Meesterverteller worden?
Wat maakt een journalistieke productie verhalend? De jury van ‘Meestervertellers, de beste verhalende journalistiek van 2015’, hanteert daar vijf criteria voor. Alleen wie meesterlijk met die criteria omspringt maakt kans om in het online jaarboek van de Stichting Verhalende Journalistiek te komen. Jurylid en jaarboek eindredacteur Menno Bosma licht de criteria en juryoordelen toe aan de hand van de elf meester-publicaties van 2015. Ter lering.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Marjolein Slats. Ook lid worden?
1. PERSONAGES
Een goed verhaal staat of valt met heldere personages. Ze zorgen voor identificatie, belangstelling en verwondering. Sommige personages staan bovendien voor iets groters, weer andere brengen spanning in het verhaal.
Een personage kan een ‘ik’ zijn die samenvalt met de verteller. In 2014 werd deze vorm opvallend vaak gebruikt. De jaarboekjury sprak toen zelfs van een trend. In 2015 was de diversiteit groter. Het eerste personage dat in Waar was Joske gebleven? ten tonele verschijnt, is zelfs een landschap, de Overbetuwe. Deze streek, zo lees je, leent zich prima voor verdwijningen en er stroomt een rivier doorheen die ‘zijn kuren’ heeft.
Er lopen geulen waar je ze niet verwacht. Soms is het midden in de rivier amper twee meter diep, terwijl kort langs de wal acht meter diepe gaten zitten, veroorzaakt door de enorme schroeven van de boten. Achterop ligt er 1500 pk, op de boegschroef nog eens 600 om zo’n bakbeest van honderd meter lengte bestuurbaar te houden. Maar als de rivier het wil, dan drukt die zo’n boot als een vermolmde boomstam precies waar die hem hebben wil.
Na zo’n passage weet je: hier dreigt gevaar. Vervolgens verlegt Paul Teunissen de focus naar (onder meer) de broer van de verdwenen Joske. Wat ging er door hem heen na de verdwijning, wat ondernam hij? Dit zorgt ervoor dat je meeleeft. Het kan jou immers ook overkomen, dat een broer of zus verdwijnt.
Personages die conflicteren, brengen spanning in een verhaal. Een goed voorbeeld zijn de jager en de fanatieke dierenliefhebber uit Die kraai moet dood - Crow control. Eerst worden ze allebei uitgebreid geïntroduceerd, maar dan komen ze, midden in het verhaal, letterlijk en figuurlijk lijnrecht tegenover elkaar te staan. Wat het verhaal extra diepte geeft – zie ook het hoofdstuk over gelaagdheid – is dat de twee elk een wereld vertegenwoordigen, die van de jacht en die van de dierenbescherming, of, op een hoger abstractieniveau, die van de intolerantie en de tolerantie.
Ook in Koppig dorp komen twee hoofdpersonen tegenover elkaar te staan. Maar daar markeert dat - al heeft de oplettende kijker wel al wat voortekenen gezien – een verrassende wending in het verhaal. De projectleider van Project Ulrum 2034 en de supermarktmanager leken voor hetzelfde te staan: de redding van hun krimpende dorp Ulrum. Maar wanneer de projectleider in de plaatselijke Spar verschijnt, maakt de supermarktmanager hem ondubbelzinnig duidelijk dat hij wel wat vaker langs had mogen komen. Vanaf dat moment is de spanning in de documentaire tastbaar.
Er blijven natuurlijk ook gewoon ik-figuren die samenvallen met de verteller. Dat is onder meer zo in Hoe ik in een laadruim naar Engeland belandde en Uitgeveegd. Dat de auteurs hier voor de ‘ik’ kiezen, is terecht en laat zich eenvoudig verklaren. Hassan (pseudoniem van een Afghaans-Nederlandse journalist) doet zich voor als asielzoeker en maakt zoveel mee in de ‘jungle’ van Calais dat andere hoofdpersonages hem alleen maar voor de voeten zouden lopen. En aan de persoonlijke verdieping die Tinderaar Philippus Zandstra zijn verhaal meegeeft, zou nóg een tinderend personage afbreuk doen.
Soms laat een verhaal personages steeds weer los om naar volgende te gaan, zoals in Langs het front tegen I.S. Dat bevat een reeks portretten van ‘kleine helden’ die er het beste van proberen te maken onder abominabele omstandigheden. Hun diversiteit en soms onverwachte acties – een Yezidi-vrouw die misbruikte meisjes steunt door met ze te gaan shoppen bijvoorbeeld – geven een voor de westerse kijker moeilijk invoelbaar leven reliëf.
Het gebruik van meerdere personages kan helpen om een ogenschijnlijk hermetisch fenomeen meer dimensies te geven. Al hebben ze allemaal heimwee, het werken in de grauwe DDR werd door de teruggekeerde Mozambikanen die in Madgermanes figureren, verschillend ervaren. En een ogenschijnlijk duister en ondoordringbaar bolwerk als motorclub Satudarah krijgt in de documentaire Satudarah – One Blood menselijke trekjes doordat we huiselijke taferelen van sommige leden meebeleven.
2. SCÈNES
‘Show don’t tell’, oftewel: leg niet uit wat er aan de hand is, maar laat dat zien. Dat kan bij uitstek door het gebruik van scènes. Een met zorg gekozen en gemonteerde scène kan in één klap zelfs een groot en ingewikkeld probleem verhelderen.
De camera staat onbeweeglijk gericht op de met zijn vingers trommelende kassamedewerker van de Spar. Lange tijd gebeurt er niets. Dan komen er door het gangpad twee jongeren aangeslenterd. Ze zetten een blikje fris op de band, tellen 20 cent neer en lopen naar buiten. De supermarkt is weer leeg.
Dit shot uit de documentaire Koppig dorp, over een krimpend dorp in Groningen, brengt de problematiek van het leeglopende platteland indringender in beeld dan lange betogen van deskundigen doen.
Ook Satudarah – One Blood, over motorclub Satudarah, kan het geheel zonder deskundigen af, terwijl de subcultuur die erin wordt belicht toch tjokvol zit met voor buitenstaanders onbekende sociale codes.
Meteen in de eerste scène wordt een clublid dat uit de school heeft geklapt hardhandig tot de orde geroepen. In minder dan een minuut weet je als kijker twee dingen: dát er codes zijn en deels ook wat die behelzen. Een antropoloog of verklarende voice-over is niet nodig.
Scènes zorgen ook voor sfeer, zoals in de tijdschriftreportage De Belgische Greyhound – In het spoor van de langste buslijn.
Op de terugweg naar Luik zijn er slechts zeven reizigers. De chauffeur heeft de radio afgestemd op RTL en die zender waarschuwt voor ijsplekken en sneeuwval later in de nacht. Vanaf Wicourt is er geen wegverlichting meer. Wat daarstraks nog landschap was, is nu donkerte. Met alleen de schijnwerpers die de kleine reflectoren belichten in de bochten, en met ijle driftsneeuw die naar de koplampen wordt gezogen.
Er gebeurt weinig, maar je bent als lezer helemaal in de bus aanwezig.
In scènes kan ingezoomd worden op betekenisvolle details. In Langs het front tegen I.S. zit een vrouwelijke arts aan het front die haar patiënten uitgebreid ondervraagt over wat hen mankeert, om hen vervolgens steevast een blauwe of een witte pil voor te schrijven. Ze heeft simpelweg geen andere. Tekort, improvisatie en naastenliefde omarmen elkaar in deze scène zonder dat er enige toelichting nodig is.
Een scène kan ook worden gebruikt om een tijdperk neer te zetten, zoals gebeurt in Uitgeveegd. De eerste alinea introduceert de locatie, café Brinksma in Jubbega op vrijdagavond, en vertelt dat de schoenen uit moeten, want het is Sokkenbal.
Jan heeft al de hele week uitgekeken naar het Sokkenbal. Hij loopt de zaal binnen waar vandaag nog een bruiloft was en verleden week een gymnastiekuitvoering. Er staan geen tafels of stoelen, waardoor iedereen op de grond zit. Aan de ene kant van de zaal zitten de meisjes, aan de andere de jongens. Het midden blijft leeg.
Nergens wordt een jaartal genoemd, maar je weet, ook doordat er limonade wordt gedronken: dit speelt zich minstens een generatie terug af. En inderdaad, tijdens het Sokkenbal bloeide de liefde tussen de ouders van de auteur op.
Radio heeft zijn charme, maar ook zijn beperkingen. De radiomaker moet soms vertellen wat hij ziet, maar als hij dat te schools doet, wordt het saai. In In de voetsporen van Vincent van Gogh voeren radiomaker Joris Vergeyle en geïnterviewde Pascal Verbeken deze dialoog als ze aankomen bij het eindpunt van hun tocht, steenkoolberg Terril de l’Héribus:
Joris: ‘Een volledige parking voor ons alleen. Terril de l’Héribus.’
Pascal: ‘Daar heb je een klein sintelpad dat naar de voet van de Terril leidt.’
Joris: ‘Het is wel heel schilderachtig hè?’
Pascal: ‘Ja, Nederlands landschap kun je vergelijken met een schilderij van Mondriaan: strak, gelijnd. Het Borinage-landschap is een soort drip-painting van Jackson Pollock.’
Het is beeld, maar in geluid verpakt.
Een scène is in tegenwoordige tijd. Maar wat als je iets uit het verleden beschrijft? Zoom bijvoorbeeld in op een foto, zoals gebeurt in Toen Eddy Merckx niet meer was:
In ‘Merckx 525′ zie je Eddy z’n fiets tegen een muurtje zetten. Het doek is gevallen. Een oudere vrouw komt naar hem toegestapt, maar de 92-jarige Jérôme herkent haar niet. Zou nochtans een buurvrouw moeten zijn. Onder z’n worstenhelm heeft Merckx een petje, klepje vooraan. Dat is vreemd, want op een foto van tijdens de koers zit dat klepje achteraan. Gek dat hij dat na afloop zou omgedraaid hebben, onder die worstenhelm.
In de scène zit een raadsel vervat dat later wordt opgelost: er zijn twee foto’s verwisseld.
3. SPANNINGSBOOG
Een klassiek journalistiek stuk wikkelt de vijf w’s en één h (wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe) zo efficiënt mogelijk af. In verhalende journalistiek wordt meer een spel gespeeld met informatie. De maker gebruikt daarbij gereedschappen als vooraankondigingen, versnelling, vertraging, terugblikken en cliffhangers.
De verhalende journalist wil niet meteen onthullen, maar moet tegelijkertijd proberen de lezer bij de les te houden. Dat doet hij door zorgvuldig te doseren. Hij geeft informatie nog niet of maar gedeeltelijk prijs en bouwt de plot langzaam op, met een climax die doorgaans op tweederde van het verhaal ligt. Intussen speelt hij een geraffineerd spel met de tijd door vooruit- of juist terug te blikken, te versnellen en te vertragen en rust en actie af te wisselen.
Een bekende manier om de spanning er meteen goed in te brengen, is door het verhaal middenin een handeling (in medias res) te beginnen.
Het is een prachtige nacht voor een smokkelactie: volle maan, niet te koud en het gras is droog. Je kunt van die Koerdische smokkelaars zeggen wat je wilt, maar hun timing is perfect. Terwijl ik met een groep in het grasveld verstopt lig en de smokkelaars voor drie andere migranten – een man, een oude vrouw en een kindje – een geschikte vrachtwagen zoeken om in in te breken, vraag ik me gespannen af of ik er niet nu mee wil kappen. De noodzaak om echt weg te gaan is er voor mij immers niet.
Op deze manier, door meteen een stukje van de climax weg te geven, begint Hoe ik in een laadruim naar Engeland belandde. Hierdoor, en door de kop natuurlijk, word je als lezer meteen het verhaal in gelokt: je wilt weten hoe dit afloopt.
Ook Die kraai moet dood - Crow control begint in medias res.
Een donkerblauwe Ford Transit rijdt in alle vroegte over perron drie van station Hoek van Holland-Haven. Het busje stopt, een jager in zwart stapt uit, haalt een ladder uit het busje, zet hem tegen de overspanning van het perron en klimt over de krakende sporten de Westlandse hemel tegemoet, eeuwig verlicht door de kassen.
Na deze scène volgt tekst en uitleg, een procedé (scène gevolgd door toelichting) dat de auteur vaker toepast in zijn verhaal.
Je kunt de spanning ook subtiel opvoeren, zoals in Koppig dorp gebeurt. Lang lijk je naar een klassieke documentaire te kijken, die de leegloop van het platteland verbeeldt door in te zoomen op één dorp. De personages lijken gekozen wegens hun sleutelrollen in het dorp. Maar gaandeweg blijken ze óók gekozen omdat ze met elkaar conflicteren. Krimp, zo komt pijnlijk aan het licht, verbindt niet alleen, maar splijt ook.
Van een natuurlijke spanningsopbouw is vaak sprake bij een tocht met een doel. In In de voetsporen van Vincent van Gogh zijn radiomaker en geïnterviewde op zoek naar plekken waar Vincent van Gogh gewoond en gewerkt heeft, met als eindpunt de veel door hem geschilderde steenkoolberg Terril de l’Héribus. Samen met de twee gidsen bereikt de luisteraar het – in dit geval ook letterlijke – hoogtepunt van de documentaire.
In De Belgische Greyhound – In het spoor van de langste buslijn draait het meer om de tocht zelf dan om het doel ervan. On the road, merendeels in de bus zittend, registreert de auteur simpelweg wat zich aandient. Maar ook dan is hij geen gevangene van de chronologie of het toeval; de verhalende journalist kan een vertelling altijd zo componeren en doseren dat de aandacht van de lezer gevangen blijft. Jan Hertoghs doet dat door de reportage-elementen af te wisselen met gesprekken met oud-chauffeurs en een ‘beschermheilige’ van de buslijn.
Online-productie Langs het front tegen I.S., die van personage naar personage springt en bij niemand lang blijft hangen, ontbeert een spanningsboog van begin tot eind. Dat is opgelost door binnen de mini-verhaaltjes spanning te creëren, en door rust en actie af te wisselen. Zo zie je het ene moment een vanuit een terreinwagen gemaakt schokkerig filmpje en het andere moment een vrijwel stilstaand shot van de bergen met daar overheen een informatieve tekst over de Koerden.
4. VERTELLER
De verteller kleurt de gebeurtenissen en betrekt de lezer, kijker of luisteraar bij het verhaal. Er kunnen meerdere vertellers zijn, die voor diversiteit en spanning zorgen, maar ze kunnen ook verwarring creëren.
Zoals eerder opgemerkt waren in de verhalende journalistiek in 2014 de makers prominent aanwezig. Ze figureerden in hun verhalen doorgaans als een belevende ‘ik’, die de gebeurtenissen aan den lijve ondervond en de lezer daar direct bij betrok. Het voordeel van zo’n ik-verteller is dat die je deelgenoot kan maken van zijn of haar gedachten.
In 2015 kwam die ik-vorm minder voor en kenden veel verhalen een alwetende of personale verteller of werden er meerdere perspectieven gehanteerd. Veel voorkomend was vooral de personale (of ook wel onzichtbare) verteller. Die geeft het perspectief van één personage weer en heeft als voordeel dat de lezer, net als bij de ‘ik’, in diens hoofd kan kruipen. Nadeel is weer dat personale vertellers een gekleurde kijk op de zaak hebben en dus niet altijd betrouwbare informatiebronnen zijn.
Een verhaal kent soms verschillende personale vertellers. Zo ligt in Waar was Joske gebleven? het perspectief de ene keer bij broer Gerard en de andere keer bij de hoofdrechercheur die de vermissing onderzocht. Maar er is ook een alwetende verteller, die onder meer het landschap introduceert. De verdwijning van Joske wordt zo vanuit verschillende perspectieven belicht, wat het verhaal afwisselend en levendig maakt.
Het personale perspectief kan in allerlei vormen worden gegoten, zoals deze innerlijke monoloog in Die kraai moet dood - Crow control demonstreert.
Of ook die huiskraaien nu zo schadelijk zijn? Het gaat hem om de eer. De opdracht die hij kreeg van provincie Zuid-Holland om de 27 huiskraaien in Hoek van Holland te beperken noemt hij ,,een topuitdaging”. De moeilijkste klus uit zijn carrière. Dan stop je niet voordat je ze allemaal hebt.
Door dit kijkje in het hoofd van de jager begrijp je diens overwegingen beter en krijg je begrip voor hem.
In hetzelfde verhaal gebruikt Freek Schravesande ook voor de alwetende verteller een bijzondere vorm.
‘Hart.’
‘Nier.’
‘Lever.’
‘Milt.’
Met deze vier onder elkaar geplaatste woorden begint een beschrijving van een prepareersessie. Intrigerend maar effectief.
Wat te doen als een hoofdpersoon overleden is? Je kunt hem als alwetende verteller beschrijven, zoals bij Joske gebeurt, maar je kunt hem ook een eigen stem geven. In In de voetsporen van Vincent van Gogh komt Vincent zelf verschillende keren sprekend aan bod: een anonieme stem leest brieven voor die hij vanuit de Borinage stuurde. De voorgelezen passages corresponderen steeds met de plekken waar de makers van de documentaire zich op dat moment bevinden, wat een mooie verwevenheid van heden en verleden (en van verschillende perspectieven) oplevert.
Maar er blijven dus belevende ‘ikken’ opduiken, die van alles meemaken en samenvallen met de auteur, waarmee het genre zich onderscheidt van fictie, waar auteur en ‘ik’ niet automatisch dezelfde zijn. Belevende ‘ikken’ geven het verhaal meerwaarde, want het doet je wat als lezer dat Hassan Hoe ik in een laadruim naar Engeland belandde bijna niet had overleefd. En dat Philippus Zandstra in Uitgeveegd in een serieuze date belandt, vergroot niet alleen je betrokkenheid met hem, maar ook je waardering voor zijn vakmanschap, want door alle emoties heen moet hij de voor een journalist zo broodnodige distantie maar zien op te brengen…
Maar ook zonder dat er sprake is van levensgevaar of liefdesperikelen kan de ‘ik’ iets toevoegen. Soms is het genoeg dat hij zichzelf blijft. In het geval van De Belgische Greyhound – In het spoor van de langste buslijn resulteert dat in wat de jury een ‘natuurlijke parlandostijl zonder effectbejag, opsmuk of schoonschrijverij’ noemt. Een fragment:
Voorin zittend zie ik het gemak waarmee de chauffeur over de gladde wegen rijdt. Met 75 per uur en nog altijd met één hand nonchalant aan het stuur. Zo boort de bus zich door de duisternis, de ramen geven hun licht aan de sneeuw langs de weg, boven het hoofd van de chauffeur leidt een non-stoppraatprogramma z’n eigen leven. De Franse radiostem heeft het over geweld in het voetbal nadat in Nederland een grensrechter is doodgeslagen. Actualiteit van deze planeet, maar nu heel veraf, dit is een andere baan om de aarde.
5. GELAAGDHEID
Een gebeurtenis die geen nieuwsbericht in de krant waard is, kan prima als basis fungeren voor verhalende journalistiek. Extra mooi is het als die gebeurtenis een bredere maatschappelijke ontwikkeling representeert of ergens symbool voor staat. Net als in goede literatuur ontstaat er dan gelaagdheid.
Een mooi voorbeeld van een verhaal met meerdere lagen is Die kraai moet dood - Crow control. In directe zin gaat het stuk over de jacht op kraaien. Tegelijkertijd bevat het allerlei verwijzingen naar het allochtonendebat. Het thema leent zich hier uitstekend voor. De vogels waar jacht op wordt gemaakt, staan te boek als ‘invasieve exoten’ – zie die bal maar eens niet in het doel te koppen.
Op filosofisch niveau was intussen discussie losgebarsten over wat een ‘exoot’ in deze samenleving eigenlijk nog is. Was niet iedereen wereldburger? Heet dit niet gewoon evolutie? Was Columbus dus ook een invasieve exoot?
Op de markt in Hoek van Holland ging het vooral over de positie van de allochtoon. ‘Van onze huiskraai blijf je af’, was de teneur. “Nijlganzen, schiet die maar af”, zei een man bij de viskraam. “Dát zijn buitenlanders.”
Wanneer ook nog een Comité Huiskraaien Onderduik ten tonele verschijnt, komt zelfs de Tweede Wereldoorlog in beeld. Het comité heeft zich ten doel gesteld om kraaien te laten onderduiken, zodat de jacht – die pas geslaagd heet als alle kraaien afgemaakt of gevangen zijn – zinloos wordt. De ironie wil dat het comité daarvoor hetzelfde moet doen als de jager: kraaien vangen. De plannen sneuvelen als blijkt dat zelfs een tweedehands schietnet op Marktplaats al 1300 euro doet, ‘nog exclusief de CO2-patronen’.
Een kenmerk van veel verhalende journalistiek is dat die op het kleine inzoomt om het grote te vangen. Hassan en Hoe ik in een laadruim naar Engeland belandde staan in zekere zin voor de hele vluchtelingenproblematiek, Ulrum en Koppig dorp voor de leegloop van het hele platteland, de personages in Madgermanes voor alle arbeidsmigranten, Philippus Zandstra en Uitgeveegd representeren in zekere zin de hele datingtrend. Al die verhalen zeggen iets over die grotere thematiek of worden in die context gepresenteerd. Daardoor bezitten ze uit de aard der zaak al een zekere gelaagdheid.
Lees/bekijk/beluister dit, luidt de boodschap, dan kom je vanzelf meer aan de weet over vluchtelingen/krimp/dating.
Het subthema van Meestervertellers was ‘Op drift’, vanwege de vele dolende en zoekende personages. Opvallend in de oogst van 2015 was ook het grote aantal verhalen – vooral uit Vlaanderen – over zaken die verdwijnen, zoals de telefooncel. In een wereld waarin de veranderingen harder gaan dan ooit en ze een steeds diffuser patroon vertonen, verliezen we kennelijk onze greep op het grote geheel en zetten we – hoe ogenschijnlijk tegenstrijdig ook - voor duiding en houvast het vergrootglas op het kleine en stuurloze. Die beweging naar het kleine kenden we al van de globalisering, die de grote wereld kleiner en bereikbaarder maakte, maar grappig genoeg een hernieuwde hang naar het lokale met zich meebracht.
Het ontsluiten van microkosmossen met eigen regels en een eigen logica en het nauwgezet volgen van minieme korreltjes in de woelige wereldzee biedt tegenwicht aan de verpletterende hoeveelheid gefragmenteerde informatie die dagelijks op ons af komt. Het geeft de journalistiek een extra laag. Van dichtbij lijkt alles misschien erger, maar het wordt er ook herkenbaarder door en biedt daardoor meer houvast.
Meer uit het dossier Meestervertellers
‘Ik was niet het verhaal’. Een interview met verhalend journaliste Adrian Nicole Leblanc
Tijd lijkt kostbaarder dan het is. Freek Schravezande en Peter de Krom over de totstandkoming van hun longread ‘Crow control’
De elf van 2015
Waar was Joske gebleven?, Paul Teunissen, Vrij Nederland
Die kraai moet dood - Crow control, Freek Schravesande, nrc.next
Koppig dorp, Jaap van ’t Kruis en Marco Nauta, EO
Hoe ik in een laadruim naar Engeland belandde, Hassan, de Volkskrant
Uitgeveegd, Philippus Zandstra, Fosfor
Langs het front tegen I.S., Rudi Vranckx, Canvas
Madgermanes, Laura Stek, VPRO
Satudarah – One blood, Joost van der Valk en Mags Gavan, NTR
De Belgische Greyhound – In het spoor van de langste buslijn, Jan Hertoghs, Humo
In de voetsporen van Vincent van Gogh, Joris Vergeyle, VRT
Toen Eddy Merckx niet meer was, Rik Van Puymbroeck, Bahamontes
Alle producties, met toelichting van jury en makers, zijn hier te vinden.


Praat mee