— vrijdag 23 januari 2015, 14:48

­Literatuur is verzonnen, journalistiek niet. Punt uit.

© Annaleen Louwes

Journalist van het Jaar Olaf Koens is fan van het werk van Volkskrant-journalist én romancier Toine Heijmans. Daarom vroegen we hem een betoog te schrijven over het genre van de literaire journalistiek. Heijmans: ‘Sinds ik zelf romans ben gaan schrijven, is de Styx tussen journalistiek en literatuur alleen maar dieper en breder geworden’.

Literaire journalistiek bestaat niet, laat ik zo beginnen. Er stroomt een rivier even dreigend als de Styx tussen de journalistiek en de literatuur: je kunt er met een bootje overheen en weer terug, en dat gaat geregeld goed, maar het is nooit zonder gevaar. Wee degene die overboord gaat – de voorbeelden zijn bekend.

Literatuur is verzonnen, journalistiek niet. Punt uit.

Maar ik begrijp wel waar Olaf Koens het over heeft als hij de term literaire journalistiek gebruikt, en als hij zegt ervan te houden. Ik hou er ook van. Hele goede journalistieke schrijvers maken hun verhalen tijdloos door literaire technieken te gebruiken. Mij interesseert de daklozenopvang in Praag aan het begin van de twintigste eeuw niet bijzonder, behalve als Egon Kisch erover schrijft. Die zinnen – bijna honderd jaar oud! – vreet je op en als je het uit hebt ben je blij van alles te weten over de daklozenopvang in Praag aan het begin van de twintigste eeuw. Omdat je daar met Egon bent geweest.

Maar is dat literaire journalistiek? Ik zou het nooit zo noemen, omdat journalistiek journalistiek is, en omdat het een grote druk legt op iedereen die zich er weleens aan waagt, of denkt zich eraan te moeten wagen: O God, vandaag moet ik literaire journalistiek bedrijven.

Een ANP bericht van zes regels is journalistiek: wie-wat-waar-wanneer-waarom, en alles móet kloppen. Een interview van John Schoorl, verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant, is journalistiek, ook al is er geen aanhalingsteken in te bekennen – het is Schoorls stem die je meeneemt naar het leven van Renate Groenewold of van Thomas Dekker, maar het blijven altijd Renate Groenewold en Thomas Dekker. Daar is geen woord van gelogen. Een tweet van Olaf Koens is journalistiek: ‘geen Nederlandse waar meer te krijgen in Moskou’, foto erbij, klopt allemaal. Een reportage van Arnon Grunberg is journalistiek – want hij zát in dat vliegtuig naar Afghanistan en hij sprák met Nederlandse soldaten op weg daar naartoe en een van hen vertelde hem daadwerkelijk over het stuk kaas dat hij had meegenomen van huis, en wat de beste manier zou zijn om die kaas straks te snijden in het kamp, en te verdelen onder zijn maten. Dat beeld, de militair en zijn kaas, is alles waar ik aan denk als het gaat over onze jongens in Afghanistan.

Maar tegelijk zijn alle andere stukken van andere journalisten over Afghanistan – de kortjes, de berichtjes, de primeurs, de interviews, de analyses, de reportages, de meningenstukjes – heel hard nodig om dat stuk kaas op zijn plaats te zetten. Want anders zou ik geen idee hebben, waar Grunberg het over heeft.

Journalistiek is de manier waarop we ons rekenschap geven van het heden, op alle mogelijke manieren, dat is misschien een goede omschrijving. Gejat uiteraard van Johan Huizinga, die als historicus in wezen ook een soort van journalist was. En die heel goed kon schrijven. Zijn boeken hebben een literaire kwaliteit – wat dat ook mag zijn (hij gebruikte de stijl van de Tachtigers). Maar wat hij vertelt over de late Middeleeuwen, is altijd terug te voeren op bronnen, en op Huizinga’s vermogen zo goed en zo kwaad als het gaat onderscheid te maken tussen feit en fictie.

Dat is de taak van een journalist. Een romanschrijver heeft andere besognes.

Het gekke is: sinds ik zelf romans ben gaan schrijven, is de Styx alleen maar dieper en breder geworden. Ik check mijn stukken voor de krant vaker dan voorheen. Als ik ze nog eens doorlees, vlak voordat ze naar de eind­redactie gaan, blijft mijn oog vaker hangen aan woorden of namen waarvan ik nog maar een keer zeker wil weten of ze kloppen. Mijn angst om fouten te maken is toegenomen, nu ik ook verzonnen verhalen schrijf.

Dat klinkt dramatisch maar is het niet. Literatuur en journalistiek hebben hetzelfde doel: een verhaal vertellen. Een roman kan journalistiek verteld worden. Een journalistiek verhaal kan literair verteld worden, met alle prachtige gevolgen van dien. Lees de boeken van Frank Westerman, een van de beste Nederlandse schrijvers. Mij interesseerde het lippizanerpaard nooit bijzonder, totdat ik ‘Dier, bovendier’ las. Het is Westerman die me bij de teugels nam, en leerde hoe een reinbloedig paardenras onderdeel werd van de Europese geschiedenis.

Als journalist, want dat is hij, en wat hij schrijft is waar, of in elk geval waar genoeg. Als Westerman schrijft dat er 3952 koeien zijn omgekomen in de Nyosvallei in Kameroen (in zijn boek ‘Stikvallei’), dan zijn er 3952 dode koeien geteld. Dat aantal is niet verzonnen.

De boeken die hij maakt, worden onder het kopje ‘literaire non-fictie’ geschikt, zoals bepaalde thrillers ook een sticker krijgen met de woorden ‘literaire fictie’. Marketingstempels die alleen maar zeggen: let op, dit is goed en intelligent opgeschreven. Een tijd geleden stelde Westerman de termen ‘frictie’ en ‘non-frictie’ voor: boeken die je raken, versus boeken die dat niet doen. Interessant idee. Maar het zegt alleen iets over het meesterschap van een schrijver, niet over het waarheidsgehalte van een boek of een nieuwsbericht.

Literaire journalistiek heeft een probleem. En het probleem heeft een naam en die naam is, daar kwam ik iets te laat achter, Egon Kisch. Ik denk dat hij, en niet Tom Wolfe, noch Gay Talese, een van de belangrijkste uitvinders is geweest van wat ‘new journalism’ is gaan heten. Egon Kisch werd wereldberoemd door zijn eigen­gereide reportages, waarvan de bekendste bundel in 1924 verscheen: ‘Der Rasende Reporter’ – ‘De Vliegende Reporter’ in de prachtige Nederlandse vertaling uit 1999, die nu alleen nog tweedehands te krijgen is. Enkel naar het omslag kan ik uren staren: man met een Clark Gable-achtig hoofd, telefoonhoorn in zijn linkerhand, brandende sigaret tussen wijs- en ringvinger van diezelfde linkerhand, intens bezig met iets belangrijks. Egon Kisch! Hij rookte de hele dag door en dronk de hele dag koffie en schreef dat ook op – dit was het nieuwe aan zijn journalistiek: hij schreef over zichzelf, beter nog: hij maakte zichzelf tot onderdeel van de gebeurtenissen die hij versloeg.

Zijn reportage uit het daklozenhuis in Praag kwam niet van de verslaggever Kisch, maar van de dakloze Kisch, die vermomd in de rij was gaan staan. Zijn verslagen uit de Eerste Wereldoorlog kwamen niet van de verslaggever Kisch maar van korporaal Kisch. Van geen enkele reportage die ik ooit las heb ik gedroomd, maar van deze kreeg ik nachtmerries: hoe de manschappen, dampend van kou en ongeluk, hun ondervoede lijven terugtrokken van de Servische frontlijn en hoe een lompe meerdere bleef schreeuwen dat ze door moesten lopen, de kogels in. Hoe ze te weinig bootjes hadden om de rivier de Drina over te steken, en hoe sommigen zich vastklampten aan de rand van die bootjes en daar door hun kameraden vanaf werden getrapt, het water in. Kisch hing ook aan zo’n rand. Hij overleefde door zwemmend de goede oever te bereiken.

Maar naar het einde van dat boek komt de twijfel. De verhalen die Kisch vertelt, zijn schitterend, vaak te schitterend om waar te zijn. Dat geeft hij zelf ook toe. Kisch ontwikkelde er een theorie over, die van de ‘logische fantasie’: niet alles in de journalistiek hoeft waar te zijn, als het maar logisch te verklaren is.

Het hád kunnen gebeuren – dat was voor hem genoeg.

Dat kan en mag, schreef Michaël Zeeman in de Volkskrant in een recensie over het boek, want Kisch was in staat feiten te verzinnen die wel móesten deugen. ‘Niet alles hoeft naar de letter te kloppen en je hoeft zeker niet alles wat je opschrijft ook werkelijk zo te hebben waargenomen, als het maar had kunnen kloppen en als de verdichtingen maar bijdragen aan de leesbaarheid van het verhaal.’

Ik begrijp dat niet. Ik begrijp (en juich toe) dat een journalistiek verhaal verteld kan worden met het gereedschap van een literair verhaal, waarin de schrijver zelf een rol kan spelen, en waarin aan alles wat ze je leren op de scholen voor journalistiek voorbij wordt gegaan. Dat is de kracht van wat tegenwoordig ‘narratieve journalistiek’ heet: buiten de lijnen schrijven, grote gebeurtenissen uitleggen aan de hand van kleine details, je rekenschap geven van je eigen subjectiviteit. Journalistiek die langer houdbaar is dan een dag of wat, die vertelt met brede armgebaren en zoekt naar diepere lagen. Tom Wolfe gebruikt de werkelijkheid om er een roman op te bouwen, een narratief journalist gebruikt de werkelijkheid om er journalistiek op te bouwen, en daarbij zijn alle middelen geoorloofd. Dat het verschil.

De journalist die feiten verzint om het verhaal ermee te dienen, valt in de Styx. Zie Ryszard Kapuscinski, de journalistieke held die achteraf ook een hoop verzonnen had.

Ik weet wat u nu denkt: de waarheid bestaat niet. Dat klopt. De waarheid bestaat niet en zelfs dat is niet waar. Maar dat geeft de journalist niet het recht de waarheid dan maar bij elkaar te verzinnen, omdat het hem goed uitkomt bij het componeren van een verhaal. 3952 dode koeien zijn 3952 dode koeien. Punt uit.

‘De Razende Reporter’ – ik moest aan het boek denken ook vanwege Perdiep Ramesar, de fabulerende verslaggever van Trouw, die als twitteraccount heeft @razende­ ramesar. Het is verhelderend om het verslag te lezen van de commissie die zijn fraude onderzocht. Dan zie je hoe gemakkelijk dat gaat, iets verzinnen. Nog steeds weet niemand wat Ramesar bewogen heeft – hij houdt zijn mond dicht – maar ik denk: omdat de wereld buiten ingewikkelder, saaier, slomer en gewoner is dan een verslaggever zou willen. Omdat de straat nooit voldoet aan de ideeën die je er zelf over hebt, of van anderen hoort. Omdat het heel veel toewijding, tijd en wilskracht kost (plus geluk) om een verhaal te schrijven dat uitsteekt boven de rest, dat je meesleept, dat ‘frictie’ is. De enige manier om daaraan te ontsnappen, is keihard werken, of dingen gaan verzinnen.

Nieuwe journalistiek, zei Gay Talese in een interview, ‘is better than fiction because it’s real’.

Hoe zou ik dat noemen? Oude journalistiek, fantastisch opgeschreven.

Toine Heijmans (1969) is algemeen verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft twee keer per week een column. Daarnaast schrijft hij romans, waarvan de eerste, ‘Op Zee’, een groot aantal vertalingen kreeg, en literaire prijzen won in Frankrijk. Dit jaar verscheen de tweede: ‘Pristina’. Heijmans is ook een van de scenarioschrijvers van de dramaserie De Fractie.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.