— dinsdag 15 april 2014, 16:24 | 0 reacties, praat mee

Ook journalisten is niets menselijks vreemd

Journalisten zouden een voorbeeld kunnen nemen aan oud-koningin Beatrix, aldus Thomas von der Dunk. Beatrix hield keurig in opschrijfboekjes bij wat ministers zoal aan vaststaande waarheden opdisten om hen daar jaren later mee te confronteren als ze plotseling het tegendeel gingen beweren.

Het is inmiddels een cliché, maar soms zijn clichés wel raak: voorspellen is moeilijk, vooral als het de toekomst betreft. Dat geldt ook voor journalisten en specialisten. Ruim twee decennia geleden werd ik voor het eerst met de neus op dat feit gedrukt, toen het om Algerije ging. De oorzaak daarvan vormt een andere cliché-wijsheid: dat in de krant van vandaag, morgen de vis wordt verpakt. De betekenis: wat je vandaag zegt, is morgen toch vergeten – dus niemand roept je nog ter verantwoording als je toen iets hebt beweerd dat achteraf onzinnig blijkt. Niemand die de krant van gisteren er nog even bij pakt. Zo werkt het inderdaad te vaak in de journalistiek: het eigen geheugen is kort, en daarom komen politici – maar ook deskundigen – vaak te gemakke­lijk weg.

Een fraai voorbeeld vormde tijdens de Irak-oorlog, Arend Jan Boekestijn, die om het halve jaar met een ander argument kwam aanzetten, waarom Bushs’ inval met de kennis van nu toch echt gerechtvaardigd was, nadat het vorige argument op drijfzand bleek te zijn gebouwd. Geen tv-interviewer die hem toevoegde: ‘dit kunt u nu wel zo stellig beweren, maar vier maanden terug zei u toch echt iets heel anders.’

Journalisten zouden – ik zeg het als republikein niet snel – vaker een voorbeeld kunnen nemen aan oud-koningin Beatrix, die keurig in opschrijfboekjes bijhield wat ministers zoal aan vaststaande waarheden opdisten, en hen daar jaren later mee confronteerde als ze plotseling het tegendeel waren gaan beweren. Oud-premier Dries van Agt heeft zich eens laten ontvallen dat het voelde alsof hem een examen werd afgenomen. Maar daar is niets op tegen.

Misschien ben ik een uitzondering, maar bij mij wordt in de krant van vandaag niet morgen al de vis verpakt. Ik kom namelijk niet altijd direct aan alle stukken toe. Die kunnen zo soms maanden ongelezen blijven liggen. Een buitenlandse vakantie vormt dan de gelegenheid om de hele resterende stapel alsnog door te werken. Een archeoloog zal over een paar eeuwen mijn per motor afgelegde reisroute kunnen reconstrueren aan de hand van in vuilnisbakken aangetroffen oude Nederlandse krantenpagina’s. Dat die hun acute actualiteitswaarde reeds verloren hebben, is voor historici geen onoverkomelijk probleem. Die kunnen nog steeds opgewonden raken over een heet van de naald geschreven reportage over de Slag bij Waterloo. Zulke door de nieuwe waan van de dag achterhaalde stukken winnen daardoor voor hen soms zelfs juist aan zeggingskracht.

Dat gold eveneens voor het stuk over Algerije in NRC Handelsblad, waarop ik eerder doelde. Het was van de hand van een vermaarde buitenlandse Algerije-kenner en geschreven ruim vóór de bewuste verkiezingen. Ik las het ettelijke maanden erna. Strekking: het was volslagen ondenkbaar dat het Front Islamique du Salut (FIS) – een fundamentalistisch-islamitische organisatie die invoering van de sharia voorstond – de verkiezingen zou winnen. Inmiddels wisten we beter: het FIS had de eerste ronde met overmacht gewonnen, waarna de regering tot opluchting van velen de tweede ronde afblies en in feite een soort militaire dictatuur installeerde. De dilemma’s die nu in Egypte en Syrië spelen – wat is erger: seculiere tirannie of religieuze ‘democratie’? – speelden toen ook hier.

Datzelfde dilemma werd in de media onvoldoende gezien toen ruim drie jaar geleden de zogeheten Arabische Lente uitbrak – een term die, nu de euforie over is, intussen weer in onbruik is geraakt. Ook veel journalisten lieten zich toen in hun enthousiasme meeslepen: eindelijk werd hiermee bewezen dat ook Arabieren ‘gewone mensen’ waren, ‘net als wij’, die ook een beschaafde democratie en rechtsstaat verlangden – en daarmee het ongelijk van allen, die meenden dat er van eeuwenou­de culturele verschillen tussen de Europese en Arabische samenlevingen sprake was die zich niet één-twee-drie door een enkele opstand lieten uitvlakken. Die honderdduizenden jonge demon­stranten op het Tahrirplein wilden toch precies zo leven als wij in het Westen?

Het waren er inderdaad op het hoogtepunt zo’n half miljoen. Maar Caïro telt meer dan tien miljoen inwoners, dus de cruciale, te weinig door journa­listen ter plaatse gestelde vraag luidde: wat vinden eigenlijk die andere negen-en-een-halve-miljoen? De door de demonstranten afgedwongen verkiezingen gaven het antwoord. De moderne jongeren werden bij gebrek aan organisatie, programma en substantiële aanhang weggevaagd. De keuze ging tussen de voorman van de islamistische Moslimbroeder­schap en een zetbaas van het oude militaire bewind.

In Syrië speelt nu als gevolg van de religieuze verdeeldheid hetzelfde, met al zijn gruwelijke consequenties. Twee jaar lang kregen we van journalisten die jarenlang in het Midden-Oosten hadden gebivakkeerd, te horen dat het bewind van Assad nu toch echt op zijn laatste benen liep. Ik moet zeggen: ik zag het toen niet en zie het nu nog evenmin. De wens bleek hier teveel de vader van de gedachte, en inmiddels blijkt – hoe bitter ook – het Westen zich stilzwijgend achter de Russische invalshoek te hebben geschaard. Niet de vraag wat ideaal is, maar de vraag wat het minste kwaad is, domineert thans. De pers is daarin gaandeweg gevolgd.

Wat we in het Midden-Oosten zien is eerder een herhaling van 1848, dan van 1989: een proces van actie-en-reactie van revolutie en autocratie, geen vloeiende overgang van dictatuur naar democratie. 1989 was een uitzondering, die slechts mogelijk was omdat de Midden-Europese landen vanouds al heel Europees waren, en de civil society door het communisme weliswaar aangetast, maar niet verdwenen was. Voor journalisten is 1989 teveel de maatstaf geworden voor wat elders toch ook mogelijk zou moeten zijn – om te beginnen verder oostwaarts, in Wit-Rusland, Georgië, Oekraïne en Rusland zelf. Hier, bij de zogeheten kleurenrevoluties, zien we vaak dezelfde foute inschatting als het om de democratiseringskansen gaat: men verkijkt zich op het demografisch-electorale gewicht van de westers georiënteerde kosmopolitische demonstranten in Kiev, Minsk en Moskou, en onderschat het gewicht van de conservatief-nationalistisch-religieuze tegenpartij. In die onderschatting lijkt systeem te zitten.

Hoe komt dat? Ook journalisten is niets menselijks vreemds. Dat betekent dat ook zij zich aan de menselijke neiging de wens de vader van de gedachte te laten zijn, niet altijd weten te onttrekken. Bovendien zullen ook zij eerder geneigd zijn hun oor te luisteren leggen bij mensen met wie zij zich, als moderne westerlingen, meer verwant voelen. Zo’n gesprek is altijd prettiger dan met een rabiate antisemitische ultranationalistische diepreli­gieuze homofoob. Die laatsten zullen zich, omgekeerd, ook moeilijker laten interviewen door westerse journalisten die, vanwege hún opvattingen en de overduidelijke sympathieën van het Westen voor de andere partij, met groot wantrouwen bejegend worden. Dat konden sommige correspondenten nog onlangs al gewoon op straat op de Krim ervaren. Gevolg is wel, dat hun ons onsympathieke opinies minder gehoord worden.

Daarbij komt dat revoluties en demonstraties vrijwel altijd geconcentreerd op een paar plekken in grote steden plaats vinden. Daar komen die honderdduizenden van de ene groepering bijeen. Hun miljoenen tegenstanders – of tenminste: niet-medestanders – doken in Egypte pas verspreid bij de stembus op. Veel correspondenten wonen in de hoofdstad: op zich zeer begrijpelijk, want daar zetelt de officiële politieke macht. Daar treft men, vanwege de aanwezigheid van grote bedrijven, universiteiten, culturele instellingen en andere hoofdkwartieren, ook in grote getale op een paar vierkante kilometer veel interessante gesprekspartners aan – niet in de laatste plaats gerenommeerde collega’s van grote kranten uit het land zelf. Een reportage in de provincie kost veel meer tijd. Ook daarom zien we teveel Kiev en te weinig Donbass op tv.

Te veel journalisten blijven in de hoofdstad hangen, wat zich juist op zo’n moment van crisis, als de burgers van de hoofdstad tegenover die in de provincie komen te staan, voor een adequate berichtgeving en dus ook adequate inschatting van de vermoedelijke politieke ontwikkelingen, onherroepelijk wreekt. Dat geldt overigens zelfs voor Nederlandse correspondenten in directe buurlanden, die het nieuws kennelijk regelmatig slechts vanuit hun hoofdstedelijke appartement verslaan. Anders kan ik niet verklaren dat ik, bijvoorbeeld aangaande campagne-optredens tijdens Duitse bondsdag- of deelstaatverkiezingen, herhaaldelijk in Nederlandse kranten grote industriesteden in het Ruhrgebied als Hagen en Wuppertal – met het formaat van Eindho­ven respectievelijk Den Haag – als ‘stadjes’ betiteld terugvind.

Maar de hoofdstad staat zelden gelijk aan het land – die is meestal kosmopoliti­scher en progressiever dan de rest. Kiev is niet de Oekraïne, zoals Shanghai niet China is, Moskou niet Rusland, New York niet Ameri­ka (vandaar de lichte verbijstering als een Republikein de presidentsverkiezingen wint) – en Amsterdam niet Nederland. Istanbul is een gigantische, zeer modern ogende stad. Het telt een zestien miljoen inwoners – maar ook dat is nog maar een fractie van het aantal inwoners dat Turkije in zijn geheel telt. En Anatolië zit toch echt anders in elkaar.

Tenslotte kampen Nederlandse journalisten misschien nog meer dan die uit andere westerse landen met een extra probleem. Zijzelf zijn hier bij uitstek de vertegenwoordigers van een verlichte elite, omdat Neder­land juist in sociaal-cultureel – niet in sociaal-economisch! – opzicht sinds de jaren ’60 prudent-progressief geworden is, en met haar sterk Angelsaksische oriëntatie kosmopolitisme als nieuwe religie belijdt. Geen culturele elite omarmt zo gretig de Engelse taal als de Nederlandse. Met nationalis­me hebben we niets op, en we snappen er daarom weinig van; dat begint al met België en het Vlaamse gevecht voor het recht op de eigen moedertaal.

Daaronder ligt dan dat in geen enkel westers land, als reactie op de beklemmende verzuiling, godsdienst zo enthousiast door de progressieve elite is afgeschaft, en religiositeit daarmee aan achterlijkheid gelijk is komen te staan. Daarmee is ook een hele hoop kennis en begrip van de wortels van de Latijns-Europese beschaving verloren gegaan, en daarmee tevens een referentiekader met behulp waarvan men ook andere godsdiensten (en het belang van aan godsdienst ontleende morele opvattingen voor de gelovigen zelf) kan begrijpen. Ook in dat opzicht zijn Nederlandse journalisten het slachtoffer van de eigen seculiere cultuur, wat de mentale afstand tot de conservatieve provinciemeerderheden in de schil van landen aan de rand van de Europese Unie van Oekraïne tot Algerije vergroot.

Thomas von der Dunk (1961) studeerde 1979-1988 kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was van 1989-2002 verbonden als wetenschappelijk onderzoeker aan de vakgroepen geschiedenis van de universiteiten Leiden en Utrecht. In 1994 promoveerde hij in Leiden op de politieke betekenis van openbare monumenten in het Heilige Roomse Rijk, en publiceert sindsdien over de kunst- en cultuurgeschiedenis van Europa van de late Middeleeuwen tot de negentiende eeuw. Sinds 2002 is hij zelfstandig publicist en politiek commentator, en in die hoedanigheid momenteel als columnist verbonden aan de website van de Volkskrant. Hij publiceerde diverse bundels over binnenlandse en buitenlandse politieke thema’s.

Bekijk meer van

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.