— dinsdag 21 april 2020, 09:00 | 0 reacties, praat mee

Corona is een zegen voor de wetenschapsjournalistiek

Ze zijn ons kompas in tijden van corona; wetenschapsredacteuren. Maar waarom heeft dan niet iedere grote nieuwsorganisatie er minstens één in dienst? Wetenschapsredacteuren Simon Rozendaal (ex-Elsevier en NRC), Stan van Pelt (Vox) en Maarten Keulemans (de Volkskrant) ontmoeten elkaar digitaal, en reageren op stellingen over hun vak.

Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Marjolein Slats. Ook lid worden?

‘Iedere redactie verdient een wetenschapsredacteur.’

Stan van Pelt (SvP): ‘Dat ligt eraan over welke redactie je praat. Libelle of Margriet hoeven van mij echt geen wetenschapsredacteur in dienst te nemen. Maar voor landelijke nieuwsmedia lijkt het me wel verstandig. De NOS en veel discussieprogramma’s zoals Op1 hebben geen wetenschapsredactie. Dat levert – op zijn zachtst gezegd – niet per se betere journalistiek op.

Maarten Keulemans (MK): ‘Ik vergelijk een wetenschapsredactie wel eens met een sportredactie. Je kan mij wel een voetbalwedstrijd laten verslaan, maar dat zal veel minder goed zijn dan wanneer mijn collega Willem Vissers het doet. Want die doet dat al zijn hele leven. Als wetenschapsredacteur ken ik virologen persoonlijk – het 06-nummer van Jaap van Dissel had ik al in mijn telefoon staan voordat hij opeens de huisarts van heel Nederland werd. Ik weet het verschil tussen een virus en een bacterie en ik snap hoe DNA en RNA in elkaar zit. Dat geeft je gewoon een voorsprong in kennis.’

Simon Rozendaal (SR): ‘Wat je merkt is dat media zonder wetenschapsredacteuren die deskundigheid nu bij ons komen opzoeken. Naar aanleiding van de Coronajournaals die ik op mijn weblog post, ben ik in één week tijd al drie keer door presentatoren van Op1 benaderd voor advies. Twee keer heb ik keurig antwoord gegeven. Maar bij de derde keer dacht ik: ja hallo, zorg dat je zelf die deskundigheid in huis hebt, of bied me een contractje aan. Maar dat zat er niet in.’

MK: ‘Ik werkte bij de NOS ten tijde van de SARS-uitbraak. Daarna ben ik daar wegbezuinigd. Ze hebben een gigantische redactie, met een afdeling koningshuis nota bene. Dan denk ik: kom op, waarom dan geen wetenschapsredactie? Zeker in dit soort tijden mag je dat wel verwachten. Ze hebben trouwens wel een hele goede zorgredacteur – Rinke van den Brink. Maar je kunt die arme Rinke toch ook niet alles in zijn eentje laten doen?’

SR: ‘Je kúnt het zonder wetenschapsjournalisten doen. Ik ben geen fan van De Telegraaf maar als je geïnteresseerd bent in corona is het best leuk om die krant dezer dagen af en toe te lezen. Wierd Duk wordt door links Nederland gehaat, maar hij is historicus en een slimme vent, en heeft zich op een interessante manier in corona vastgebeten.
Toch zie je in de coronacrisis een groot verschil tussen media met en zonder wetenschapsredacteuren. Als je echt wilt begrijpen wat voor virus dit is en wat het teweeg brengt, dan zijn er twee kranten die er met kop en schouders bovenuit steken: de Volkskrant en NRC. By far. Omdat ze een uitstekende wetenschapsredactie hebben zijn ze veel koersvaster dan bijvoorbeeld De Telegraaf of Op1. Die pakken het aardig aan hoor, maar op maandag gaan we dood en op dinsdag is er geen enkel probleem. Verwarrend.’

Tekst loopt door onder de afbeelding

Maarten Keulemans

‘Journalisten kunnen niet rekenen.’

MK: ‘Ik denk niet dat het zozeer is dat ze niet kunnen rekenen – iedereen heeft een rekenmachine. Het is meer dat ze een dieper gevoel missen van hoe statistiek werkt. Je ziet dat nu bijvoorbeeld terug in de discussie over het testen op corona. Iedereen zegt: we gaan meer testen en dan komt het goed. Als wetenschapsredacteur ben je je bewust van de statistische valkuil die daarachter schuilt.’

SvP: ‘Precies. Als je leest: een coronatest is 99 procent betrouwbaar, dan denk je: geweldig, doen. Want zo’n getal klinkt extreem betrouwbaar. Maar als je een miljoen mensen gaat testen, dan geeft hij bij tienduizend dus een foute uitslag. Dat is een flink aantal. Het gevoel daarvoor krijgen, is voor redacties denk ik vaak de grootste uitdaging.’

MK: ‘Het bèta-gevoel. Oog hebben voor hoe de motor onder de motorkap in elkaar zit. Dat is het eigenlijk. Nu gaat het over corona, maar je merkt in “vredestijd” eigenlijk nog veel beter hoe ingewikkeld dat is. Sommige media – vooral die wetenschap als amusement beschouwen – trappen nogal snel in leuke publiciteitsstuntjes. Kleine onderzoekjes die zeggen dat koffie slecht is voor je gezondheid en dat je van een handje noten per dag drie jaar langer leeft.’

SvP: ‘Of: planten gaan harder groeien als je tegen ze praat dan wanneer je tegen ze schreeuwt. Ik kan je garanderen dat er bagger-onderzoek onder zit.’

MK: ‘Als journalist moet je op zo’n moment het onderzoek erbij pakken en even naar de cijfers kijken. Dat mechanisme hebben veel journalisten niet, en daardoor sluipen er fouten in de berichtgeving. Ik mag collega’s daar graag een beetje mee plagen op social media of in mijn factchecks in de krant. Dat vinden journalisten natuurlijk nooit zo leuk, maar we staan allemaal aan dezelfde kant.’

SvP: ‘Het ligt ook niet alleen aan de journalistiek. Het komt ook doordat communicatie-afdelingen van universiteiten en andere kennisinstituten steeds vaker redacties actief benaderen in plaats van persberichten uitsturen. “Kijk, wij kunnen jullie iets exclusief aanbieden.” Dan denkt zo’n redactie: leuk, een primeur. Maar die hoeft wetenschappelijk nog niet per se heel geweldig in elkaar te zitten.’

MK: ‘Universiteiten en kennisinstituten zijn winkels geworden die hun waar moeten verkopen. Zeker in deze tijd van marktwerking. Het gevolg is dat er enorme stromen persberichten over het medialandschap worden uitgestrooid waarvan je je echt kunt afvragen: is de wetenschap die erachter zit wel zo solide? Mijn mailbox stroomt momenteel vol met berichten van universiteiten en kennisinstituten die dé oplossing hebben gevonden voor de coronacrisis: een manier om nog sneller te testen, een nog beter beademingsapparaat, een nog mooier 3d-geprint mondkapje. Dat is natuurlijk fantastisch, maar ik vind dat je dat als journalist wel moet wegen. En niet moet denken: de universiteit zegt het, dus het zal wel zo zijn.’

SR: ‘Wetenschappers hebben bovendien de aangeboren neiging om hun vakgebied buitengewoon belangrijk te vinden, en daardoor een tikje te overdrijven. Het is aan wetenschapsjournalisten om uit te zoeken hoeveel waarde we moeten hechten aan wat een wetenschapper zegt. Wetenschap is niet dé waarheid. Het is een zoektocht naar de waarheid.’

SvP: ‘Wat ik zorgwekkend vind, is dat die kennisinstellingen zich als nieuwsmedium gaan vermommen. De Radboud Universiteit Nijmegen heeft naast het onafhankelijke universiteitsblad Vox waar ik voor werk, inmiddels een heel online portal - Radboud Recharge – opgezet, waarop ze hun eigen verhalen publiceren. Die zien er op het eerste oog niet veel anders uit dan verhalen uit de krant. Maar hoe betrouwbaar is het? En hoe verhoudt wat zij brengen zich tot onderzoek dat op hetzelfde vlak, maar elders wordt gedaan?’

MK: ‘Mijn voorstel zou zijn: gooi al die voorlichters en persberichten-tikkers eruit en zet het geld dat je overhoud in voor fondsen waar je als wetenschapsjournalist aanvragen kunt indienen. Dat lijkt mij nou eens goed voor onze kenniseconomie.’

‘Een alfa wordt nooit een bèta en andersom.’

SR: ‘De wetenschapsredacteur is automatisch een beetje een buitenbeentje. Journalisten moeten imponeren met mooie zinnen. Ze worden afgerekend op nieuws en ook een beetje op bravoure. Een journalist moet een goede babbel hebben, bij redactievergaderingen kunnen overtuigen. Dat hebben wetenschapsredacteuren niet van nature, zeker niet waar het de hardcore bèta’s betreft. Ze hebben de kennis, daar twijfelt niemand over, maar ze lopen het risico dat ze een beetje als nerds, als de sukkeltjes van de redactie worden beschouwd. Om dat te voorkomen, heb je een tikje hybride figuren nodig. Mensen die zowel de taal van bèta, als de taal van alfa spreken. Zelf heb ik organische chemie gestudeerd in Delft en zou gaan promoveren. Maar ik werd gék op het lab. Ik was met totaal andere dingen bezig. Las literatuur, maar kon er met niemand over praten. Na een week of drie ben ik weggevlucht.’

SvP: ‘Ik ben bioloog en gepromoveerd in de neurowetenschappen en was zo’n die hard wetenschapper. Ik heb gemerkt dat er wel wat voor nodig is om de overstap naar journalistiek te maken. Het is echt een ander vak dat je moet leren. Maar tegelijkertijd is de scheiding ook minder hard dan je denkt. Onlangs schreef ik nog in mijn column voor Vox dat alfa’s ook een beetje bèta’s zijn. De leesbaarheid van een journalistiek verhaal staat of valt met structuur. Journalisten moeten de essentie vatten van nieuws en hoofd- en bijzaken van elkaar onderscheiden. Allemaal analytische eigenschappen waarvan veel bèta’s denken dat alleen zij ze bezitten. En de bèta is een alfa. Want om overtuigend een wetenschappelijk artikel of beursaanvraag te schrijven, heb je taalgevoel nodig.’

MK: ‘Ik ben de minst wetenschappelijke van ons drieën - ik ben begonnen als regiojournalist bij het Leidsch Dagblad en van huis uit historicus en antropoloog. Echt een alfa.’

SvP: ‘Nou, je bent wel een beetje een verkapte bèta.’

MK: ‘Ik ben de huisnerd van de krant, dat is waar. Ik loop ook altijd op mijn sokken over de redactie. Ik heb mijn expertise als wetenschapsredacteur op kunnen bouwen door bij een universiteitskrant te gaan werken, net als Stan. Mijn hart ligt bij wetenschap. Het is een verhaal dat altijd maar door gaat. Het is ook een hele positieve vorm van nieuws; je wordt er altijd slimmer van. Bovendien geeft het je als journalist een mooi excuus om een leven lang te leren en nieuwe dingen te ontdekken.’

‘In tijden van Trump en nepnieuws is wetenschap is ook maar een mening’

SvP: ‘Ik heb het idee dat dat wel meevalt. De meeste mensen hebben nog steeds een groot vertrouwen in de wetenschap.’

SR: ‘Er is momenteel zelfs een waanzinnige behoefte aan wetenschappelijke autoriteit. In elk land zitten types als Jaap van Dissel en Diederik Gommers ’s avonds in talkshows aan tafel. En overal, van Spanje tot de Verenigde Staten, hangen de mensen aan hun lippen. Het publiek wil cijfers en grafieken zien. Ze willen weten hoe het met het reproductiegetal R0 is – voorheen had nooit iemand van R0 gehoord. Mensen hebben behoefte aan betrouwbare, wetenschappelijke autoriteit. En ja, dat is heerlijk.’

SvP: ‘Het mooie is ook dat ze weten waar ze het kunnen krijgen. Ze gaan er allemaal voor naar de gevestigde media. De NOS heeft veel hogere kijkcijfers dan anders. De kranten worden veel beter gelezen.’

MK: ‘Zelfs de mavericks, de dwarsliggers, proberen wetenschap te gebruiken om hun punt te maken. Ze komen doorgaans niet aan met de wijsheden van Jomanda ofzo. Nee, ze komen met studies, grafieken en tabellen. Die staan allemaal vol onzin; maar ze proberen wél de taal van wetenschap te spreken.’

SvP: ‘Daar moet je natuurlijk op bedacht zijn als journalist. Partijen doen aan cherry picking als bepaalde wetenschappelijke uitkomsten niet in hun straatje passen. Bijvoorbeeld als het gaat om grote vraagstukken als klimaat of stikstof. Eind februari werd bij Nieuwsuur zowel iemand van het Mesdagfonds (belangenbehartiger van de melkveehouderij, red.) geïnterviewd als een wetenschapper van het RIVM inzake stikstofcijfers. Tja, dat lijkt dan een leuke, evenwichtige balans. Maar het is natuurlijk geen evenredige discussie.’

Tekst loopt door onder de afbeelding

Simon Rozendaal

‘In crisistijd moet je beleid uitleggen en vooral niet bekritiseren.’

MK: ‘Ik snap werkelijk niets van die discussie. Het is ons werk als journalist om de koers kritisch te bevragen. We zijn niet his masters voice. Dus als het RIVM ineens beslist dat we de scholen dicht doen, of weer openen, dan is mijn reflex: waarom zeggen jullie dat eigenlijk? Waar is dat op gebaseerd? Laat het onderzoek dat het ondersteunt maar eens zien. Het afpellen van de werkelijkheid, voorbij wat mensen erover zeggen, vind ik een heel belangrijke functie van wetenschapsjournalistiek.’

SvP: ‘Dat is een journalistieke reflex die erin moet blijven. Ook in crisistijd. Want er is altijd wel ergens een crisis.’

SR: Het is overigens wel moeilijker als je er bovenop zit en de kwaliteit van je stukken afhankelijk is van mensen als Jaap van Dissel en Marion Koopmans. Je moet continu alert zijn dat je niet al te zeer in het denkframe meegaat van de mensen die je informatie leveren.
Ik snap overigens wel íets van de reflex die sommige journalisten hebben om nu niet te kritisch te zijn. Je hebt verschillende fasen in nieuws. Op een gegeven moment komt de fase dat we gaan terugblikken op alle fouten die zijn gemaakt. Maar daar is het nu nog niet het juiste moment voor. De vraag hoe we hier op een intelligente manier uitkomen, heeft een hogere prioriteit dan, bijvoorbeeld, de vraag hoe het mogelijk is dat iedereen, inclusief het RIVM, zich niet heeft gerealiseerd dat het virus niet in Azië zou blijven en onze kant op zou komen.’

MK: ‘Dat volg ik wel. Ik schrijf die grote evaluerende verhalen nu ook niet. Maar dat is eigenlijk met een hele andere reden: het is niet waar de belangstelling van het publiek nu naar uitgaat. Maar als er verwarring ontstaat over de computermodellen van het RIVM, (die moest in allerijl het gemiddelde aantal dagen dat een corona patiënt op de IC ligt bijstellen van 10 naar 23 dagen, red.) ga ik wel degelijk navragen: hoe zit dat?’

‘Corona is een zegen voor de wetenschapsjournalistiek’

SR: ‘Deze coronacrisis zou een aantal positieve effecten kunnen hebben. Een ervan is dat het die vreselijke Trump zijn herverkiezing kost. Dat hoop ik althans. Daarnaast denk ik dat er veel redacties nu met afgunst naar NRC en de Volkskrant kijken, en zich realiseren dat ze mijlenver achterlopen.’

SvP: ‘Je ziet ook dat sommige freelance wetenschapsjournalisten zich veel nadrukkelijker profileren. Neem Jop de Vrieze; hij is van huis uit medisch bioloog en is helemaal in de coronacrisis gedoken. Redacties weten hem nu ook te vinden. Wetenschapsjournalisten mogen wat mij betreft nog wel wat minder bescheiden zijn, en laten zien wat ze in huis hebben. Maar redacties moeten hen dan ook die kans geven, natuurlijk.’

SR: ‘Ik hoop dat het redacties ertoe beweegt om de uitstekende wetenschapsjournalisten die nu vrij rondlopen, binnen te halen. En nog belangrijker: dat hoofdredacties er zorg voor dragen dat wetenschapsredacties serieus verankerd zijn in de organisatie. Dat is cruciaal.’

MK: ‘Bij de Volkskrant is dat zeker zo. De wetenschapsredactie krijgt prominente posities in de krant en we voelen ons erg gewaardeerd.’

SR: ‘Het is ook een heerlijke tijd hè. Ik ben best een beetje jaloers op Maarten, die met zijn poten in het bluswater staat. Ik heb het dertig jaar geleden meegemaakt toen ik verslag deed van de aidsepidemie. Een ongelofelijke adrenaline kick. Een beetje wat buitenlandcorrespondenten moeten hebben gehad toen de Muur viel. Je zit er middenin en erbovenop. Fantastisch. Ik ben inmiddels gepensioneerd, maar volgens mij slaapt Maarten elke nacht een paar uur minder.’

MK: ‘Dat klopt ja. Je mag best even een weekendje mijn dienst overnemen.’

SvP: ‘Dan kan die Keulemans ook een keertje met verlof.’

Stan van Pelt (1978) is wetenschapsredacteur voor universiteitsblad Vox (RU). Als freelancer schrijft hij daarnaast geregeld voor onder meer de Volkskrant. Ook geeft hij schrijfonderwijs aan bèta-studenten. Van Pelt is gepromoveerd in de neurowetenschappen en werkte eerder bij het Donders Instituut. Vorige maand won hij de prijs voor beste wetenschapsjournalistieke productie van Nederland in 2019.

Simon Rozendaal (1951) is chemicus en wetenschapsjournalist. Hij begon zijn carrière als ingenieur-assistent aan de TU Delft maar maakte de overstap naar de journalistiek. In 1977 stond hij aan de wieg van de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. Van 1986 tot zijn pensioen in 2017 werkte hij als wetenschapsredacteur voor de redactie van Elsevier. Hij heeft nog altijd een wekelijkse column in Elsevier Weekblad en op zijn website houdt hij een coronajournaal bij.

Maarten Keulemans (1968) werkt sinds 2011 als wetenschapsredacteur voor de Volkskrant. Momenteel heeft hij zich vastgebeten in de coronacrisis. Van 2007 tot 2010 was hij eindredacteur en later adjunct van het tijdschrift NWT Natuurwetenschap & Techniek. Daarvoor was hij wetenschapsredacteur voor onder meer Folia, Quest, de NOS en Noorderlicht (VPRO). Keulemans is afgestudeerd historicus en cultureel antropoloog, en begon zijn carrière als verslaggever voor het Leidsch Dagblad.

Bekijk meer van

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.