website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Het jaar 1926: De ­journalistiek kan beter, moet beter

Dolf Rogmans — Geplaatst op vrijdag 19 augustus 2016, 11:04

120 jaar Villamedia en haar voorgangers bestaan deze maand 120 jaar. Dat vieren we met een speciale uitgave van Villamedia magazine. Online publiceren we elke dag een artikel uit onze jubileum-uitgave. Vandaag het jaar 1926. Journaliste Emmy Belinfante maakt zich boos om beroerde tarieven, slecht tot niet opgeleide journalisten, bemoeizuchtige directies, jonkies die te snel doorgroeien en commerciële belangen die de onafhankelijkheid in gevaar brengen.

‘Al teert onze pers nog op haar ouden naam, deze wordt reeds ondermijnd door den toenemenden invloed van de commercieele leiding op de samenstelling van de courant en de benoeming der medewerkers, een invloed, welke over het algemeen slechts noodlottig kan werken op het karakter van de pers en haar on­afhankelijke houding ten opzichte van overheid en publiek.’

We schrijven 1926 als Emmy Belinfante het de hoogste tijd vindt de discussie over de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek eens stevig op de kaart te zetten. Zij kiest als platform De Journalist, Orgaan van Den Nederlandschen Journalistenkring.

Belinfante is secretaris van de Haagse afdeling van den Nederlandsche Journalisten-Kring en werkt bij dagblad Het Vaderland, twee jaar daarvoor gefuseerd met De Nieuwe Rotterdamsche Courant. Belinfante was de eerste vrouwelijke journalist in Den Haag en op dat moment een van de weinige vrouwelijke journalisten in het land.

Ze volgt de opleiding tot onderwijzers voordat ze voor de journalistiek kiest. Voor haar geen hele rare beslissing. Ze komt uit een geslacht van uitgevers en schrijvers. In 1926 was ze waarschijnlijk iets minder gelukkig met haar keuze. Twee jaar daarvoor had ze bij de fusie van de Haagse en Rotterdamse kranten haar functie als verslaggever verloren. Ze kon niet wennen aan haar nieuwe baan als bureauredacteur. Daarnaast verliep de samenwerking met de commercieel ingestelde directeur Henri Nijgh jr. niet vlot. Reden voor haar om in 1928 haar baan op te zeggen en verder te gaan als freelancer.

Belinfante had dus ook een sterke persoonlijke drijfveer de discussie over de journalistieke kwaliteit te starten. Uit de reacties op haar stuk valt evenwel op te maken dat ze zeker niet alleen stond in haar kritiek. Naast de verderfelijke invloed van de directies op de kwaliteit van de dagbladen, meende Belinfante dat de journalistiek te veel een doorgangshuis was voor ambitieuze juristen. In haar eigen woorden:

‘Wij zien de journalistiek gebruiken als doorgangshuis door jeugdige meesters in de rechten, zonder journalistieke ervaring of idealen, die alleen verlegen zijn om een “baantje”, intelligent genoeg om een Reutertelegram te vertalen of een politiek artikel te schrijven; zij beschouwen den bekwamen verslaggever met zeker dédain, al schieten zij zelf soms te kort bij het maken van een persklaar verslag; zij hebben geen begrip van de cuisine der courant, maar achten zich na een paar jaar volleerd genoeg om een oordeel te vellen over de pers, wanneer zij deze verlaten voor een “lucratiever baantje” en met minachting afgeven op de oppervlakkigheid van den journalist, wiens werkkracht en toewijding zij zelden kunnen evenaren.’

‘Wij moeten collega spelen met den gesjeesden student, den ontslagen onderwijzer, den mislukten predikant of officier, den advertentie-colporteur, die den winkelier een berichtje belooft, den letterzetter of den Hooger Burger­scholier, die voor een blad een voetbalwedstrijd mag verslaan’, fulmineert Belinfante.

‘Wij worden verantwoordelijk gesteld voor de vergissingen, onhebbelijkheden en kruiperijen van iederen volontair van één dag, wiens kopy door het blad, waar enkel de directie regeert, ongecorrigeerd wordt opgenomen, en die, met een perskaart gewapend, zich binnendringt in balzaal, concertzaal en salon.’

‘De naam van journalist wordt misbruikt door iederen liefhebber van komedie of opera, die aast op een kaart en kosteloos recensies levert, waarvan een wezenlijk kunstkenner ontzet is. Wij moeten het dulden, dat iemand, die zelfs niet een bericht behoorlijk kan redigeeren, die meent, dat de leiding van een dagblad bestaat in het kleineeren of exploiteeren van een redactie en dat de waarde van een dagblad wordt bepaald door de winst, welke het oplevert, plotseling wordt verheven tot hoofdredacteur, dank zij machtige bescherming, persoonlijk kapitaal of het talent zijn meerderen te vleien en zijn minderen te trappen, en er bestaat zelfs geen ongeschreven wet die dit kan beletten.’

Vervolgens grijpt Belinfante terug op de resultaten van de commissie-Van Blom, ingesteld door het bestuur van de Journalisten-Kring. Die constateert in 1925 dat het beroerd gesteld is met de economische positie van journalisten. Er worden weinig tot geen formele eisen aan het beroep gesteld, de beloning is uiterst mager en de rechtspositie van de individuele journalisten en van de redacties is uitermate zwak. Van Blom adviseert de instelling van wat we nu een CAO noemen. De huidige hoofdstuk-indeling van de moderne CAO heeft nog verdacht veel weg van het Collectief Contract dat Van Blom in de bijlage van zijn rapport uitwerkt.

Maar Belinfante is geen nota-schrijfster. Zij formuleert haar kritiek liever direct en onomfloerst. Over de rechtspositie van journalisten (zelf werd ze uit haar functie ontheven omdat de hoofdredacteur haar na een reorganisatie geen nachtwerk wilde laten doen omdat ze vrouw is) betoogt ze:

‘Wij worden telkens opnieuw verontrust door de willekeurige wijze, waarop wordt omgesprongen met benoeming en ontslag, bevordering en pensionneering, ondanks het bestaan van den Journalisten-Kring en zijn afspraken met de Directeurenvereeniging en wij hebben het gevoel, dat de economische verbetering in de positie van vele journalisten is gevolgd door een periode van grooter onzekerheid en machtsmisbruik dan ooit te voren en vragen ons af, hoe dit moet eindigen, als de Journalisten-Kring niet krachtig ingrijpt — niet door staking, rapporten over medezeggingschap of debatten over inwendige organisatie, maar wel door in eigen orgaan meer publiciteit te geven aan gevallen van schending van afspraken, en door nieuwe normen te stellen voor den bonafide journalist en voor de journalistieke voorbereiding en ontwikkeling.’

Belinfante krijgt bijval van de redactie van De Journalist. Redacteur W. van der Hout schrijft in het daarop­volgende nummer van het magazine:

‘Volmondig erkennen wij dat mej. BELINFANTE gansch en al gelijk heeft dat de jongeren het aanzien en de waardigheid vaak schaden. Bij de keuze van jongelui ter opleiding kan men niet voorzichtig genoeg zijn en een diploma ­H. B. S. is allerminst voldoende bewijs van geschiktheid. Veeleer komt het op het karakter aan en-daarop wordt te weinig gelet. Zelfs heel gewone manieren van wellevendheid blijken vaak afwezig te zijn.’

Belinfante levert ook oplossingen voor de problemen. Opvallend genoeg gaan die niet richting een opleiding voor journalisten. In de eerste helft van de vorige eeuw was daar totaal geen draagvlak voor. Het idee was dat journalist zijn veel meer een houding was, een instelling, en niet iets dat je kon (aan)leren. Wel voelt ze veel voor een gilde. Het lidmaatschap van de JournalistenKring zou minder vrijblijvend moeten zijn. Belinfante: ‘Een vakschool voor journalisten, een stelselmatige theoretische en practische opleiding moge ongewenscht en ondoelmatig zijn, de volstrekte vrijheid, welke thans iedere beunhaas heeft, om ons beroep onveilig te maken en de reputatie van de Nederlandsche pers te schaden, is toch een gevaar, waartegen ons beroep dient te worden beschermd.’

‘Om een beteren maatstaf te verkrijgen voor den journalist, die recht heeft op den naam, zouden niet alleen minimumeischen moeten worden gesteld van ontwikkeling, beschaving en bekwaamheid, maar de voorbereiding van den journalist zou moeten omvatten inwijding in de eenvoudigste beginselen van journalistiek fatsoen en journalistieke waardigheid’.

(...) Het moest niet mogelijk zijn, dat journalisten redactioneele orders aanvaarden van den directeur van een dagblad of diens bemoeiing in redactioneele aangelegenheden verdroegen, het moest ondenkbaar zijn, dat de concurrentie journalisten ertoe bracht collega’s te verraden.’
‘Wellicht zou het bestuur van den Journalisten-Kring een brochure kunnen samenstellen, waarin deze en dergelijke vraagstukken voor den beginneling werden behandeld, zoodat deze een handleiding had in journalistiek fatsoen, al waarborgt kennis natuurlijk niet karakter. (…) Maar ook een examen van de zijde van het Kringbestuur of een door den Kring te benoemen commissie in te stellen, waarbij dan eveneens de beginselen van den toekomstigen journalist wat betreft de ideëele zijde van het vak worden getoetst, zou men reeds eenigen waarborg hebben, dat de journalist beter op de hoogte is van zijn taak dan collega’s, die door onjuiste verslagen, onhebbelijke manieren of een onwaardigen toon de pers in miscrediet brengen.’

‘Ik geef mijn denkbeelden voor betere’, besluit Belinfante, ‘maar wilde alleen de aandacht erop vestigen in welke richting de Kring moreelen invloed kan oefenen en dat de tijd is gekomen, dat allen, die beseffen hoe het peil van de journalistiek daalt, samenwerken voor herziening van den bestaanden toestand.’

Het zal nog tot de jaren 60 duren voordat het tot een opleiding tot journalist komt. De eerste CAO was er veel eerder. Als gevolg van de commissie-Van Blom was dat daarna relatief snel bekeken.

Belinfante vertrok in 1928 bij de krant. Ze had er geen carrièrekansen en ging freelancen. In 1928 publiceerde ze de brochure ‘De vrouw als journaliste’, waarin ze een pleidooi hield voor een gelijkwaardige positie voor vrouwen in de journalistiek. De achterstelling van vrouwen op de arbeidsmarkt keert in de jaren 30 veelvuldig terug in haar stukken. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog moet ze haar werk voor de Journalisten-Kring opgeven onder druk van de bezetter. De Kring zelf hield het zelf kort daarna ook voor gezien. Belinfante werd op 1 februari 1944 gedeporteerd naar Auschwitz waar ze in juli 1944 werd vergast.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.