website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Frits van Exter over de privacy van Jos B.

Frits van Exter — Geplaatst in Journalistiek op Tuesday 28 August 2018, 16:04

© Truus van Gog

Opinie Het is misschien wat vroeg om hem nu weer ‘Jos B.’ te noemen, maar je moet wel ergens beginnen om weer terug te kunnen keren bij je oude principe - als je je daarin tenminste nog wilt onderscheiden.

Gevraagd en ongevraagd hebben veel hoofdredacties de afgelopen dagen uitgelegd waarom zij de verdachte van de moord op Nicky Verstappen wel of niet bij naam en toenaam noemen. Zij hechten waarde aan publieke verantwoording. Dat begint gelukkig vanzelfsprekender te worden.

Er valt nog iets op: Justitie heeft de regie. Als het meent dat de privacy van verdachte niet opweegt tegen het belang hem op te sporen, sluiten de meeste redacties zich daar vrij vlotjes bij aan. Het klassieke argument dat media geen verlengstuk van justitie en politie moeten willen zijn, legt minder gewicht in de schaal. Het valt in zo’n gruwelijke zaak, ook moeilijk te verdedigen.

De persconferentie van Justitie was woensdag trouwens live op televisie, dus er viel, in de woorden van NOS-hoofdredacteur Marcel Gelauff, ‘niet zoveel privacy meer te beschermen’.

De Volkskrant en Trouw meldden de volgende dag in kaders bij hun berichten dat zij een uitzondering op hun principe hadden gemaakt. Bij mijn weten koos alleen de redactie van NRC voor ‘Jos B’. Uit de toelichting van de hoofdredactie blijkt dat dat geen uitgemaakte zaak was: ‘Om eerlijk te zijn: het ging wat heen en weer.’ Ook de eigen code van NRC is wat ambivalent: er is weliswaar een principe, maar er worden zowel argumenten vóór als tegen genoemd en er zijn veel uitzonderingen, waarover je ook weer van mening kunt verschillen. De redactie wil nu verder ‘nadenken over wat we met die namen-noemen-regel moeten’.

Sinds zijn aanhouding op zondag, is hij voor Justitie weer een verdachte met recht op bescherming van zijn privacy. Ook daarin zijn de meeste media meegegaan. RTV Noord kondigde zelfs aan dat het oude berichten zou kuisen om de privacy met terugwerkende kracht te herstellen, tot groot ongenoegen van degenen die op sociale media verkondigen dat deze verdachte elk recht heeft verspeeld.

De populairste krantentitels noemen hem nog bij zijn volledige naam. Paul Jansen van De Telegraaf zei in NRC: ‘Mij ontgaat de logica totaal. Eerst noem je een week lang zijn naam, en dan wil je zijn privacy beschermen? Zinloos.’ Hans Nijenhuis van het AD: ‘We gaan dus niet nu krampachtig terug naar B. Iedereen weet wie (...) is en waarvan hij wordt verdacht.’

Logisch is het misschien niet en krampachtig blijft het. Maar je kunt je ook afvragen of het een sterk argument is dat iedereen nu eenmaal weet wie de verdachte is. Zoals de ombudsman van Trouw schreef is het vasthouden aan principes, juist tegen de stroom in, een manier voor de professionele journalistiek om zich te onderscheiden.

Opvattingen veranderen en zaken verschillen, maar de beoordeling van vier klachten door de Raad voor de Journalistiek biedt wellicht enig houvast: X was na het uitzitten van zijn straf wegens verkrachting geplaatst in een tbs-kliniek. Op 7 juni 2005 ging hij er tijdens een proefverlof vandoor.  Omdat Justitie hem extreem gevaarlijk achtte, gaf de minister toestemming om naam en foto van de voortvluchtige vrij te geven. Na een week werd hij opgepakt. Toen bleek dat hij na zijn ontsnapping een bejaarde Amsterdammer had omgebracht. De zaak leidde tot veel ophef. De minister moest zich uitgebreid verantwoorden voor het verlofbeleid.

De verdachte diende later klachten in bij de Raad tegen vier verschillende media. Zijn advocaat betoogde ook dat als het opsporingsbelang eenmaal is weggevallen, media weer gehouden zijn aan de gebruikelijke terughoudendheid ten aanzien van verdachten en veroordeelden.

Voor de Raad was dat toen niet vanzelfsprekend. Justitie had de naam vrij gegeven, de zaak was schokkend en raakte een algemeen belang dat zwaarder woog dan het belang van privacy. Zo kort na de aanhouding kon de naam ook nog een wezenlijk bestanddeel van serieuze berichtgeving over de zaak zijn.
De Raad wees op die grond twee klachten van X af. In twee andere zaken oordeelde de Raad dat vermelding van zijn naam wel onzorgvuldig was, omdat hij er met de haren was bijgesleept (in een bericht ging het om de onthulling van een kunstwerk bij een andere tbs-kliniek).

Het gaat dus niet alleen om de naam, maar ook om de aard van de berichtgeving.
Het is vreemd om het nu, na een week vol emoties, opeens over ‘Jos B.’ te hebben. Dat had ook later gekund, maar je moet wel ergens beginnen om terug te keren naar je oude uitgangspunt. Je kunt de geschonden privacy niet meer herstellen, maar je kunt wel een duidelijk onderscheid maken tussen het belang van de opsporing van de verdachte van zo’n gruwelijke moord en van het recht dat vervolgens zijn zorgvuldige loop moet hebben.

Frits van Exter is voorzitter van de Raad voor de Journalistiek. Hij heeft geen stem in de beoordeling van klachten en verwoordt hier zijn persoonlijke mening.

TIPS
- Bedenk: bescherming van de privacy van verdachten is een goed gebruik, maar geen verplichting.
- Lees de conclusies van de Raad over de vier klachten van X: 1 en 2 (ongegrond) 3 en 4 (gegrond).
- Lees de overwegingen van Adri Vermaat, ombudsman van Trouw.
- Lees ook een eerdere aflevering van De Mores over de privacy van slachtoffers en nabestaanden.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

De orde van Chaos 2018