— donderdag 9 maart 2023 10:09 | 0 reacties , praat mee

Reis van mijn leven. Koert Lindijer over 40 jaar correspondentschap in Afrika

Reis van mijn leven. Koert Lindijer over 40 jaar correspondentschap in Afrika
© Maaike Putman

Afrika-correspondent Koert Lindijer (69) kan na een correspondentschap van veertig jaar niet zomaar de stekker eruit trekken. Hij blijft met een journalistieke blik om zich heen kijken. ‘Journalistieke ogen zijn getrainde ogen die hard nodig zijn in een wereld vol propaganda en ander nepnieuws. Ik ben omdat ik schrijf. Zolang ik schrijf, voel ik me zeker', vertelt hij in dit verhaal dat hij zelf voor Villamedia optekende. Laatste wijziging: 9 maart 2023, 14:08

Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?

Mijn eerste reis maakte ik in een kinderwagen. Daarna stapte ik zelf de voordeur uit en ging op mijn step het blokje om. Als tiener wandelde ik in het Amsterdamse bos en vond troost in de overvliegende vliegtuigen. De drang te vertrekken was er vanaf het prille begin en is altijd onweerstaanbaar gebleven. Geboren en gemodelleerd in het gestileerde Nederland, verlangde ik van de weeromstuit naar avontuur in wetteloze streken. In Afrika kon ik me oneindig voelen. Ik wilde me aanpassen en integreren, en reizen door de ziel van andere, voor mij vreemde mensen.

De wereld van het nieuws was toen nog erg wit en Afrika vooral exotisch. ‘Anyone here been raped and speaks English?’ Deze boektitel van de Franse oorlogscorrespondent Edward Behr weerspiegelde het cynisme begin jaren 60 onder journalisten bij hun verslaggeving over de gewelddadigheden in Congo. Afrika was net onafhankelijk geworden, en het viel de westerse journalistiek moeilijk om met kennis van zaken over het continent te schrijven. De dekolonisatie van de westerse geest moest nog beginnen. Het Afrika-correspondentschap was een voortzetting van de koloniale instelling waarmee ontdekkingsreizigers als de journalist Morton Stanley anderhalve eeuw geleden op pad gingen.

‘Hoelang duurt jouw show?’, wilde de verslaggever van het Amerikaanse station over mijn radiowerk weten

In 1983 vestigde ik me in Nairobi als correspondent. Na de opkomst eind jaren 80 van de 24-uurs nieuwszenders zoals CNN voegden zich cameralieden bij het perscorps. Het eerste contact met een CNN-collega bracht me in verwarring. ‘Hoelang duurt jouw show?’, wilde de verslaggever van het Amerikaanse station over mijn radiowerk weten. Het was de eerste keer dat ik deze term hoorde die impliceerde dat journalistiek een soort entertainment is. Mijn krant NRC Handelsblad, het nest waarin ik het beroep had geleerd, was serieus en sober. Wat had een show met mijn vak te maken? Ik wilde een ouderwetse verhalenverteller zijn, meer een nomade die opgaat in het landschap dan een overhaaste journalist die er doorheen schiet.

De komst van de tv-ploegen had ook een positief effect op de manier waarop correspondenten verslag deden in Afrika. Hun werk stimuleerde ons aanschouwelijker te schrijven. De schrijvende pers moest zijn meerwaarde gaan bewijzen. Louter nieuws brengen voldeed niet meer. Toen ik begon bij NRC Handelsblad liep er een duidelijke scheidslijn, tussen nieuws en achtergrond en al helemaal tussen nieuws en opinie. Emoties doseerde ik in mijn teksten, immers: leed hoort bij oorlog, dat is geen nieuws, het moet een functie hebben in het verhaal.

Dat soort feitelijke berichtgeving was mogelijk omdat de schrijver zelf zijn beelden kon inzetten, hij had er een soort monopolie op. Toen eind jaren 80 de schrijvende journalisten collega’s van de internationale tv-stations naast zich kregen die baat hebben bij schokkende beelden, noodde ons dat mooie en beeldender verhalen te gaan maken. Droge analyses vielen moeilijk meer te pruimen, we moesten onze verhalen gaan inkleuren. Dat leek me een positieve beïnvloeding, maar soms dreigde de saus over het eten belangrijker te worden dan het gerecht zelf.

In de jaren 90 was het klassieke tijdperk ten einde gekomen waarin de reiziger/schrijver/journalist de alleenspraak had in de nieuwsvoorziening. Eerst de televisie en later het internet hadden zich bij de schrijvende pers gevoegd. Krantenbazen verminderden drastisch het aantal buitenlandse correspondenten. Ze gingen een steeds hogere winstmarge van hun bedrijven eisen, geld dat niet meer beschikbaar kwam voor dure journalistiek in het buitenland. Oorlogsjunkies en parachutejournalisten vervingen in toenemende mate de oude rotten die de normen hadden bepaald. 

Eind jaren 90 had ik het tijdperk van de postduiven achter me gelaten en mijn oude schrijfmachine bij de vuilnisbak gezet. Ik leverde geen bandjes voor de radio meer af bij een KLM-stewardess, zat niet meer achter stampende telexmachines of wachtte uren op een telefoonlijn naar Nederland om mijn verhaal aan een stenotypist te dicteren. Ik ging niet meer op reis met alleen een transistorradio en een opschrijfboekje en pen op zak, maar torste een laptop en satelliettelefoon mee en moest voortdurend telefonisch overleg voeren met de redacties in Nederland. Zo nam ik een deel van mijn thuis mee, kwam niet los van mezelf en kon maar moeizaam in de omgeving integreren. In mijn eerste tien jaar als correspondent was ik veel onafhankelijker te werk gegaan, maakte veel meer mijn eigen keuze en voelde veel minder de hete adem van bureauredacteuren in mijn nek.

De digitalisering beknotte mijn vrijheid en trok me dichter naar Nederland. Vroeger volgde ik primair mijn instinct, mijn eigen nieuwsgierigheid stuurde me aan, nu moest ik ook goed luisteren naar de wens van mijn werkgevers in Nederland die zeiden te weten wat lezers en luisteraars wilden horen en lezen.  Ik ervoer het als een omslag in mijn werk.

Tijdens mijn correspondentschap was ik in de jaren 80 en 90 van de ene oorlog naar de andere brandhaard gependeld. Bevrijdingsbewegingen waren in opmars en daar moest ik verslag van doen, omdat krijgsheren het voor het eerst niet opnamen tegen witte kolonisten maar tegen zwarte uitbuiters. Massamoord kon me niet meer schokken, gruwel leerde ik verbannen uit mijn brein, angst leerde ik beheersen. Dood en ellende lijden onder inflatie.

Dat is de lugubere extase van mijn vak. Aan de frontlinie ontstaat door de combinatie van journalistieke opwinding en extreem geweld een ideale situatie voor een explosie van seksuele lusten. Voor correspondenten is de behoefte aan seks herleidbaar tot die vreemde cocktail van angst, extase en de drang om te scoren. De vele copulaties daar waar de internationale media bijeenkomen zijn er een teken van. Het staat treffend beschreven in het boek ‘Emergency sex (and Other Desperate Measures)’: hulpverleners neukten in Somalië toen de kogels rondvlogen. Aan de frontlijn vloeien adrenaline en sperma samen.

Verscheidene collega’s heb ik verloren. Ik ben naar menige herdenkingsdienst gegaan van medejournalisten die voor hun tijd stierven, in Sierra Leone, Ethiopië, Zuid-Soedan en andere landen. In 1993 waren er in Nairobi vier grote plastic zakken uit Mogadishu gearriveerd met de lichamen van buitenlandse correspondenten. Tientallen journalisten kwamen om in Somalië sinds de burgeroorlog daar in 1991 begon, het gros standrechtelijk geëxecuteerd.

De radio en tv pasten zich als eerste aan het ik-tijdperk aan. Op hun lopende nieuwsband worden de consumenten op hun smaken geselecteerd en gevoed, met speciale platforms om de jeugd en andere doelgroepen te paaien. Kijk-, luister- en leescijfers beïnvloeden de journalistieke keuzes, zeker in radio- en televisieland. In die show wil ik niet optreden.

Hoewel ook NRC een opgesmukte krant is geworden, wist ze de aura van de beste krant van Nederland te behouden. Een adjunct-hoofdredacteur had eens laten vallen dat ik er bij zwaar financieel weer als eerste zou uitvliegen. Dat is niet gebeurd: mijn krant onderhield als enig dagblad in Nederland sinds de jaren 70 continue een correspondent in zwart Afrika en heeft vanaf de jaren 80 in mij geïnvesteerd. Vanaf de jaren 90 steunde ook de NOS me. Zij maakten de reis van mijn leven mogelijk.

Afrika’s rudimentaire infrastructuur in de jaren 70 en 80 leverde de ultieme test voor degene die door het reizen zijn limieten verleggen wilde. Op reis ontdoe ik me van zekerheden en sta ik op scherp. Journalistiek is een levensinstelling, hoe ik denk, hoe ik oordeel, hoe ik met mensen omga.

Ik heb over wasbordwegen gereden en op bergpaadjes en in zuigende moerassen gelopen. Ik manoeuvreerde over wilde rivieren en gleed boven de oneindige broccoli van de boomkruinen van het oerwoud. En toch, ik ben nog steeds niet uit gereisd, ik blijf mijn inspiratie halen uit wat er om me heen gebeurt, wat ik zie, wat ik ruik, wat ik voel, daarbij vertrouwend op mijn ervaringen en onafhankelijke observatie. Journalistieke ogen zijn getrainde ogen die hard nodig zijn in een wereld vol propaganda en ander nepnieuws. Ik ben omdat ik schrijf. Zolang ik schrijf, voel ik me zeker.

Koert Lindijer (1953, Rotterdam) was van 1979-1983 redacteur Afrika bij NRC Handelsblad. Van 1983 tot heden is hij corres­pondent Afrika voor NRC en NOS Radio. Hij woont in Nairobi (Kenia). Begin februari verscheen zijn boek ‘Een wolkenkrabber op de savanne’ (uitgeverij Atlas Contact, ISBN 9789045046129, 352 pagina’s, € 24,99).

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee