mijn best deed om de taal goed te spreken, dat de Duitse ‘Höflichkeit’ er bij inschoot. De rare buitenlandse werd snel vergeven, maar niet door haarzelf.

Voorafgaand aan de uitwisseling, in het kader van het ‘Journalistenstipendium Duitsland Nederland’ kreeg ik een intensieve taalcursus in een kasteel in Baarlo. Hier leerde ik niet alleen beter Duits, maar ook de andere journalisten die twee maanden bij een medium in het buurland gingen werken. Vooral voor de Duitse die bij de NOS zou neerstrijken had ik ontzag: zij had pas negen dagen Nederlandse les achter de kiezen.

Ons zestal, vier Nederlanders en twee Duitsers, volgde ook een welkomstseminar in Den Haag over wat we in de uitwisseling wilden leren. Ik wilde ervaren hoe het is om in een andere cultuur te werken. Ik heb als correspondent gewerkt, en ben nog steeds vaak in het buitenland. Maar altijd werk ik dan voor Nederlandse media, voor een Nederlands publiek, in een Nederlandse context. Hoe is het om deel uit te maken van een Duitse redactie?

Ook gaf ik bij mijn sollicitatie voor het stipendium aan dat ik graag naar de voormalige DDR wilde. Ik ben geïnteresseerd in post-communistische transitie, schreef bijvoorbeeld een boek over Wit-Rusland. De eenwording van Duitsland, en hoe er 25 jaar later nog met de communistische erfenis wordt omgegaan, vind ik razend interessant.

De mensen die de uitwisseling organiseren zoeken voor iedereen een passend plekje. Ik wilde natuurlijk niet al sinds ik zes was bij de Thüringer Allgemeine in Erfurt werken, maar het bleek een schot in de roos. Tot 1990 had de TA ‘Das Volk’ op de voorpagina, het was de communistische partijkrant. Van de ene op de andere dag besloot de redactie om een onafhankelijke krant te maken. Veel van de journalisten van toen werken er nog. Bovendien heeft het bondsland Thüringen op dit moment een rood-rood-groene coalitie onder leiding van Die Linke, waarin de oude Oost-Duitse Partij is opgegaan. Dat boeit.
Ik werkte op de lokale redactie, in het centrum van Erfurt, een mooi middeleeuws stadje van Groningse omvang. De rest van de redactie zat weggestopt op een afgelegen industrieterrein. Mijn redactie was klein, acht mensen en her en der wat stagiairs. In Nederland zou me het hemd van het lijf zijn gevraagd totdat duidelijk was wat ik precies kwam doen. Maar hier stelde niemand vragen. En mensen vertelden ook niets over zichzelf. Het is stil op de redactie. Af en toe maakt iemand eens een grapje, of een opmerking over een stuk waar hij mee bezig is. Ze weten de namen van elkaars kinderen niet, en soms zelfs niet eens of ze kinderen hebben. Het is niet kil: ze zijn allemaal in elkaars welbevinden geïnteresseerd, maar ze ouwehoeren gewoon niet.

Ook de vergaderingen nemen aanmerkelijk minder woorden – en minuten - in beslag. De chef leest de agenda voor en deelt het werk uit. Als dat om wat voor reden dan ook niet praktisch is, dan zegt iemand er wat van. Klaar. En als de chef er op donderdag niet zal zijn, worden de lijnen voor de vrijdagkrant op woensdag vast uitgezet. Hoewel agendajournalistiek ook bij deze krant een gehate term is, drijven ze veel meer op uitnodigingen en bijeenkomsten dan wij. Als de gemeente iets organiseert, dan ga je erheen, dan doe je verslag.

Ik kreeg een wekelijkse column, ‘Franka fietst’. Dat ik op de fiets kwam, was voor mijn collega’s zo exotisch dat ze het cliché graag uitbuitten. Vooruit. Met de 200 woorden die ik voor mijn buiten­landse bevindingen tot mijn beschikking had, was ik al een dag bezig. Dat ik zo langzaam was, was confronterend. Ik ben gewend van deadline naar deadline te leven, om belangrijk te zijn op mijn werk, mee te tellen. Nu was alles wat ik deed extra, sterker nog, ik kostte in sommige gevallen zelfs tijd, omdat mijn teksten meer eindredactie nodig hadden dan die van mijn collega’s. De vrijheid die ik had werkte soms beklemmend, ik voelde me wat verloren. Leerzaam op een onverwachte manier.

Ik liep met collega’s mee naar hun afspraken. Ik dronk koffie met de leden van het bondsparlement van wie de geboortedatum het dichtst bij de mijne lag. Ik trok de stad in met lezers die op mijn column hadden gereageerd. Ik ging kijken naar Geert Wilders, toen die bij Pegida in Dresden sprak.

Zo merkte ik het volgende grote verschil tussen mij en mijn Duitse collega’s. Zij zijn van mening dat je partij moet kiezen tegen Pegida, Wilders en Thügida, de halve nazi’s die in Thüringen actief zijn: Je moet opschrijven dat ze slecht zijn en niet welkom. Mijn journalistieke taakopvatting is beperkter: ik wil slechts opschrijven hoe iets is, dan mogen de lezers vervolgens zelf hun conclusies trekken. Dat ik niks van Wilders moet hebben, doet niet ter zake, in mijn werk benader ik hem met precies hetzelfde respect als iedere andere politicus. Dat snapten mijn collega’s niet goed, ze vonden mijn standpunt rechts. We spraken er veel over - steeds op mijn initiatief natuurlijk, want het was kletsen – en ik begrijp nu dat dit rechtstreeks tot de oorlogserfenis te herleiden is. Je wil onder geen beding de zwijgende meerderheid zijn die het kwaad niet stopt.

Het had dus niet, wat ik aanvankelijk dacht, met het communistische verleden van de krant te maken, de tijd dat de krant nog spreekbuis was van het gezag. Hoewel ook uit die veertig jaar nog wel sporen terug te vinden waren. Enerzijds bij collega’s die betrekkelijk volgzaam met de overheidscommuniqués omgaan, ze een lekkerder geschreven sausje geven maar ze niet bevragen, en anderzijds juist door een reusachtige vernieuwingsdrang. De krant had in 1990 die radicale omslag gemaakt, en is nog steeds in niets conservatief. Nieuwe rubrieken worden haast wekelijks ten doop gehouden.

Ik genoot ervan om met mijn oudere collega’s te praten, te horen hoe zij de periode van grofweg 1988 tot 1991 hebben meegemaakt. Hoe ze als journalist het regime haatten, maar wel geacht werden namens het regime te schrijven. Hoe binnen de beperkte marges naar zoveel mogelijk vrijheid werd gezocht. Ik verslond stapels kranten uit die tijd, registreerde de woordkeus, de onderwerpskeuze, de komst van de eerste advertenties. Maar al die tijd tussen vergeeld papier leverde natuurlijk niets op voor de krant. Hoewel ik inmiddels over elk onderwerp langere gesprekken kon voeren in het Duits, schreef ik naast mijn column niet meer dan één artikeltje per week. Ik voelde me beknot. Ik kon alles zeggen wat ik wilde, maar ik had niet de rijkdom van de taal tot mijn beschikking.

En mijn Nederlanderschap bracht mij in het laatste weekend voor ik naar het slotseminar in Berlijn moest, ook naar Gotha, een half uurtje treinen van Erfurt. Daar had het stadsfeest dit jaar het thema Nederland gekregen, en ik mocht de reportage maken. De hele dag aanschouwde ik klompendansen, kaas en caravans: een komkommerrepo van jewelste. Maar ik kwam om middernacht thuis en had de volgende dag om 11 uur een deadline. Ha! Ik deed er weer toe. Zelden was tegen een deadline optikken zo lekker.

Franka Hummels (1978) is freelance journalist voor radio en verschillende kranten en tijdschriften. Ze studeerde geschiedenis, deed de PDOJ en ging daarna aan de slag als Londen-correspondent voor het AD. Sinds haar vertrek uit Londen is ze nog steeds veel in het buitenland, met name in Midden- en Oost-Europa. Ze schreef ‘De Generator­generatie, leven na Tsjernobyl’, dat in 2011 verscheen.

Meer informatie over het Journalistenstipendium Duitsland Nederland

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.