Robert Vuijsje: ‘Hoe wij ons bij Nieuwe Revu gedroegen, daar zou je nu voor kunnen worden ontslagen’
Schrijver en journalist Robert Vuijsje werkte van 1997 tot 2007 bij Nieuwe Revu. Voor Villamedia blikt hij terug op zijn jaren bij het ‘vrolijke weekblad’. Over de mores op de redactie en het recept voor het typische Revu-verhaal.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?
Het idee was: bij een half dozijn Amsterdamse verkooppunten een gram cocaïne aanschaffen. Dankzij deze steekproef konden we zogenaamd een beeld krijgen van het hedendaagse kwaliteitsniveau, eind jaren 90. Zo was het plan verkocht aan de hoofdredactie. In het gezelschap van de hoofdredacteur op dat moment - Hans Verstraaten, inmiddels is hij overleden - had ik nog nooit wit poeder door mijn neus gesnoven. Dat gebeurde meer tijdens het feest vieren met collega’s die dichter bij mijn eigen leeftijd zaten.
De drugs werden naar een onderzoeksbureau gebracht om te testen hoeveel procent pure cocaïne erin zat. Ik overhandigde de waren aan een medewerker die tegenover mij aan tafel de envelopjes opende en een deel van de inhoud in een plastic zakje goot. Nog zie ik voor me hoe paniekerig ik waarschuwde: ho ho, niet zoveel nemen, je had toch al genoeg? Snuifschaamte, dat woord was nog niet bedacht.
Een typisch Revu-verhaal zou kunnen beginnen met een anekdote over ons rabiaat enthousiaste partydrugsgebruik
Een paar weken later, toen de uitslag bekend was, konden we ter redactie - of op de wc van een café, dat weet ik niet meer - de overgebleven inhoud van de enveloppen keuren, alsof het flessen wijn waren. Wat ik nog wel weet: het pakkie dat ik in de Damstraat had gekocht, de plek waar drugstoeristen zich lieten oplichten, kon meteen de vuilnisbak in. Nul procent, zoals verwacht. De winnaar kwam van een Surinaamse heer op leeftijd die kantoor hield in een donker hoekje van discotheek Odeon.
Een typisch Revu-verhaal zou kunnen beginnen met een anekdote over ons rabiaat enthousiaste partydrugsgebruik (het werd een sport om in ieder stuk het woord ‘rabiaat’ te gebruiken, ook als het nergens op sloeg). Maar de openingsalinea zou net zo goed kunnen bestaan uit een petite histoire over collega Paul Blanca, die ook niet meer leeft.
We spraken elkaar allemaal aan met ‘collega’. Als je het ter redactie over een medewerker had, liet je hun naam voorafgaan door dat woord, meestal gevolgd door een ironisch-neerbuigende typering - collega Robert schrijft nu een historisch verantwoorde analyse over zijn glorietijd bij het vrolijke weekblad, compleet met het noemen van allerlei namen die toen toonaangevend waren, maar waarvan je nu denkt: wie was dat ook weer?
‘Het vrolijke weekblad’ was codetaal voor: ‘Nieuwe Revu’. Ook in die tijd bestonden er al bezuinigingen. In het grote Sanoma-gebouw te Hoofddorp (door ons Sanomax genoemd, alsof het ging om een wasmiddel) waren wij de buren van Donald Duck. Op de gang die onze redacties scheidde beklaagde een oudere tekenaar zich over de meedogenloze besparingsmaatregelen bij Donald Duck. ‘En dat noemen ze dan een vrolijk weekblad’, sprak hij bitter. Voor ons het signaal om deze titel over te nemen, voortaan waren wíj het vrolijke weekblad.
Goed. Collega Blanca. Hij was al door Rob Scholte beschuldigd van het plegen van een aanslag op zijn leven. In de jaren 90 was het een geruchtmakende zaak: Scholte, een succesvolle kunstenaar, zat in zijn auto toen die werd opgeblazen. Hij verloor zijn benen en beschuldigde Blanca van de aanslag.
Voor Revu bleef Blanca gewoon schrijven over de zelfkant. In die tijd hoorde dat nog bij de cocktail waaruit het vrolijke weekblad moest bestaan. Collega Blanca hanteerde een onderscheidend taalgebruik: hij leverde zijn kopij in zonder leestekens. Aan punten of komma’s deed hij niet, de eindredactie moest zijn stream of consciousness-achtige schrijfstijl maar reconstrueren. Daarnaast specialiseerde hij zich in reportages over het illegaal op straat aankopen van vuurwapens.
Die kocht Blanca meestal in de Bijlmer, waar ook de redactie was gevestigd, voor we verhuisden naar Hoofddorp. Vanaf metrostation Amsterdam Bijlmer ArenA liep je over een toen nog lege vlakte naar ons gebouw. Collega Blanca had de gewoonte om van de redactie een ingepakt pakket met daarin vijftig of honderd exemplaren van het nieuwste nummer mee te nemen. Als je aankwam bij het metrostation stond hij die voor één gulden te verkopen.
Een verhaal in het vrolijke weekblad zou ook kunnen starten met een wonderlijke gewoonte die we hadden ontwikkeld. Iedere zomer werd minstens één actiereportage gemaakt over het fenomeen ‘seksvakantie’. Een verslaggever en fotograaf reisden af naar Thailand, Venezuela of Cambodja en kwamen terug met een aanklacht tegen westerse mannen die misbruik maakten van jonge kwetsbare meisjes. Kinderen waren het eigenlijk nog en bovendien straatarm.
Wat er nooit bij werd vermeld was de participerende journalistiek waaruit het plaatselijke onderzoek bestond. Of zoals we het onder elkaar formuleerden: eerst hebben ze een week lang liggen neuken en als ze weer in Nederland zijn hangen ze een verhaal op over hoe schandalig het allemaal is wat daar gebeurt.
Iedere zomer werd minstens één actiereportage gemaakt over het fenomeen ‘seksvakantie’
Het duurde een paar jaar tot ik zelf zo’n verhaal mocht maken. Ik reisde naar Brazilië en ontmoette een jongedame die vertelde dat ze verloofd was met een Duitser. Ze leerde hem kennen toen hij op seksvakantie was en daarna kregen ze een lange afstandsrelatie. Hij keerde terug naar Duitsland en zij maakte hem wijs dat ze was gestopt met werken.
Liggend in de branding op het strand van Fortaleza poseerde ze voor de coverfoto van de reportage in het vrolijke weekblad. Kort na verschijning kreeg ik een woedende scheldpartij over me heen, in die tijd ging dat nog via het chatprogramma MSN Messenger. De Duitser had alles gelezen en hun verloving was voorbij. Nieuwe Revu drong ook door tot Duitsland.
Het is nu misschien moeilijk voor te stellen, maar toen ik studeerde was er één plaats waar ik mijn werkende leven wilde beginnen: de redactie van Nieuwe Revu. Internet bestond niet, of tenminste niet in de vorm zoals we het nu kennen. Kranten hadden geen weekendmagazines. Van Nieuwe Revu werden iedere week meer dan honderdduizend exemplaren verkocht. Als jongeling was het mijn bron voor informatie over een opwindende grote mensenwereld waar ik graag bij wilde horen.
In 1995 ging ik een jaar in Amerika studeren. Mijn broertje las het blad ook en had de complete jaargang voor me bewaard, in een grote stapel. Over wat er tijdens die periode in Nederland was gebeurd wist ik niets. Binnen een paar weken las ik de hele stapel door.
Ook de term ‘nepo baby’ bestond nog niet, maar het mechanisme al wel. Voor ik een jaar wegging, stuurde ik Verstraaten een briefje met een voorstel voor een verhaal over het wilde studentenleven op een Amerikaanse campus. Dat werd geplaatst in de studentenspecial, aan het begin van het schooljaar. Nadat ik was afgestudeerd stuurde ik nóg een briefje: mag ik een stage komen doen?
De term ‘nepo baby’ bestond nog niet, maar het mechanisme al wel
Verstraaten antwoordde zoiets als: je vader kan het, dan zul jij ook wel iets kunnen. Mijn vader was toen hoofdredacteur van HP/De Tijd en in de jaren ervoor adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant. Twee titels waar ik dus sowieso niet wilde werken. Bij Nieuwe Revu lag geen Vuijsje-geschiedenis. Voor mijn nieuwe collega’s was duidelijk waarom ik, zomaar uit het niets, op stage mocht komen en daarna binnen een jaar een contract tekende. De cultuur was er ook naar om dat recht in mijn gezicht te zeggen.
Het blad verscheen op woensdag en ging maandagochtend naar de drukker. Zondag werd er gewerkt. Op mijn eerste zondag meldde ik me keurig rond het middaguur. De chef die me zou begeleiden was er nog niet. (Later leerde ik pas dat we een chef standaard ‘chefje’ noemden, een hoofdredacteur heette ‘hoofdconducteur’.) Ik dacht: als hij komt krijg ik wel uitleg over wat ik moet doen. Het chefje stommelde binnen, meldde dat het gisteravond laat was geworden, ging op de bank liggen en begon luidkeels te snurken. Aan het eind van de middag werd hij wakker.
Als kind werd ik door mijn moeder op een anti-autoritaire crèche gezet. Het vrolijke weekblad verschilde daar niet veel van, maar dan voor grote mensen. In theorie waren Vrij Nederland en HP/De Tijd onze concurrenten. Daar keken we ook wel een beetje naar op, zij werden echt serieus genomen en wij niet. Iedere nieuwe hoofdconducteur sprak de ambitie uit om op te schuiven naar de ernstige opinieweekbladen. Alleen gebeurde dat nooit. Over De Groene Amsterdammer en Elsevier, de twee opinieweekbladen die alles hebben overleefd, hoorde ik nooit iemand praten. Die waren actief op een ander speelveld dan wij.
Wat was zo bijzonder aan Nieuwe Revu? Ik denk toch de zogeheten sandwichformule, een mengvorm van hoge en lage cultuur die later werd overgenomen door de Nederlandse krantenmagazines en talkshows. Mijn eigen bijdrages varieerden van een bezoek aan vijf Griekse eilanden voor De Grote Griekse Eilandentest - welke is het beste? - tot een reportage over Auschwitz, waar een discotheek was geopend naast het kampterrein, in een gebouw waar tijdens de oorlog de sieraden en gouden tanden van de joodse lijken werden gesorteerd.
Voor mijn eerste grote verhaal werkte ik als stoepier op de Amsterdamse Wallen. De kop boven het stuk was ‘Fuckie suckie, lickie dickie’ - de vaste tekst van mijn collega bij het naar binnen praten van klanten voor de stripteaseshow. Dit antropologische onderzoek kon in het blad zomaar worden gevolgd door een interview met een minister of een staatssecretaris, van Frénk van der Linden en de man die we ‘zijn trouwe vazal’ noemden, Pieter Webeling.
Natuurlijk keken we met verbazing naar ‘de meesterinterviewer’. Het gerucht ging dat Frénk een vergoeding kreeg van tienduizend euro per vraaggesprek. Hij kwam één keer per jaar naar de redactie om ons uit te leggen wat we allemaal verkeerd deden. Maar zijn interviews leidden bijna altijd tot een 101’tje op Teletekst, in die tijd het hoogst haalbare. Ministers en staatssecretarissen moesten aftreden na een ondervraging door de meesterinterviewer en zijn trouwe vazal. Dat deden wij ze niet na.
Als de meesterinterviewer ons de les kwam lezen ging het veel over de reisjes. Hij vond dat we het vrolijke weekblad misbruikten als veredeld reisbureau en niet serieus bezig waren met onze ontwikkeling als onderzoeksjournalist. Daar had hij gelijk in. Ter redactie luidde de regel: binnen Europa telt niet, pas als het daarbuiten is mag je een streepje achter je naam zetten.
Het gerucht ging dat Frénk van der Linden een vergoeding kreeg van tienduizend euro per vraaggesprek
De inkomsten van het blad lagen zo hoog dat de enige voorwaarde was: het moest een goed verhaal zijn, dan mocht je het maken, waar ook ter wereld. Van oudere collega’s, uit de tijd van een nog grotere oplage, hoorden we juist dat de mogelijkheden vroeger pas echt onbegrensd waren. Een rekening van een paar duizend gulden uit het bordeel werd gedeclareerd onder vermelding van ‘diner spektakel’. Een mythisch voorbeeld was dat van de Revu-collega’s, een verslaggever en fotograaf, die een paar maanden op reis gingen voor een reportage met foto’s van een Nederlandse vlag, gemaakt in alle landen van de wereld.
Wanneer ik mijn kinderen vertel over het werk dat ik vroeger deed, voordat zij werden geboren, draait het niet zelden om wat ik van de wereld heb gezien dankzij het vrolijke weekblad. In 2001 was ik op 9/11 in Austin, Texas voor een reportage over het wilde studentenleven van Jenna Bush, de dochter van George W. Bush, op dat moment de Amerikaanse president. Op de avond voordat zij werd afgevoerd en in veiligheid gebracht, zag ik Jenna bij een feestje van haar studentenvereniging.
Een ander heldenverhaal voor mijn kinderen gaat over de keer dat ik verslag deed van een aardbeving in Nicaragua en een nacht buiten moest slapen op een muurtje, omringd door grote spinnen en andere enge dieren. In Paramaribo interviewde ik Desi Bouterse, kort voordat hij tot president van Suriname werd gekozen. Mijn interessegebied lag in Noord- en Zuid-Amerika. Met de jonge Ronaldinho, vijf jaar later gekroond tot beste voetballer ter wereld, bracht ik uren door in Porto Alegre. Zijn bijna-naamgenoot Ronaldo sprak ik weer in Genève.
In reportages voor Nieuwe Revu moest soms, als een soort verantwoording, een alineaatje staan met als boodschap: hier gaat het verhaal echt over. Dan moest je verplicht een wetenschapper opvoeren die het uitlegde. Ik wilde zo’n alineaaatje nooit schrijven en als ik het bij iemand anders zag staan sloeg ik het over. Liever las ik verder in de alinea erna, waar de actie weer werd opgepakt.
Maar goed, waar dit verhaal dus ook over gaat: ik kon beginnen met schrijven in een tijd die nooit meer terugkomt. Iedere keer dat ik Nederlandse boeren zie protesteren moet ik eraan denken. Zij denken recht te hebben op eeuwigdurende arbeidsomstandigheden en een wereld die niet verandert. Alleen zit het leven zo niet in elkaar. Vandaag is een weekblad als Nieuwe Revu vooral een symbool geworden van de veranderde tijdgeest.
Hoe wij ons gedroegen en onze omgang met elkaar, en met stagiaires, daar zou je nu voor kunnen worden ontslagen. Hoe lezers, of moet je ze consumenten noemen, aan hun vermaak komen: het zal nooit meer zo zijn dat ze op woensdag zitten te wachten om een papieren tijdschrift te kunnen openslaan. En voor de boeren: niet alleen het internet en de smartphones maakten Nieuwe Revu overbodig, daar speelde ook de overheid een rol in. Een fors deel van de hoge advertentieinkomsten kwam van de tabaksindustrie - tot dat werd verboden. Alleen gingen wij niet naar Den Haag om te protesteren tegen deze veranderende tijden.
Ik kon beginnen met schrijven in een tijd die nooit meer terugkomt
Een typisch Revu-verhaal zou ook kunnen beginnen met het tafereel dat ik in 2003 meemaakte in Nairobi, op reportage bij schilder Peter Klashorst, die kort daarvoor in een Gambiaanse gevangenis had gezeten op verdenking van het aanzetten tot prostitutie en losbandigheid en het vervaardigen van obscene objecten. De avonden brachten we door in discotheken die in feite functioneerden als bordelen, alleen bestonden er geen kamertjes om heen te gaan, het was meer een ontmoetingsplaats.
Klashorst had al gewaarschuwd: de enige andere witte mannen in deze nachtclubs werken voor organisaties als Unicef, Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis. Hij omschreef ze als geitenwollensokkentypes met sandalen aan, maar ze maakten graag gebruik van de aangeboden diensten. Ik kon het bijna niet geloven, zo cynisch zat de wereld toch niet in elkaar? Tot ik de weldoeners in actie zag, en hun buiten geparkeerde jeeps met daarop de logo’s van hun organisaties.
Later, terug in Amsterdam, deed Klashorst een voorstel: moet jij niet een boek over mij schrijven? Een boek schrijven, dat was wat ik eigenlijk al wilde, alleen durfde ik het niet. Ik schreef een schelmenroman over Klashorst en dacht: het is me gelukt, een heel boek in elkaar zetten, kennelijk kan ik dit. Een roman schrijven is wat ik al honderden keren eerder had gedaan: een begin, een midden en een einde maken - maar dan vele malen langer en ingewikkelder. En bij een roman moet je het zelf bedenken.
Het volgende boek werd mijn debuutroman, ‘Alleen maar nette mensen’. Een groot deel van wat ik zelf de research noemde speelde zich af tijdens mijn jaren bij het vrolijke weekblad. Daar was ik twee jaar weg toen de debuutroman werd bekroond met literaire prijzen - net zoals mijn Revu-voorgangers Karel Glastra van Loon en Kees van Beijnum hadden gepresteerd. Een hogere score dan bij de serieuze opinieweekbladen.
Robert Vuijsje (1970) werkte van 1997 tot 2007 bij Nieuwe Revu en van 2007-2009 bij dagblad De Pers. In 2008 verscheen zijn debuutroman ‘Alleen maar nette mensen’, bekroond met de Gouden Uil en de Inktaap. Zijn laatste boek heet ‘Maak de wereld beter’. Momenteel maakt Vuijsje iedere zaterdag een interview voor Het Parool en werkt hij aan een nieuwe roman.



Praat mee