website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Portfolio fotograaf Ernst Coppejans: ‘Dit ben ik. Dit kan ik’

Frits Baarda — Geplaatst op dinsdag 14 mei 2019, 10:30

Portfolio Ooit ontwierp Ernst Coppejans producten, totdat een confrontatie in een aftandse Indiase fabriek zijn ogen opende. Fotografie werd zijn leven, bij de mens ligt zijn hart. Zijn keuze wordt beloond in de vorm van prijzen en voldoening.

De gemeenschappelijke trap geeft van het boven gelegen geheim nog niets prijs. De bekleding is van een onopvallend donkergrijs. Eenmaal aangekomen, opent zich achter de deur een paradijs vol kleuren, een modelwoning in wording, met dank aan de kringloop. De fotograaf heeft onlangs de muren een mintgroene en roze kleur gegeven.

Gegroepeerde vazen, kaarsen, een giraffehoofd en een gestileerde palm verlenen het inte­rieur wereldse trekken. Licht valt binnen vanuit de tuin, waar een reusachtige boom stadsgeruis buitensluit.

Onder het dak van de Amsterdamse etagewoning woont Ernst Coppejans (43) met zijn man en poes. In de woonkamer weet hij zich omringd door grote fotoportretten van eigen hand. Boven de televisie steekt een diepzwarte jongen een gigantische blauwe tong uit. Het is de bekendste foto uit diens veelgeprezen serie over homo’s in West-Afrika. Achter de wit betegelde keukentafel, kijkt een andere jongen vanuit een geel decor dwingend de kamer binnen. Zonder kleur geen leven.

De jongens zijn er niet voor niets, ze hebben Coppejans’ leven betekenis gegeven. ‘Die serie was voor mij letter­lijk en figuurlijk grensoverschrijdend’, zegt hij. ‘Het was mijn eerste keer in Afrika.’ De portretten die hij er van bedreigde gays maakte, vonden later hun weg naar museum de Fundatie in Zwolle. Daar was tijdelijk een pantheon van de beste Nederlandse fotoportretkunst ingericht. Coppejans vond zijn foto’s terug tussen de werken van fotografen tegen wie hij opkeek: ­Vivianne Sassen, Erwin Olaf en Anton Corbijn. ‘Ik werd er aanvankelijk zenuwachtig van. Mijn werk tussen die grootheden! Maar na een tijdje dacht ik: nu stoppen met twijfelen. Ga door, ook al is het griezelig en lukt het misschien niet.’

Het talent bleek sterker dan de twijfel. Opdrachten stroomden binnen, onder meer van de Volkskrant, Het Parool, LINDA. en Vrij Nederland. Zijn vrije werk kreeg een plek in galeries en musea. Hij won prijs na prijs, waaronder dit jaar de Paul Peters Prijs voor sociale fotografie, onderdeel van de Zilveren Camera. Het foto­festival in Naarden, dat eind mei begint, biedt ruimte aan zijn serie Sold, over slachtoffers van mensen­handel. Amerikaanse media als The New York Times, ­Washington Post en The New Yorker tonen hun belangstelling. Het onderwerp van de mensenhandel vond hij verrassend genoeg dichtbij huis. In Amsterdamse opvanghuizen benaderde hij voornamelijk vrouwen, die er bewust de luwte opzoeken. Hij fotografeerde ze anoniem, het gezicht afgedekt met doeken.

Coppejans: ‘Het project had een lange aanloop. Ik nam veel tijd voor onderzoek en het winnen van vertrouwen. Want wie wil er met zo’n geschiedenis voor de camera? Ik wist aanvankelijk echt niet hoe ik het moest aanpakken. Toen liet ik de controle los, totaal tegen mijn gewoonte in. Kunstlicht en bestaand licht gebruikte ik door elkaar. De kleuren gaven houvast. Uiteindelijk klopte het toch.’

De onderwerpen van zijn series – bedreigde homo’s, mannelijke sekswerkers en slachtoffers van mensenhandel – verraden een voorliefde voor de underdog. Mensen met een wringend verleden, maar ­vastbesloten toch iets van het leven te maken. Buitenbeentjes zijn het, misschien wel zoals hijzelf. ‘Een enorme bewijs­drang hebben ze. Ik zal je laten zien wat ik kan!’ ­Coppejans gaat rechter achter de tafel zitten, drinkt zijn kopje cappuccino leeg. ‘Als mensen je onderschatten, dat is het allerergste’, zegt hij nadrukkelijk. Het pesten was al op de lagere school begonnen en ging nog jaren door. Het was er altijd, iedere dag. Hij was gay, hij was anders. Op voetbal of hockey zat hij niet, dan val je er al snel buiten. Onder meisjes had hij vriendinnen, onder jongens niet. ‘Die meiden waren fantastisch, maar die jongens…dat eeuwige pesten, toch wel dramatisch.’

Alle pesters dient hij van repliek in de vorm van zijn foto­portretten. Ze zijn van een grote, rustige schoonheid, ze hangen in musea en aan zijn eigen muur. Hij staat op en loopt naar een grote foto van een jongen, liggend als een nymf in het water. ‘Dit kan ik’, zegt hij terug aan tafel. ‘Dit ben ik.’

De bewijsdrang komt uit hemzelf, het gevoel voor esthetica en kleurgebruik kreeg hij mee van zijn ouders. Vrij kort na zijn geboorte in het stille Zeeuwse Wissekerke verhuisden ze naar het Noord-Brabantse Veghel. Vader kon er directeur worden van een nieuwe basisschool; zijn moeder was lerares handvaardigheid en tekende veel. De kleine Ernst ging vaak mee naar musea en exposities. Zijn creativiteit werd er aangesproken.

Zijn hang naar vorm en esthetica vond aanvankelijk een uitweg naar het ontwerpen van producten. In Amsterdam (‘daar moest en zou ik heen’) volgde hij eerst een studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. De hogeschool Artemis, gespecialiseerd in styling en vormgeving, bracht hem verder. Hij leek zijn bestemming te hebben gevonden. Tot hij op een van zijn onderzoeksreizen naar India moest. Met schetsontwerpen voor een paar kandelaars in zijn koffer, ging hij op zoek naar een fabrikant van aluminium. Zijn geluk zou liggen in een bakstenen barak met golfplaten dak. Het bezoek aan de aftandse fabriek zou zijn leven veranderen.

‘Binnen was het donker. In de grond zat een groot gat, waar vuur uit kwam’, vertelt hij. ‘Daar omheen zaten kinderen. Ze smolten aluminium. Zo erg. En die lucht. Ik kreeg een klap in mijn gezicht. Fuck, dacht ik, wat doe ik hier? In de fabriek was geen enkele controle. En die kinderen maar werken. Ik schrok, ook van mezelf. Kwam ik naar India om een leuk setje kandelaars te maken. Nou, nee dus.’

Drie maanden later nam de productontwerper ontslag. Het ging nergens over, drong tot hem door, het ontwerpen van producten had geen enkele betekenis. Was er een alternatief? De fotoacademie in Amsterdam lonkte. Coppejans: ‘In een paar maanden tijd ging ik van product naar mens. Daar lag mijn hart. Fotograferen is mijn leven geworden.’

Uit de ontwerpwereld nam hij wel iets mee, namelijk zijn liefde voor vorm en kleur. Esthetiek was lang een verboden woord in de fotojournalistiek. ‘Als je een foto mooi maakte, werd het niet serieus genomen’, zegt hij. ‘Het moest rauw zijn en liefst in zwart-wit. Nu kan esthetiek weer wel, en dat is mooi. Ik wil dat een foto van mij een rustpunt is, te midden van al die herrie. We ondergaan dagelijks een bombardement van beelden. Ik wil dat de kijker even stilstaat.’ Zijn portretten passen bij de opmars van het genre, denkt Coppejans. ‘Het gaat de goede kant op. De wereld is behoorlijk vijandig, maar gelukkig komt in de beelden menselijkheid weer een beetje terug.’

Vorm en kleur kunnen daarbij helpen. Maar esthetiek mag geen doel op zich worden, vindt hij. Alle ingrepen moeten in dienst staan van de geportretteerde mens, die zich kwetsbaar maar ‘in zijn kracht’ overgeeft aan de fotograaf. Alles wat afleidt van de persoon, wordt uit de foto weggewerkt, opdat alle aandacht uit kan gaan naar de onbekende die zich blootgeeft.

De mensen moeten zich op hun gemak voelen. Alles staat of valt met het vertrouwen tussen hem en de geportretteerde. Geruststellen gaat hem goed af, heeft hij gemerkt. ‘Het is een vaardigheid die ik in mezelf heb ontdekt’, zegt hij. ‘Ik krijg veel van ze, ik ben vereerd dat ze met me willen werken. Zij krijgen ook iets van mij. Ik ben in mijn werk open en eerlijk. Als het nodig is, vertel ik ze ook mijn geschiedenis.’

De gedeelde verhalen gaan over vernederingen, uitsluiting en niet jezelf mogen zijn. Het kan Coppejans verontwaardigd maken, zoveel onrecht is niet te bevatten. Zijn woorden krijgen een filosofische toon: ‘Je krijgt wat je gegeven is, je groeit op waar je geboren bent. Dat zijn factoren die je niet in eigen hand hebt. Wat een geluk dat dit Nederland is, dat ik hier als gay woon. In West-Afrika is het heel anders, daar kun je niet zijn met degene van wie je houdt. En toch zitten ze er niet de hele dag te janken. Ze zien hun lot als onderdeel van het leven. Ze overleven en kijken niet op van een paar jaartjes gevangenis, waar ze worden ingegooid alleen maar omdat ze gay zijn. Die kracht wil ik laten zien.’

Voor zijn underdogs neemt hij alle tijd die nodig is. Zijn Afrika-serie kostte hem in totaal negen weken. Alle dagen werken, één middag aan het strand. Voor zijn serie over mensenhandel had hij twee jaar nodig. Research en vertrouwen winnen vergden een lange aanloop. De verhalen van de slachtoffers kwamen hard bij hem binnen, avonden lang zat hij met zijn man stil op de bank. Maar hij wist waarvoor hij het deed.

Dan die keer met de minister! Een betaalde opdracht, in drie minuten moest het gebeuren. ‘Drie minuten! Dat iemand überhaupt een planning heeft van drie minuten, daar snap ik niets van. Ik verwachtte een grijs pak en dus koos ik voor een grijze, betonnen muur. Ja, het werd een foto, maar er was niets aan. Nul voldoening.’

Mensen moeten hem raken, anders lukt het niet. De fotograaf zoekt naar woorden, maar ze zijn er even niet. Dan trekt hij zijn laptop naar zich toe en klapt hem open. ‘Kijk dit is Rwanda’, begint hij, terwijl in miniatuur een serie fotoportretten verschijnt. We zien kinderen met zelfgemaakt speelgoed, tegen gekleurde achtergronden.

Coppejans maakte de foto’s in opdracht van de organisatie Right tot play. Twee weken geleden keerde hij terug, de herinneringen zijn nog vers. ‘Een beeldschoon en heftig land. De gruwelijke volkerenmoord, precies 25 jaar geleden…’ De foto’s trekken op het scherm voorbij. Dan stopt hij en vertelt zijn verhaal: ‘Ik ben er naar de Genocide Memorial geweest. Dat heeft erin gehakt. Iedere keer dat ik erover vertel, moet ik janken. Kinderen, zoveel kinderen, een paar die je raken, die komen zo dichtbij…. ik ben helemaal niet van het janken, maar bij het afscheid moest ik me omdraaien. Ik wilde niet dat uitgerekend die kinderen mijn tranen zouden zien.’

Dan staat hij vanachter de tafel op. Kijkend naar de foto’s aan de muur: ‘Daarom hangen ze hier. Ik heb iets met die mensen gedeeld.’

Ernst Coppe­jans (Wissekerke, 1974)
Opleiding: 2006–2009 Photo Academy Amsterdam en 1997-2000 Artemis Styling Academy.
Opdracht­gevers: Onder meer Vrij Nederland, de Volkskrant, Volkskrant Magazine, Het Parool, LINDA., L’HOMO, FNV.
Prijzen: Paul Peters Prijs voor sociale fotografie (2019), SO Award (2015, Zilveren ­Camera, categorie portret serie (2014), SO award (2014) en Photo Academy awards (2009 en 2010).
Expositie: Van 25 mei tot en met 30 juni is Coppejans’ foto­serie over de slachtoffers van mensenhandel te zien tijdens het Fotofestival Naarden.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.