Afstudeerprijs Villamedia 2019

— donderdag 2 april 2015, 15:59 | 0 reacties, praat mee

‘Geen mensen zulke lange tenen als jihadisten’

© TRIK

Tot op je ondergoed nat­regenen om de juiste bron te vinden. Nikki Sterkenburg draait er haar hand niet voor om. Voor Elsevier schrijft ze over radicalisering en polderjihadisme, en dat vereist een hoop posten op locatie. ‘Het is een moeilijk toegankelijke wereld. Voor je het weet heb je alweer vier mensen beledigd.’

In het nawoord van Nikki Sterkenburgs (30) onlangs verschenen boek ‘Ongeloofwaardig’ een speciaal dankwoord aan haar kersverse man. ‘Omdat hij niet schrikt als er ineens een boomlange salafist met een vuistlange baard twee uur te vroeg op de stoep staat – en ik niet thuis ben om het uit te leggen.’ Het kon de afgelopen anderhalf jaar zomaar een keer voorkomen. Sinds die tijd werkt Sterkenburg als redacteur radicalisering op de redactie van Elsevier, en kruiste haar weg met bekeerling Dennis Abdelkarim Honing, een Haarlemse jongen die in korte tijd radicaliseerde, tot inkeer kwam en een liberale moslim werd. Heel wat uren bracht ze met hem door in een Turks theehuis. ‘Ik ben ooit afgestudeerd op radicaliserende bekeerlingen. Dus toen ik hem zag dacht ik: ja dit is ’m! Dit is de jongen uit mijn scriptie!’ Toen Honing vertelde over zijn plannen een boek over zijn verhaal te willen maken, sloegen ze de handen ineen. Drie keer per week voerden ze lange gesprekken in de avonduren. Als de werkdag bij Elsevier erop zat. Eerst in de theehuizen, later – toen hij rap liberaler werd en er genoeg vertrouwen was – bij hem en zijn gezin thuis, of bij Sterkenburg en haar man. ‘Die zei gewoon: “Oh, blijf je eten?”, als Dennis onverwacht voor de deur stond’, zegt ze in haar Haarlemse rijtjeswoning terwijl voormalig Spaanse zwerfhond Spritz zijn kunstjes vertoont. ‘De gesprekken werden steeds langer en persoonlijker. In het begin wilde hij veel niet vertellen. Stapje voor stapje kwam het. Ik kwam steeds beter tot de kern. Als een ui die laagje voor laagje werd afgepeld.’

Hoe journalistiek heb je dit project kunnen aanpakken? Kon Honing een kritische houding waarderen?
‘Journalistiek genoeg, denk ik zelf. Mensen hebben geen idee hoeveel research ik hierin heb zitten. Als Honing zei: “Bin Laden heeft ooit eens gezegd dat…”, zat ik avond aan avond YouTube filmpjes van Bin Laden te kijken, mezelf in wanhoop afvragend wanneer hij de desbetreffende uitspraak nou eens zou doen. Wat ik heel prettig vind, is dat ik Dennis in al die tijd nooit op een leugen heb kunnen betrappen. Dat gaf voor mij de doorslag om ermee door te gaan. Soms waren we het totaal niet met elkaar eens en kon het hard tegen hard gaan. Ik heb wel eens uitgeroepen: “Joh, ik studeerde al Islam voordat jij je had bekeerd.’ Maar ook al lagen we van tijd tot tijd overhoop; het was altijd duidelijk dat we het zouden afmaken.’

Wat trekt je zo aan in die geradicaliseerde moslims?
‘Ik was 17 toen 9/11 gebeurde. Twee jaar later ging ik in Amsterdam wonen om Nederlands te studeren. Ik kwam in Osdorp terecht; er was nergens anders een kamer te krijgen. Daar liep ik heel vaak vanaf de tramhalte naar huis als een van de weinige blanken in de wijk. Met een stapel romans onder mijn arm. Ik dacht: het is allemaal leuk en aardig, die romans, maar ik begrijp niet eens hoe de samenleving in elkaar steekt, en ik snap niets van deze wijk waar ik nu woon. Dus ging ik bijvakken volgen bij politicologie, islamitisch recht en religiestudies, en stroomde door naar een master Islam in de moderne wereld. Ik heb altijd een fascinatie gehad voor de streek en de religie. Het Oosterse en het exotische. Nu las je er zoveel over, en ik woonde er middenin. Ik wilde gewoon weten hoe het zat.’

Ging je het door die studie beter begrijpen?
‘Nee. Eigenlijk heb ik pas het laatste jaar het idee dat alles op z’n plek begint te vallen. Omdat ik nu veel actiever met mensen uit de Islamitische gemeenschap praat, veel in moskeeën kom. Dat leer je niet als je in de universiteitsbibliotheek een boek zit te bestuderen.  Door die studie praat ik natuurlijk wel makkelijker. Als moslims me college gaan geven, kan ik vrij snel laten merken: dat weet ik allemaal al. De teksten waar radicale moslims zich op beroepen, heb ik ook ooit gelezen. Dus ik kan wel een beetje meepraten.’

Dat ze haar specialisme en voorliefde uiteindelijk zou toepassen in de media, was lange tijd niet zo logisch voor Sterkenburg. ‘Ik ben een ontzettende laatbloeier. Ik dacht heel lang dat ik het niet in me had om te doen wat ik nu doe.’ De faalangst schrijft ze toe aan een geknakte jeugddroom: musicalster worden. ‘Naast mijn middelbare school deed ik een particuliere musicalopleiding in de avonduren, ik zat in de klas bij William Spaaij (inmiddels een bekende musicalster, red.). Zingen, dansen, toneelspelen; het was van kleins af aan mijn grote liefde. Ik deed het vijftien tot twintig uur per week – zelfs mijn ouders vonden het een beetje maniakaal. Maar bij elke auditie was ik net niet goed genoeg.  Ik ben van een generatie die altijd te horen kreeg dat je alles kunt worden wat je wilt, als je maar hard genoeg werkt. Dat bleek niet waar. Als je niet genoeg talent hebt, lukt het niet. Daar was ik zo vreselijk teleurgesteld over.’

Het was de reden dat het lang duurde voor ze de journalistiek een kans durfde te geven. Tijdens haar studie Nederlands had ze al wel bijbaantjes als publieksopvanger bij Paul de Leeuw (‘Elke week vierhonderd Adje-fans de zaal induwen, fantastisch.’) en kabelsjouwer bij DutchView (‘Ik heb er nog even mee gespeeld cameravrouw te worden’). Rond die tijd liep ze ook stage bij TweeVandaag. ‘Ik vond het op zich wel leuk, maar mijn stagebegeleider was niet wild enthousiast. Dus ik dacht: dit zal ik dan ook wel niet kunnen.’

Sterkenburg werd docent Nederlands en Maatschappijleer. ‘Best een goed leven hoor. Ik had een fijn huis, een verloofde met een heel goed inkomen als ICT’er die altijd alles met me wilde delen, veel vakantie.’ Maar toch: het knaagde. ‘Opeens dacht ik: straks ben ik zo’n vrouw die elke middag om half vier aan de rosé gaat vanwege ongelukkigheid. Ik wilde iets doen wat me na aan het hart lag.’ Een keerpunt. Binnen een week had ze zich ingeschreven voor de master journalistiek in Groningen, een kamer gevonden en was de relatie gestrand. ‘Het was 2009. Ik wilde mezelf drie jaar de kans geven. Ook al moest ik honderdduizend angsten overwinnen. Voordat ik was afgestudeerd had ik een freelance baan als misdaadjournalist bij Nieuwe Revu. Toen ik mijn diploma in ontvangst nam, zat ik net bij Quote.’

Bij Elsevier heb je vanuit het niets een netwerk moeten opbouwen onder radicaliserende moslims. Dat lijkt me niet de makkelijkste groep om bij binnen te komen. Hoe heb je dat aangepakt?
‘Door veel naar plekken te gaan waar ze vaak komen, veel de straat op, veel kopjes koffie drinken. Als er op Facebook wordt aangekondigd bij welke ambassades ze gaan demonstreren voor de vrijlating van islamitische gevangenen, dan ga ik daar naartoe. Ik sta geregeld in de kou een uur bij een moskee te posten totdat er ­iemand uitkomt, of totaal weg te regenen bij een demonstratie waarna ik nat tot op mijn ondergoed naar huis moet.’

Kwestie van een lange adem hebben dus.
‘Een hele lange adem. Dat heb ik bij Nieuwe Revu geleerd. Daar gold: je nieuws haal je nooit van NU.nl af. Mijn toenmalige chef, Wouter Laumans, vond niets leuker dan mij de hele dag de straat op te sturen. Iedere keer als ik op kantoor kwam zei hij: “Wat doe je hier? Heb je een verhaal? Wegwezen dan!” En als hij me later opbelde: “Je zit toch niet in de Coffee Company hè? Daar ga je het niet vinden hoor.” Ik werd midden in de nacht de Bijlmer ingestuurd, of undercover tussen 1200 Hells Angels. Ik moest totaal uit mijn comfort zone en ik vond het doodeng. Maar ik pluk er nu de vruchten van. Het is heel effectief om – in deze tijden van social media – juist ouderwetse verslaggevingstechnieken te gebruiken. Een mailtje met een verzoek om een kop koffie kan iemand zo wegklikken, maar als je gewoon aanbelt, kunnen mensen je minder makkelijk negeren. Ik merk dat ik vaak een behoorlijke voorsprong heb door ergens heen te gaan en mijn gezicht te laten zien.’

Als die geradicaliseerde jongeren na drie uur posten uiteindelijk opduiken, willen ze dan wel met jou praten?
‘Ze hebben allemaal een zwijgcode, maar dat moet je een beetje relativeren. Op het ene moment zeggen ze heel agressief: “we praten niet met jou”. En op een later moment, als ik op het station achter ze sta om een patatje te halen bij de Smullers, gaat het gewoon over Cola, meisjes en McDonalds. Dennis noemt het in ons boek: “bestel-een-rel”. Boos doen op afspraak, en daarna weer over tot de orde van de dag.
Maar het is wel moeilijk. Geen mensen zulke lange tenen als jihadisten. Je hoeft maar dit te zeggen (knipt met haar vingers) en ze zijn weer kwaad op je. Neem zo’n groep als Straat Dawah, waar Dennis deel van uitmaakte. Die mediahoppen er vrolijk op los. Want eerst hadden ze de Volkskrant, en daarna Elsevier. Toen ik niet meer met ze door één deur kon, gingen ze naar Nieuwsuur en de laatste tijd zijn ze goed met het AD en de NOS. Op een gegeven moment hebben ze het gehad met jou en je medium. Zo werkt het.’

Jij bent een actief twitteraar, schuift geregeld aan achter de desk van WNL, staat de pers te woord en geeft lezingen. Janny Groen, je evenknie bij de Volkskrant, zegt dat ze haar jongere collega’s aanraadt dat niet te doen omdat de zaken zo gevoelig liggen.
‘Toen ik hier net mee begon, zat ik eens met haar in de trein, en zei ze inderdaad dat als ik hierin wilde blijven opereren, het niet verstandig is om ergens aan te schuiven omdat het altijd wel ergens verkeerd valt. Een aardig bedoeld advies, en in het begin heb ik het ook opgevolgd omdat ik vond dat er wat in zat. Maar op een gegeven moment heb ik toch besloten dat ik het belangrijker vind om kennis te verspreiden. Er is toch iemand die een keer moet uitleggen hoe het zit? Maar, en het is niet heel stoer om te zeggen, ik kondig mijn optredens zelden aan op Twitter en Facebook. Omdat ik elke keer denk: nu bellen ze me nooit meer.’

Is het je gebeurd dat je bronnen de telefoon niet meer opnamen?
‘Oh ja. Doorlopend. Ik werk bij een opinieblad. Als ik zelf niet iets onwelgevalligs heb gezegd, dan heeft een collega van me dat wel gedaan. En voor je het weet ben je weer zes weken bezig om de relatie te herstellen. Maar het ondermijnt mijn werk niet zo dat ik niemand meer kan bellen. Toen ons boek “Ongeloofwaardig” uitkwam dacht ik dat ik mijn hele bronnennetwerk op zou blazen, ik had immers een boek geschreven met de verrader, maar dat viel ook wel mee.’

Later stuurt ze me nog een aanvulling op haar betoog via de app. Met een mail erachteraan: dat ze het wel heel fijn zou vinden als dat er nog bij kan, want het is zo’n heikel punt: ‘Het is vervelend om soms met ze overhoop te liggen, maar het hoort erbij. Want je moet ervoor oppassen dat je geen verlengstuk van ze wordt. Ze vertellen je heus niet al die dingen omdat ze je zo aardig vinden. Ook zij hebben altijd een belang bij media-aandacht. Het is tijdrovend en vervelend om bonje te hebben, maar ergens ook goed; je weet dat je nog steeds een kritische journalist bent als je niet alleen maar opschrijft wat zij willen.’

Je ergert je soms openlijk over berichtgeving van andere media die aan jouw specialisme raken. Over het gedoe rond de Haagse Schilderswijk bijvoorbeeld.
‘Mensen mogen heel graag roepen dat de Schilderwijk een no-go-zone is. Net als er gezegd wordt dat je niet normaal door Oosterwei in Gouda kan lopen. Maar dat is echt niet zo. Ga er eens heen, zet je auto neer, stap uit, loop een rondje en kijk eens om de hoek van de moskee. Dat is gewoon prima. Er zijn in Nederland geen no-go-zones. Ik ben ze in ieder geval nog niet tegen gekomen.’

Die beeldvorming over de Schilderwijk werd natuurlijk vooral in gang gezet door Trouw-journalist Perdiep Ramesar, die berichtte dat daar sprake zou zijn van een Sharia-Driehoek. Nu weten we dat hij dat heeft ver­zonnen.
‘Ik had vrij snel door dat er iets niet klopte aan de berichtgeving van Ramesar. Ik liep al enige tijd in de Schilders­wijk rond, waarom was ik dan nog niemand tegengekomen die het verhaal bevestigde of hem kende? Niet on the record, niet off the record, niet bij de snackbar, niet bij de broodjeszaak, niet bij jongerenwerk, niet bij de wijkpolitie, zelfs niet bij het buurthuis. Het buurthuis; dat is toch de eerste plek waar je naartoe gaat?’

Heb overwogen om dat bij Trouw aan te kaarten?
‘Nee. De media hebben een controlerende taak, maar als we nou ook nog de hele dag elkaar moeten gaan controleren, wordt het wel heel moeilijk. Ik vind het best lastig, want ergens denk ik ook: ik had het misschien toch… Ik zou wel koffie met hem gaan drinken, ik had een afspraak. Ik wilde dat hij aan mij zou toegeven dat het niet waar was. Maar die afspraak heb ik moeten verzetten omdat ik ziek was.’

Dus toen het uitkwam, was jij niet geschokt?
‘Nou, ik was wel geschrokken van de hoofdredactie, dat die zo naïef is geweest. En dat toenmalig hoofd­redacteur Willem Schoonen in de dagen nadat de ophef ontstond heeft gezegd dat alle namen van de anonieme bronnen bij de redactie bekend waren, terwijl dat niet zo was. Bij Elsevier hebben we een eindredactie die alle namen nog een keer door Google haalt. Als mensen niet bestaan, komen ze daar snel genoeg achter. Elsevier doet sowieso bijna niet aan anonieme bronnen. In het redactie ABC staat: Kraker Jack heeft geen recht van spreken. Soms is dat heel onhandig. Dan hoor je een fantastisch verhaal dat je moet zien wit te wassen. Maar het voorkomt Ramesar-achtige toestanden, en het maakt je een betere journalist.’

Hoe schadelijk is deze affaire voor jouw werk?
‘In die zin, dat soms iemand die je spreekt nog even snel sneert: “Jullie verzinnen toch alles”. Het zit daar diep. Moslims zeggen altijd dat de goeden lijden onder de slechten. Dat is voor journalisten ook zo. Dus ik zeg altijd maar: “We hebben een overeenkomst, ik ben net als jij”.’

Durf je inmiddels aan jezelf toe te geven dat je wel talent hebt?
‘Ik weet het niet. 80 procent is gewoon heel hard werken. Een stagiair bij Nieuwe Revu werd eens gevraagd of hij met zijn OV in de nachttrein van Utrecht naar Amsterdam wilde gaan zitten om op te schrijven wat hij tegenkwam. Die begon meteen een betoog: “Ja maar, dan kan ik het niet maandag al leveren en ik wil wel compensatiedagen”. Als dat je instelling is, ga je het niet redden.’

Dus stiekem kun je toch worden wat je wilt door hard te werken.
Weifelend: ‘Misschien. En je moet een beetje geluk hebben. Iemand tegenkomen die je een kans geeft. Die kreeg ik bij Nieuwe Revu, toen niemand anders me wilde hebben.’

Nikki Sterkenburg (1984) schrijft over radicalisering en polder­jihadisme voor Elsevier. Afgelopen februari publiceerde ze samen met bekeerling Dennis Abdelkarim Honing het boek ‘Ongeloofwaardig. Hoe ik mezelf radicaliseerde – en daar weer van terugkwam’. Hiervoor werkte ze bij Nieuwe Revu en Quote. Ze rondde drie masterstudies af - Islam in de moderne cultuur, Nederlandse taal en cultuur en Journalistiek. Ze doceerde een tijdje Nederlands en maatschappijleer.

Bekijk meer van

Praat mee

VVOJ banner congres

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.