Gijs Beukers’ pleidooi voor de reportage: het moeilijkste en mooiste genre dat er is
Gijs Beukers (30) had een hekel aan de reportage. Zonder een journalistieke opleiding om op terug te vallen, had hij geen idee wat hij ermee aan moest. Maar al doende leert men, en na een tijdje met reportage-koning Marcel van Roosmalen te zijn opgetrokken voor een verhaal, weet hij het helemaal zeker: de repo is een van de mooiste genres die de journalistiek rijk is.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?
Op de eerste dag dat ik voor een stuk in de Volkskrant meeliep met Marcel van Roosmalen ging ik mee zijn dochters ophalen van school in Wormer, liep daarna met het gezin door de plaatselijke antiquair, hoorde Marcel schreeuwen naar de verkoopster daarvan, zag op de terugweg naar huis Leah (5) op haar knie vallen, kreeg toen zelf de duwstang van de kinderwagen van Frieda (0) in handen, kreeg de herstelde Leah op mijn schouders, hoorde Van Roosmalen in de Vomar en de Kruidvat opmerkelijke gesprekken voeren met klanten en personeel, reed met hem in een klein autootje richting Zaandam, zag hem in de artiestenruimte van het Zaantheater zwijgend tegenover Gijs Groenteman op een bank liggen, waarna ik in de zaal zat waar ze hun show de Pannenkoekencaravan opvoerden.
En dit was nog maar dag 1. Een paar weken later zei Van Roosmalen na een interview in Amsterdam dat ik mee kon rijden naar Wormer. Omdat Van Roosmalen geen rijbewijs heeft – zeker vier keer heb ik gevraagd of ik alsjeblieft mee mocht met een rijles; hij zei dat hij dat aan zijn instructeur zou vragen – werd hij gereden door de neef van zijn vriendin, columnist Eva Hoeke. In Wormer zat ik de hele dag in zijn tuin, waar ik onder meer zag hoe hij de balletkunsten van Leah jureerde.
Van Roosmalen overdreef mijn fanatisme toen hij in de podcast ‘Weer een dag’ zei dat ik een cassetterecorder onder het tafelkleed had verstopt. Maar ik had na die twee dagen wel voor uren aan opnames en pagina’s aan aantekeningen.
Hij overdreef ook toen hij zei dat ik een inzinking had gehad vanwege het overvloed aan materiaal. Maar ik was wel in de stress. Vooral over de vraag: waar ga ik mijn stuk in hemelsnaam mee beginnen?
Een nieuwsbericht schrijft zich, vanachter het bureau, redelijk vanzelf. In de eerste zin komt het nieuws, daarna beschrijf je waarom dat nieuws belangrijk is,
vervolgens licht je een en ander toe. Bij een reportage hangt alles af van de schrijver. Wat doe je, wat zie je, wie spreek je aan en hoe schrijf je het op? De reportage is daarom, denk ik, het moeilijkste genre binnen de journalistiek.
Maar in dit stuk wil ik uitleggen waarom ik ook denk dat het ook een van de mooiste genres is.
In het begin haatte ik de reportage. Ik heb geen journalistiek gestudeerd, dus toen ik door de Volkskrant de eerste keren op pad werd gestuurd, had ik geen idee wat ik moest doen. In Terneuzen, waar ouderen een opfriscursus voor hun rijvaardigheden kregen, schreef ik alleen de dingen op die ik grappig vond. Na een alinea over het hoge aantal 75-plussers dat overlijdt per afgelegde kilometer, volgde er een over Frans, een vrolijke zeventiger die de show stal door uit het niets een streeklied te zingen. Bij terugkomst op de redactie vertelde mijn chef me dat de ‘reportage-elementen’ wel iets met de voorafgaande alinea te maken moesten hebben.
Ik kwam erachter dat basale kennis van het journalistieke handwerk geen overbodige luxe is en kocht het ‘Basisboek journalistiek schrijven’, van Henk Asbreuk en Addie de Moor. Daarin las ik: ‘Een journalist die een reportage schrijft, maakt langere tijd deel uit van de situatie waarover hij schrijft, spreekt daar meerdere bronnen, observeert en koppelt die informatie aan achtergrondinformatie.’ Die laatste vijf woorden markeerde ik.
Een reportage is een heerlijk excuus, om – op kosten van je opdrachtgever – op plekken te komen waar je eigenlijk niet (meer) hoort te komen
Een paar maanden later meldde ik tijdens de ochtendvergadering dat het kabinet wilde gaan experimenteren met buurtrechters. Ik vertelde dat er in Noord-Nederland al een dergelijke proef gaande was, waarbij de rechter soms, maar niet altijd, poolshoogte gaat nemen bij de mensen thuis. De chef vond het een goed idee en zette me op de trein naar Assen.
In een zaaltje in de rechtbank daar zag ik twee buren ruziënd tegenover elkaar staan. Geluidsoverlast. Braaf noteerde ik alle details die me relevant leken – hoeveelheid decibellen, afstand tussen kamers. De fotograaf had de rechter vastgelegd, zittend in zijn vaste stoel. Terug op de redactie legde ik het stuk tevreden voor aan mijn chef.
Hij had – niet geheel onbegrijpelijk – op totaal iets anders gehoopt. Hij zag een reportage voor zich waarbij een rechter in lieslaarzen overhangende heggen inspecteerde. Een soort Rijdende Rechter dus, maar dan in het echt.
Toen ik nog eens door het ‘Basisboek journalistiek schrijven’ bladerde, bleek ik geen reportage te hebben geschreven, maar een rechtbankverslag. Een week later stapte ik weer op de trein naar Assen. Gelukkig ging de rechter toen wel de deur uit.
Kort daarna verliet ik ‘verslaggeverij’ om naar de mediaredactie te gaan. Daar zijn reportages minder gebruikelijk. Ik schreef er een paar, voornamelijk vanaf de sets van films en series. Ik ging naar het Zeeuwse Brouwershaven, waar scènes werden opgenomen voor de oorlogsfilm ‘De slag om de Schelde’. En naar Praag, voor de Netflix-serie ‘The Letter for the King’.
Die uitjes wezen me al snel op een groot voordeel van de reportage: je komt nog eens ergens. Dat gevoel had ik al helemaal toen Robert van Gijssel, muziekredacteur van de Volkskrant, me deze zomer vroeg om met een speciale feesttrein naar het Hongaarse festival Sziget te gaan.
In de Sziget Express stond ik tussen tongende tieners terwijl hun leeftijdsgenoten ‘een adtje voor de sfeer’ scandeerden. Net toen ik mezelf rond 01.30 uur lichtelijk bezorgd begon af te vragen waarom ik nog in de ‘partycoupé’ stond – was dit voor de reportage of toch voor mijn plezier? – kwam er een jongen naar me toe. ‘Hé, de Volkskrant!’, zei hij lachend. ‘Neemt de Volkskrant ook een nakkie (lijn cocaïne)?’ Door dat uitstekende citaat kon ik mezelf geruststellen: ik was hier voor mijn werk.
Een reportage is een heerlijk excuus, om – op kosten van je opdrachtgever – op plekken te komen waar je eigenlijk niet (meer) hoort te komen, maar ook om met jan en alleman te praten.
Toen ik deze herfst in mijn eentje op reis ging naar de Verenigde Staten, voelde ik een voortdurende schroom bij het aanspreken van anderen. Toen ik in een bar in Denver aan een vriendengroep wilde vragen of ik me bij het gesprek kon aansluiten, schoot het even door mijn hoofd om te verzinnen dat ik daar was voor een artikel. ‘Hi, I work for a Dutch newspaper’, klinkt toch iets minder wanhopig dan: ‘Hi, I have nobody to talk to.’
In de Sziget Express had ik geen last van die drempel.
Ik sprak daar niet namens mezelf, maar namens de krant. De vriendelijkheid en open houding van de feestende passagiers verbaasden me. Iedereen – letterlijk iedereen – wilde een praatje maken en vond het prima om met voor- en achternaam in de krant te komen.
Aan materiaal voor het stuk was daardoor ook in dit geval geen gebrek, maar omdat ik het besloot chronologisch te vertellen, hoefde ik over de eerste alinea’s niet lang na te denken.
Bij het stuk over Van Roosmalen zat ik daar wél mee in mijn maag. Totdat hij me op een dinsdagochtend belde. ‘Ik heb het er met Jimmy over gehad’, zei hij, ‘en hij vindt het prima als je vrijdag meegaat met de rijles. Dat wordt cult.’
Hier zit een goede openingsscène in, hoopte ik. Toen hij vervolgens bij een T-splitsing in plaats van op de rem op het gaspedaal stampte en rijschoolleraar Jimmy Salawanej op het nippertje een crash wist te voorkomen, wist ik dat ik me helemaal geen zorgen meer hoefde te maken.
Gijs Beukers (Amsterdam, 1992) studeerde rechten aan de Universiteit Utrecht en volgde de master internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam. Eind 2016 ging hij stagelopen bij de Volkskrant. Na een aantal tijdelijke contracten en een korte periode freelancen is hij daar sinds 2021 in vaste dienst. Als mediaredacteur schrijft hij vooral voor het cultuurkatern V. Lees Beukers’ reportage over Marcel van Roosmalen hier terug.


Praat mee