— donderdag 25 maart 2021, 07:32 | 3 reacties, praat mee

Josse de Voogd: ‘De media worden geplaagd door institutioneel Randstadisme’

Amsterdam als een van de minst representatieve stukjes Nederland - © Herman Wouters

Media, vaak gelegen in de Randstad, kijken in hun analyses te vaak niet verder dan de eigen achtertuin. Dit leidt tot misverstanden en wakkert tegenstellingen aan. Dat stelt politiek geograaf Josse de Voogd in dit essay, dat hij schreef voor stichting KIM, het forum voor reflectie en journalistiek.

De kloof tussen (Rand)stad en platteland is niet meer weg te denken uit het debat. Ook media krijgen er van langs dat zij te weinig recht zouden doen aan ‘de rest van Nederland’. Journalisten en redacties klonteren vooral samen in Amsterdam. Dit terwijl de hoofdstad een van de minst representatieve stukjes Nederland is, waar slechts 5 procent van de bevolking woont. Dat doet iets met hoe het land wordt gerepresenteerd. Het dominante verhaal, de bril waarmee naar maatschappelijke kwesties wordt gekeken, is (Rand)stedelijk gekleurd en deze bias gaat ten koste van de aandacht voor andere regio’s en daarmee voor problemen die daar spelen. De media kampen met wat je zou kunnen noemen ‘institutioneel Randstadisme’.

De blinde vlek in het diversiteitsdebat
Een van de thema’s waarbij dit Randstadisme sterk naar voren komt is het oplaaiende maatschappelijke debat over thema’s als diversiteit, afspiegeling en ongelijkheid. Als het gaat over een gebrek aan diversiteit en afspiegeling wordt meestal bedoeld dat iets te wit, te mannelijk of te heteroseksueel is.
Thema’s als sociale klasse, gezondheid, politieke voorkeur en regio komen er bekaaid vanaf. Het valt op dat het debat vooral wordt gedicteerd door een groep die op die vlakken nou net wat weinig divers is. De terecht toegenomen aandacht voor de ene diversiteit zet daarmee indirect de schijnwerpers op het gebrek aan de andere.

De weerstand hierover neemt toe en leidt onder meer in ‘de regio’ tot onbehagen. Want die regionale dimensie is wel degelijk iets om rekening mee te houden. Enerzijds omdat regio op zichzelf één vorm van diversiteit is; realiteiten, sentimenten, waarden en belangen verschillen per gebied. En anderzijds omdat, zoals we zullen zien, de impact van die andere diversiteitsdimensies, zoals kleur, gender en klasse, verschilt per regio.

Witte scholen zwarte scholen
Specifiek het debat over onderwijsongelijkheid blijkt erg gevoelig voor institutioneel Randstadisme. Zo beweren universiteiten, naarstig overgepend door sommige kranten, dat studentenpopulaties ‘te wit’ zouden zijn. Deze veronderstellingen blijken echter, naast beïnvloed door een Amerikaans discours, vaak gebaseerd op een vergelijking met alleen de bevolkingssamenstelling van de steden waarin die universiteiten gevestigd zijn. Dit terwijl tachtig procent van de Nederlanders helemaal niet in een universiteitsstad woont, maar wel recht heeft op onderwijs. Vergeleken met de rest van Nederland vallen die claims dan ook in het water.

Soms reist het journaille af naar Haarlem en dure randgemeenten, Het Gooi of de Haagse Schilderswijk

Als het gaat om primair en middelbaar onderwijs wordt de rest van Nederland getrakteerd op een eindeloze reeks reportages en columns over witte scholen en zwarte scholen in goede en slechte wijken van de grote steden. Elitaire scholen in het rijke witte Amsterdam-Zuid worden bijvoorbeeld geportretteerd tegenover gekleurdere scholen in het armere Nieuw-West of Zuidoost. Of soms reist het journaille af naar Haarlem en dure randgemeenten, Het Gooi of de Haagse Schilderswijk. Allemaal cliché-plekken, dichtbij de gebruikelijke woonlocaties van veel journalisten, die maar weinig gemeen hebben met doorsnee Nederland.

Witte kinderen worden als kansrijk geportretteerd met welvarende hogeropgeleide assertieve ouders, en kinderen van kleur als kansarm, en vwo-scholen als wit en vmbo’s gekleurd. In de grote vier steden (G4) klopt dat wel min of meer maar daarbuiten slaat het de plank volledig mis. In de rest van Nederland is het vmbo ook voor witte leerlingen gewoon een normaliteit. Er is dus geen enkele reden om cijfers uit de G4 te tonen als men over Nederland schrijft. Maar die ‘rest van Nederland’, van brede scholengemeenschappen, meer gemengde middelgrote plaatsen en dorpen waar niks te kiezen valt omdat er maar één basisschool is wordt nauwelijks gerepresenteerd. 

De mythe van het schooladvies
Een ander voorbeeld van de grootstedelijke bias in de media is de vaak gedeelde misvatting dat leerlingen met een niet-westerse achtergrond aan het einde van de basisschool structureel vaker een te laag advies zouden krijgen ten opzichte van wat uit hun cito-score blijkt. Deze onderadvisering zou, naast bijvoorbeeld stagediscriminatie, een voorbeeld zijn van institutioneel racisme. Toch laat een reeks onderzoeken van onder andere de Inspectie van het Onderwijs en andere onderzoeksinstellingen zien dat er van structurele onderadvisering geen sprake is.

De onderzoeken en opgetekende ervaringen waarin onderadvies naar migratieachtergrond wordt geconstateerd blijken vooral over Amsterdam te gaan in plaats van over Nederland (en soms ook nog aangedikt). Dat er een discrepantie is tussen de grootstedelijke en de landelijke cijfers komt door de a-typische gepolariseerde bevolkingsopbouw van die steden, met enerzijds een vooral autochtone bovenlaag van hogeropgeleiden en anderzijds veel mensen met een migratieachtergrond uit de lagere klassen. De kinderen van die succesvolle vaak assertieve autochtone groep krijgen vaak te hoge schooladviezen, waarnaast leerlingen met een migratieachtergrond ongunstig afsteken: relatieve deprivatie dus. Vergeleken met de rest van het land blijken de verhoudingen echter anders te liggen. Onderadvisering komt vooral veel voor in hoofdzakelijk witte plattelandsregio’s met een laag opleidingsniveau, wat de gunstige positie van autochtone kinderen met hogeropgeleide ouders in de G4 wegmiddelt. Gecorrigeerd op sociale klasse en gelijke cito-scores blijkt migratieachtergrond eerder een lichte positieve factor te zijn. Daartegenover staat wel dat de gevolgen van onderadvisering in die grote steden groot kunnen zijn door de sterke segregatie. Oorzaken en gevolgen van onderwijsongelijkheid verschillen dus van plek tot plek: feiten zijn ‘geregionaliseerd’.

Gevolgen
Als gevolg van de Randstedelijke focus ontstaat de indruk dat een invloedrijke bovenlaag wel oog heeft voor grootstedelijke problematieken en voor specifieke minderheidsgroepen om de hoek, maar niet voor problemen wat verder van het machtscentrum. De kwestie onderwijsongelijkheid en hoe daarvan verslag wordt gedaan bevestigt deze ‘populistische‘ these die waarschijnlijk een rol speelt bij de groei van populistische partijen, ook internationaal, in vooral de periferie.

Institutioneel Randstadisme leidt er toe dat wit te makkelijk gelijk wordt gesteld aan kansrijk en kleur aan kansarm, wat tekort doet aan de grote diversiteit bínnen die groepen. De witte kansrijke stedeling, ofwel de bubbel waarin veel academici en journalisten zelf verkeren (ook al zijn ze niet per se rijk), wordt als norm neergezet voor de bredere autochtone bevolking. En dat wijst op een blinde vlek voor sociale klasse. In het geval van onderwijs speelt dat vooral op links, maar een rechts stokpaardje als criminaliteit naar migratieachtergrond zal ook genuanceerder uitvallen als regio en klasse meegenomen worden.

De Randstedelijke bias werkt door in de politiek. D66 kwam met een clichématig filmpje over de witte Ellie die de wind mee heeft en de gekleurde Ibrahim die van zijn ouders een ongezonde lunch en van school een laag advies meekrijgt. En de PvdA schaart het thema onderadvisering in haar verkiezingsprogramma onder racisme en discriminatie, en niet onder onderwijs of sociaaleconomische ongelijkheid. De partij vraagt om nieuw onderzoek en negeert dat dat al lang is gedaan, mede op verzoek van de politiek. Waar populistische nieuwkomers (terecht) onder een vergrootglas liggen, komen gevestigde belangen, van partijen tot universiteiten, soms te makkelijk weg met veronderstellingen die in het (stedelijke) straatje passen.

De Randstedelijke bias draagt bij aan onnodige verharding tussen stad en regio, kansrijk en kansarm, hoog- en laagopgeleid, en autochtone en gekleurde achterstandsgroepen. Ophef over diversiteit en aanverwante thema’s is er wel, maar manifesteert zich vooral als ‘cultuuroorlog’ tussen progressief ‘woke’ links, waarbinnen de genoemde thematiek ‘hot’ is en waar kritiek gauw wordt afgedaan als conservatisme of racisme, en ‘boosrechts’, dat weinig moet hebben van diversiteitsbeleid en soms überhaupt van diversiteit. Maar wat vaak mist zijn degelijke analyses die niet zijn gebaseerd op een afkeer van danwel voorliefde voor diversiteit en niet op persoonlijke grootstedelijke waarnemingen. En ook niet op grootstedelijk schuldgevoel. Want het lijkt soms haast of de stroom aan schuldbewuste stukjes over ongelijkheid een aflaat zijn voor de (zelf)segregatie die juist in die progressieve grote steden zo opvalt.

Naar ‘geoneutrale’ media
Als oplossing voor de Randstedelijke bias is het verleidelijk om, in navolging van de roep om afspiegeling van vrouwen en mensen van kleur, te pleiten voor regionale quota. Het risico van dit soort interventies is echter dat de éne diversiteit de ándere verdringt. Waar vrouwenquota en mannenstops, zonder aanvullend beleid, vooral de kwetsbaarste mannen zullen verdringen, is het risico van regionale quota dat het vooral kansrijke mensen in de kansrijke subregio’s binnen bijvoorbeeld Drenthe helpt, en dat dit ten koste gaat van kansarme gebieden en groepen in de Randstad die, zij het relatief in vergelijking met de periferie, nog altijd matig gerepresenteerd zijn, terwijl de achtergestelde Drentse Veenkoloniën nog steeds niet worden afgespiegeld.

Verleidelijk is het ook om als tegenbeeld voor de grootstedelijke overrepresentatie meer aandacht te schenken aan het platteland. Eerder werd er wel gesproken over de Fortuynkramp; verwijzend naar de populistische revolte die politiek en media niet aan zagen komen en leidde tot een zoektocht naar de clichématige boze burger. Nu bestaat het risico van de ‘regiokramp’. Dat er een zoektocht ontstaat naar écht platteland, naar boze boeren, krimpgebieden, reformatorische dorpen of BlokkeerFriezen. Maar dat zijn allemaal uitersten. Urk, Pekela en Amsterdam zijn alle drie excentriek en doen er getalsmatig nauwelijks toe. Het grote midden er tussenin wordt misschien nog wel meer genegeerd dan het echte platteland. Dus vergeet de Schilderswijk en Staphorst en ga naar middelgrote gemengde plaatsen als Meppel en Geleen.

Een goed idee is het verplaatsen van mediaredacties.

Wel een goed idee is het verplaatsen van mediaredacties. Natuurlijk blijft bereikbaarheid en centraliteit van belang, maar dat kan ook buiten Amsterdam. Een buitenwijk als Rotterdam Alexander, waar NRC ooit gevestigd was, is al veel diverser en representatiever dan de Grachtengordel waarnaar zij vertrok. Maar ook Utrecht, niet representatief maar wel centraler en minder een ‘losgezongen’ wereldstad, is een verbetering. Maar liever nog Den Bosch, Amersfoort, Gouda, Woerden of Culemborg. Of open een dependance in een heel ander deel van Nederland. En trek daar mensen aan.

Het belangrijkste, en minder ingrijpend, is echter bewustwording. Het onder ogen zien van het institutioneel Randstadisme. En daar bij elke keuze, voor locaties en invalshoeken, over nadenken. Beseffen dat de verschillen groot zijn, dat een fenomeen zich op een andere plek anders kan voordoen, en dat de meerderheid heel anders woont, werkt en leeft dan men in de dagelijkse stedelijke omgeving gewend is. Aan de media de taak om een gebalanceerd en ‘geoneutraal’ totaalbeeld van Nederland te schetsen, dat recht doet aan de onderlinge verschillen, en aan het demografische gewicht van al die verschillende plekken.

 

Josse de Voogd is zelf­standig onder­zoeker op het raakvlak van ruimte, politiek en samenleving. Hij schreef dit essay in opdracht van het KIM Forum. Dit is de eerste bijdrage uit een serie artikelen die reflecteren op de journalistiek.

Praat mee

3 reacties

Wim van Gruisen, 25 maart 2021, 13:03

Ik herinner me een uitzending van het Jeugdjournaal vorig jaar over hoe Koningsdag werd gevierd tijdens de corona-epidemie. De verslaggever ging ‘het hele land door’ om een impressie te geven; ze startte in Amsterdam, ging daarna naar Utrecht, om te eindigen in Den Haag. Het was een nogal Randstedelijke definitie van ‘het hele land’.

Marleen, 25 maart 2021, 22:04

Wat ik ook zie is dat er vaak een tegenstelling wordt gemaakt tussen “stad” en platteland”, waar alles buiten de Randstad wordt samengevat als “platteland”, ook grotere steden (Arnhem, Nijmegen, Den Bosch, Deventer, Zwolle, Eindhoven etc.) Alsof er buiten de Randstad enkel boeren wonen, of dat alles agrarisch gebied is.

edith boeker, 27 maart 2021, 10:42

Toen Koningsdag in Zwolle plaatsvond, versloeg de NOS dat naar eigen zeggen ‘vanuit het hoge Noorden’ .  Terwijl het van daar nog een dik uur rijden is naar Groningen. In het journaal jubelt de weerman: “wat een stralende dag hadden we vandaag…..Alleen het noordoosten bleef bewolkt.”  Kennelijk wonen ‘we’ daar niet.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.