website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Henk Blanken: ‘Je wordt niet zomaar correspondent dood & ­aftakeling’

Boudewijn Geels — Geplaatst op vrijdag 10 mei 2019, 11:00

© TRIK

Interview Hij was een hyperambitieuze journalist, een tough guy. Tot het lot zijn middelvinger naar hem opstak: Parkinson. Nu schrijft Henk Blanken (59) over dood en aftakeling. Hij gebruikt zijn laatste krachten ook om journalisten beter te leren schrijven. Omdat het leuk én nodig is. Gesprek met een maniakale zoeker naar de Perfecte Zin.

Zijn ademhaling is zwaar, door de neus. Snuivend. Maar de hand waarmee Henk Blanken al pratend over mooie, lelijke en onbegrijpelijke zinnen sinaasappelsap in zijn glas giet, is volkomen rustig. Dat was een jaar geleden niet zo. Ook zijn hoofd houdt hij relatief stil.

Toen hij zich twee uur geleden liet ophalen bij de receptie van bij Het Financieele Dagblad in Amsterdam oogde hij sowieso kwieker dan toen. De trap nemen zit er al heel lang niet meer in, daarvoor is zijn ziekte in een te vergevorderd stadium. Maar het tempo waarmee hij zich over de redactie bewoog was hoger dan tijdens eerdere bezoeken.

Met Blankens stem gaat het níet beter. De vier FD-redacteuren die deze woensdagochtend in maart zijn cursisten zijn, moeten goed hun best doen om alles te verstaan. In een met vitrage afgeschermd glazen hok op de redactievloer neemt Blanken een artikel van een van hen onder de loep. Het stuk, hoewel een reportage droogjes en zakelijk opgeschreven, zal de krant heus geen lezers hebben gekost, maar er had zoveel méér ingezeten, legt hij uit. De auteur ervan knikt monter. ‘Dat zie ik nu ook.’

Zo reageren journalisten niet altijd als ze ‘aan de beurt’ zijn. Met leeftijd heeft het weinig te maken, met sekse evenmin. Wel met, weet Blanken, vooroordelen dat hij journalisten wil aanzetten tot literatureluur, met veel betekenisvol gestaar uit beslagen ramen en andere barokke geschiedsverfraaiing c.q. fictie.

Vorig jaar proefde hij tijdens zo’n cursus bij een krant stevige weerstand. Na afloop sprak hij zelfs zuchtend van een ‘uphill battle’.

En dan voelt de lange terugreis naar Haren extra zwaar.

Niemand zou het gek vinden als Blanken, oud-journalist van Het Vrije Volk en de Volkskrant en voormalig adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, veilig in de buurt van zijn huis vlak onder Groningen-stad zou blijven. Acht jaar geleden werd bij hem Parkinson geconstateerd. Een ziekte van geleidelijk afstervende zenuwcellen en steeds verder invalide raken. En als hij extra pech heeft: dementie.

Over dat mogelijk dement worden – de kans is 50 procent – maakt hij zich nog het meest zorgen. Dat leidt tot een constante stroom publicaties van en interviews met Blanken.

We zitten, een week na de sessie op de FD-redactie, in de enorme tuin van zijn twee-onder-één-kapwoning in Haren. Een explosie van groen. Een vers gelegd pad waar minimaal zes auto’s op kunnen staan. Een speciaal zitje voor de schrijverij.

Blanken is correspondent dood & aftakeling voor De Correspondent. In 2015 verscheen zijn ‘non-fictie-roman’ ‘Pistoolvinger’, die vorig jaar een uitgebreide heruitgave kreeg met als titel ‘Je gaat er niet dood aan’. Ook stond vorig jaar augustus – hij is er nog steeds apetrots op – een essay van zijn hand in de Britse krant The Guardian. Kop: ‘My death is not my own.’

Maar zover is het nog niet. Zwarte spijkerbroek, zwart mouwloos T-shirt waaruit gebruinde armen steken, zwarte Nike-baseballpet, zwarte zonnebril. Ook een 59-jarige Parkinsonpatiënt kan er prima macho uitzien.

Hoe voel je je vandaag?
‘Goed. Ik heb goed geslapen. Wel staat er vrij veel wind. Dat vind ik lastig.’

Heeft dat iets met je ziekte te maken?
‘Dat heeft er alles mee te maken. Van alles wat onrustig is word ik zelf ook wiebelig.’

Je arm trilde vorige week niet meer. Hoe kan dat?
‘Ik ben gestopt met veel te veel medicijnen slikken. Van al die pillen werd ik erg beweeglijk.’

Maakt het feit dat je wordt geïnterviewd je ook onrustig?
‘Nee, je had net zo goed de buurman kunnen zijn die een kop koffie komt drinken. Ik ben al zó vaak geïnterviewd de laatste vijf jaar.’

En goed ook.
‘Zeker. Wat vond je de mooiste?’

Ik las een boeiend interview in Vrij Nederland. En dat door Fokke Obbema van januari in de Volkskrant, over de zin van het leven, was ook prachtig.
‘Dat waren wel twee van de beste, ja. Piet Piryns is hier nog geweest, voor Knack. Echt een held van me, al heel lang. Jij werkte vroeger toch bij HP/De Tijd? Jouw oud-collega Matt Dings schreef in voorloper De Tijd ook geweldig. Ik weet trouwens niet eens of Matt nog leeft.’

Helaas. Hij overleed in maart 2018. Kanker.
‘Wat?! Godverdomme!’

Hij noemt namen van andere helden, levend en dood. Rudie Kagie, ex-Vrij Nederland en nog steeds actief bij veteranenperiodiek Argus. Martin van Amerongen, de in 2002 overleden hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. ‘Van Amerongen was de allermooiste journalistieke schrijver die we ooit hebben gehad. Een goddelijke stilist. De krullen in zijn zinnen! En, iets zakelijker maar met een verrukkelijke weemoedigheid, natuurlijk de oude Ton van Dijk. Ik heb reportages van hem op Verhalengarage gezet. Nog steeds briljant.’

Op Verhalengarage.nl verzamelt en analyseert Blanken reportages die anderen tot voorbeeld moeten strekken. Met Wim de Jong publiceerde hij in 2014 ook het ‘Handboek verhalende journalistiek’.

Wie pretendeert dat hij anderen kan leren schrijven, moet zelf natuurlijk ook iets kunnen laten zien. In 1988 won Blanken het Gouden Pennetje, en in 2012 een Tegel, met een artikel over ‘Project X’, het totaal uit de hand gelopen ‘Facebook-feestje’ in zijn woonplaats Haren.

Ook zijn ziekte, zo heeft Blanken al vaak verteld, zag hij meteen als een buitenkans: ‘Het is wel een goed verhaal.’ Nu zegt hij ook: ‘Al weet ik niet meer of ik dat meteen vond toen ik mezelf voor het eerst benatte in de trein van Groningen haar Haren.’

Hier een passage uit zijn long read in The Guardian, die ook in De Groene Amsterdammer verscheen, over wat hij meemaakte toen hij een tijdje in een kliniek verbleef en lotgenoten observeerde:

Job, een zeventiger met een stevige kop, een doorleefde blik en grove, boerse handen, zat tijdens de warme maaltijd tegenover mij. Ineengedoken als een bange vogel schoof hij de zuurkoolstamppot naar binnen, zijn mond vlak boven zijn bord. Job kwijlde. Af en toe viel er wat prak terug, van zijn vork of van zijn ruwe roodgezwollen onderlip. Toen zijn bord halfleeg was, voerde een verpleegkundige hem een paar hapjes. Daarbij zakte Jobs kin tot op de rand van het bord, zijn grijze baardje in de koude zuurkoolprak.
Mijn god.

Dat ‘Mijn god’ als apart regeltje is een vorm die Blanken zijn cursisten van harte aanbeveelt om een zin meer zeggingskracht te geven. FD-redacteur Carel Grol raakte zo enthousiast dat zijn reportages soms hele reeksen van die losse zinnetjes – niet zelden bestaand uit slechts één woord – bevatten. Onlangs zette Blanken een verhaal van Grol (‘Hij kan de nieuwe Ton van Dijk worden’) op Verhalengarage. Kortom: twee liefhebbers hebben elkaar gevonden.

Blankens liefde voor verhalende journalistiek grenst aan het maniakale. Elk woord van de alinea over de demente Job is uitgebreid tegen het licht gehouden: kan het niet nog mooier, raker, indringender? Voor ‘Je gaat er niet dood aan’ ging Blanken, vroeger ook al een streber, helemaal ver. Hij leest een passage voor en zegt dan: ‘Als je één zin anders begint, is het ritme van het hele stukje weg. Elke zin in het boek heb ik zo’n dertig keer herschreven. Het kan zijn dat ik bij dat redigeren zie dat één woord aan eind van een zin vervangen moet worden. Dan kan het zijn dat ik mijn vrouw roep: “Ik zoek een woord dat dit is qua betekenis, maar het moet wel uit drie lettergrepen bestaan met de klemtoon op de middelste lettergreep, anders kan ik het niet gebruiken.” Zo ritmisch probeer ik te schrijven.’

Waar komt dat perfectionisme vandaan?
‘Van heel veel poëzie lezen.’

En als je nou een hekel hebt aan poëzie en toch beter wilt worden?
‘Als je zinnen bonkig zijn en je wilt dat oplossen, dan moet je schrijvers lezen die het wél kunnen.’

Hij verdwijnt zijn huis in om een stapel boeken van zijn favoriete auteurs te halen. Bovenop ligt ‘Zonsopgangen boven zee’ van Jeroen Brouwers, uit 1977. ‘Ik las tussen mijn 20e en mijn 30e alles van Brouwers. Als je zijn boeken leest, snap je waar het bij mij vandaan komt. Dit (hij klopt op ‘Zonsopgangen’, red.) is de mooiste liefdes­roman uit het laatste kwart van de vorige eeuw.’

En als je nou niet dol bent op liefdesromans?
‘Dan moet je tóch alles van Brouwers lezen. Het gaat over literatuur, de liefde – met name over hoe het mis kan gaan – en over de dood. Mijn belangstelling voor het onderwerp doodgaan vond ik terug bij Brouwers.’

Had je die belangstelling al voor je ziek werd?
‘Al vanaf mijn 18e. Sterker: mijn 15e. Altijd gehad.’

Hoe kan dat?
‘Weet ik niet. Ik vond het heerlijk om over Jan Arends te lezen, de schrijver die in 1974 uit het raam sprong. Of over de Vlaamse junkie-dichter Jotie T’Hooft.’

Zelfdestructieve types. Dat zegt ook iets over jou.
‘Daar denk ik nu wel over na, ja.’

Zélfdestructie dus. Niet destructie door een ziekte, waar je niets aan kunt doen.
‘Ik ben vrij goed in het ontkennen van mijn ziek zijn. Maar ik zou wat socialer zijn, en nog meer lol in mijn leven hebben, als ik niet tegelijk al die stukken over de dood schreef. Je wordt niet zomaar correspondent dood & aftakeling. Dan moet er wel een steekje aan je los zijn.’

Zijn de kranten- en tijdschriftreportages van nu anders van opzet dan die van pak hem beet 25 jaar geleden?
‘Toch wel. Toen ik medio jaren 90 bij de Volkskrant werkte, was het gebruikelijk om een reportage heel poëtisch te beginnen, vervolgens een enorme bak saaie informatie over de lezer uit te storten en er dan een dichterlijk slot aan te draaien. Zelfs deed ik het ook zo. Dat was natuurlijk heel slecht. Hunter S. Thompson, boegbeeld van de new journalism, zei altijd: “Blend, blend, blend.” Ook erg: topische zinnen waarin je aan het begin van de alinea de hele inhoud daarvan al weggeeft. Weg spanning! Ook pleit ik ervoor om een verhaal chronologisch te vertellen. Mensen denken namelijk ook chronologisch. Het wordt ook spannender om te lezen, omdat je niet weet hoe het afloopt.’

In december 2018 was er de rel rond Claas Relotius, sterverslaggever van het gerenommeerde Duitse blad Der Spiegel. Hij had tientallen verhalen deels verzonnen, vervalst of verdraaid. Jan Kuitenbrouwer veegde daarop de vloer aan met de door jou gepropageerde ‘narratieve journalistiek’. Het vloeiend en beeldend vertelde verhaal gaat te vaak voor de banale werkelijkheid, een werkelijkheid vol witte plekken omdat de journalist zelden álles weet, schreef Kuitenbrouwer. Zijn artikel werd veelvuldig met instemming gedeeld op de sociale media.
‘Ik zeg elke cursus weer: ook voor de verhalende journalistiek geldt dat alles echt gebeurd en te verifiëren moet zijn.’

Jij wilt dat journalisten in de huid kruipen van hun personages. Hen dingen laten voelen en denken. Dat gaat best ver.
‘In de reguliere journalistiek doen we dat toch ook? Als jij schrijft: “Sven Kramer voelde zich fantastisch na zijn overwinning”, dan ga ik ervanuit dat je Kramer hebt gevraagd hoe hij zich voelde. De beste verhalende journalisten staan heel snel op een soort voetstuk, want ze winnen prijzen. En dat willen ze ook. Er zitten klootzakken tussen die de boel naaien. Maar ik weet zeker dat het aantal fraudeurs in de traditionele journalistiek nog veel hoger is. Alleen zien we het niet, omdat we er niet op gefocust zijn. De actievoerder die in een reportage over een FNV-demonstratie precies de juiste quote heeft bijvoorbeeld.

Ik geloof dat een goed journalistiek verhaal net zo character driven is als een roman. Het drama moet voortkomen uit wie de man of vrouw is, uit wat hij of zij heeft meegemaakt.’

Als je dat vooral aan diegene zelf vraagt, loop je het risico een soort heldenepos te krijgen.
‘Dat is waar. Ik heb ook nog niet één keer een verhalende reportage gemaakt die zo goed is als ik zelf zou willen.’

Dan hebben Peter Buwalda en Tommy Wieringa, twee jongere helden van je, het een stuk makkelijker. Wat zij in hun romans schrijven hoeft niet in het echt precies zo gebeurd te zijn.
‘Het gaat me om hun manier van formuleren. Doe het die twee maar eens na.’

Zoals Job uit het fragment uit zijn Groene Amsterdammer-essay wil Blanken onder geen beding eindigen. Dus vecht hij voor een wijziging van het wetboek van strafrecht. Als hij straks zelf dement is en overduidelijk lijdt, wil hij dat zijn ‘lief’ in samenspraak met een arts kan beslissen dat het genoeg is geweest. Dat kan nu niet. Ook niet als een patiënt dat eerder zelf in een wilsverklaring heeft vastgelegd.

Wie als Alzheimerpatiënt uit het leven wil stappen, moet dat doen zoals de schrijver Hugo Claus: in ‘fase 1’. De 78-jarige Vlaming was nog wilsbekwaam toen hij in 2008 om euthanasie vroeg. Als hij langer had gewacht zou hij dat niet meer zijn, en dan is euthanasie onmogelijk. De beroemde auteur ‘moest’ dus te vroeg sterven.
Doodzonde en nodeloos wreed, benadrukt Blanken tegenover wie het maar wil horen. Daar zitten tot zijn tevredenheid ook bestuurders van zorgkoepels en Tweede Kamerleden bij.

Een ‘eenmansguerilla’ noemde zijn ex-Volkskrant-collega Fokke Obbema (die zelf een hartstilstand overleefde) hem. Hoe de strijd precies afloopt: Blanken weet het niet. Zijn verhaal heeft een open einde.

Droogjes vanachter zijn zwarte pilotenbril: ‘Behalve dat het sowieso lullig wordt.’

‘170 mensen leiden was te veel’

Henk Blanken was geen geweldige adjunct-hoofdredacteur, zegt hij zelf. Jan Bonjer, toen hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (DvhN) en nu de baas bij het FD, plukte de geboren Rotterdammer in 2003 weg bij de Volkskrant om het DvhN klaar te maken voor het internettijdperk. Blanken: ‘Maar toen ik in 2011 vertrok was de redactie nog net zo conservatief gericht op het schrijven voor papier als bij mijn aantreden.’

Dat was niet het enige. ‘Het karakter van Groningers lijkt op dat van Rotterdammers: zakelijk, vrij hard. Weinig spatsies, zoals Amsterdammers. Dus ik dacht: dat moet lukken. Maar in de praktijk viel dat tegen. Volkskrant-redacteuren zien hun werk als roeping, hier is het veel meer een baan. Een regionale krant kan zich ook geen politieke drive à la “de welvaart moet eerlijker verdeeld” veroorloven, want zowel VVD’ers als PvdA’ers moeten hem willen lezen. Dat heb ik wel gemist.’

‘Ik was sociaal ook niet handig genoeg. Geen mensenmens zoals Bonjer dat is. Ik had de neiging om met een paar redacteuren heel goed om te gaan en 80 procent niet te zien. Dat schiet niet op. Ik ben ook veel wispelturiger en emotioneler dan Jan.’

‘Terugkijkend was ik vooral goed in het aanvoeren van een klein team. Wat mensen gek maken met een idee, een visie, en er dan samen voor gaan. 170 man was gewoon te veel.’


BIO

Henk Blanken (Rotterdam, 1959) ging na het atheneum aan de slag bij De Havenloods (1978-1980). Daarna was hij redacteur bij Het Vrije Volk (1980-1987) en de Volkskrant (1987-2003), en adjunct-hoofdredacteur bij Dagblad van het Noorden (2003-2011). De laatste jaren geeft hij af en toe trainingen en gastcolleges over verhalende journalistiek. Sinds eind vorig jaar schrijft Blanken voor De Correspondent.Zijn werk werd bekroond met o.m. Het Gouden Pennetje, De Tegel en de Europese Prijs voor Gezondheids-journalistiek. Hij publiceerde drie boeken over journalistiek en drie boeken met literaire non-fictie. Zijn meest recente boek is ‘Je gaat er niet dood aan – zoektocht naar de grenzen van mijn aftakeling’.

Henk Blanken is een van de sprekers op de conferentie verhalende journalistiek, van 16 tot 18 mei in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

expertisedag 2019

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.