Emile Schrijver: ‘Leg geen claims op talkshowgasten of opinieschrijvers die specialist zijn’
In de Lessen voor de Pers komen mensen van buiten de journalistiek aan het woord over hun ervaringen met journalisten en media. Dit keer algemeen directeur Emile Schrijver van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam over de reuring rond de opening van het museum. ‘Ik had vijf belangrijke statements in mijn hoofd die ik in heel veel korte interviews heb herhaald. Ongeacht wat de vragen waren.’
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Frans Oremus. Ook lid worden?
Emile Schrijver was als directeur van het Joods Cultureel Kwartier en bijzonder hoogleraar Geschiedenis van het Joodse boek aan de UvA wel wat media-aandacht gewend. Maar de mediastorm die losbarstte nadat begin maart via de Volkskrant uitlekte dat de Israëlische president Isaac Herzog aanwezig zou zijn bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum, was ook voor hem ongekend.
‘We werden bestormd door nationale en internationale media. Het werd vier dagen voor de opening bekend en ik ben volledig in de woordvoeringstand gegaan, niemand anders dan ik sprak hierover met de media. Op een gegeven moment heb ik naast intern overleg ook ruggespraak gehouden met burgemeester Femke Halsema en oud-wethouder Rob Oudkerk van de gemeente Amsterdam. Mensen die veel meer ervaring met de media hebben dan ik en die me enkele goeie tips gaven. Ik had vijf belangrijke statements – lines - in mijn hoofd, die ik in heel veel korte interviews heb herhaald. Ongeacht wat de vragen waren. Over het algemeen zijn die goed overgenomen.
Onze boodschap als museum was heel duidelijk. Wij hadden Herzog in de maand juli vorig jaar - voorafgaand aan 7 oktober 2023 - al uitgenodigd. Na die datum veranderde er in politiek opzicht heel veel, maar we wilden de uitnodiging niet intrekken. De formele uitnodiging aan een staatshoofd wordt trouwens gedaan door een ander staatshoofd en niet door een museumdirecteur (Koning Willem-Alexander opende het museum op 10 maart, red.).
Ik vond het belangrijk om de communicatie vanuit ons museum met de pers heel strak te houden. Sinds 7 oktober - maar daarvoor ook al - zijn er onderwerpen op dit terrein waarover een ongekend cynisme heerst, over en weer, en waarbij de manier waarop je dingen zegt ontzettend belangrijk is.’
Bij de persconferentie over het Nationaal Holocaustmuseum, die voorafging aan de opening, waren meer dan honderd journalisten aanwezig. ‘De Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse televisie, maar ook de Chinese media waren er en internationale persagentschappen. De persbelangstelling was enorm terwijl we wisten wat er nog op ons af zou komen als bekend werd dat Herzog de opening ging bezoeken. Dat hadden we bewust nog niet gecommuniceerd met de pers. Het moment hiervoor werd in principe bepaald door de Rijksvoorlichtingsdienst, die dat ook in samenhang met de veiligheid bekeek. En er waren goede redenen om de persconferentie niet alleen maar over Herzog te laten gaan. Strategisch gezien was dat duidelijk.’
Ondertussen gonsde het in de Hebreeuwstalige media van Israël al dat Herzog zou komen. ‘Het was gelekt, hoe weten we niet zeker. Toen dat enkele dagen voor de opening ook de Nederlandse pers bereikte heb ik gezegd: “Jongens, wij moeten nu reageren.” We hebben één keer - door een ontijdige afstemming - aan de media laten weten dat we “geen commentaar” hadden op Herzogs komst, maar daarna heb ik gezegd: nú moet ik gaan woordvoeren, je kunt op je kop gaan staan, maar dit heeft natuurlijk potentieel voor ons ook schadelijke gevolgen. Na anderhalf uur overleg op het hoogste politieke niveau kwam er bevestiging. Men zei te snappen dat ik niet meer stil kon blijven.’
Bij journalistieke vragen over de politieke wenselijkheid van Herzogs’ komst verwees de museumdirecteur consequent naar politiek Den Haag. ‘Want dat lag niet bij mij. Ik weet waarom we hem uitnodigden. Wat ik toen nog niet in de media vertelde, maar later in verschillende interview wel, is dat of men het nou fijn vindt of niet; Joden in Nederland hebben een relatie met Israël. En er zijn nog ongeveer achthonderd Nederlandse overlevenden van de Holocaust in Israël en die hebben daar ook nazaten; we wilden dat die groep zich vertegenwoordigd wist bij de opening. Het was misschien wel de belangrijkste reden om Herzog uit te nodigen.’
Als je bij de publieke omroep in de ene talkshow zit mag je niet meer bij de andere. Dat vind ik echt nonsens
Woordvoeren in een crisissituatie van deze proporties had hij nog niet eerder gedaan, vertelt Schrijver. ‘We waren goed voorbereid. Het is niet zo dat we niet wisten wat er in grote lijnen op ons af zou komen. Ik moet zeggen, als ik het nu inschat en terugkijk, zijn we er in de traditionele media eigenlijk behoorlijk uitgekomen. Op sociale media was de onrust veel groter en de weerstand ook extremer.’
Hij herinnert zich één andere ‘mediacrisis’, uit 2019, waarin het Holocaust-museum in oprichting (Joods Cultureel Kwartier) weigerde enkele gruwelijke foto’s te tonen in een tentoonstelling die we samen maakte met het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD). De foto’s toonden de verbranding van stapels lichamen in de buitenlucht. De gastconservatoren Erik Somers en René Kok van het NIOD wilden de foto’s tonen omdat ze de enige zijn waarop de massavernietiging in Auschwitz daadwerkelijk te zien is.
Schrijver: ‘Wij dachten daar heel anders over. De tentoonstelling ging over de Jodenvervolging in Nederland en Nederlandse Joden zijn nooit op deze manier verbrand. Dus het was historisch niet juist. Daarnaast toonden we die foto’s wél op een installatie aan de overkant van de straat - in de Hollandsche Schouwburg - waar we op dat moment een enquête hielden over hoe er in het toekomstige museum met afschuwelijk beelden moet worden omgegaan. Ik heb toen in een veel te snelle reactie tegen de Volkskrant gezegd dat ik het potsierlijk zou vinden om een foto waarover wordt gevraagd of hij straks in het museum moet komen te hangen tegelijk ook te laten zien in de tentoonstelling. Dat woord “potsierlijk” - dat ik onvoorbereid gebruikte - ontplofte. Dat wij en het NIOD het niet eens waren lag op straat. Het ging rond op sociale media en er verschenen ook heel lelijke redactionele stukken waarin mij onder meer lafheid, censuur en het hanteren van drogredeneringen werd verweten. Dat heb ik destijds met toenmalig NIOD-directeur Frank van Vree kunnen rechtzetten via een gezamenlijk statement waarin we stelden dat er wel een verschil van mening is, maar geen sprake van censuur. Zo hebben we het frame teruggepakt.
Dat laatste heb ik van Bernhard Hammelburg bij wie ik ooit één keer (in 2015) mediatraining heb gedaan - en nog altijd heb ik hem als sparringpartner op de achtergrond. Hij zei: “Als er iets is wat ik in Amerika geleerd heb (Hammelburg was er lang correspondent, red.) dan is het dat je moet zorgen dat slecht nieuws met jouw frame in het nieuws komt”.
En één zin uit die training heb ik altijd onthouden: “Het grootste misverstand over een interview is dat het een gesprek zou zijn”. Dat heeft me zó geholpen in dit werk. Ik vind het leuk om goede gesprekken te voeren en intellectueel uitgedaagd te worden. Met onder meer Hanneloes Pen (Het Parool), Sander van Walsum (de Volkskrant), Tonko Dop (Nieuwsuur) en Leonie van Nierop (NRC) heb ik hier goede ervaringen mee. Het zijn journalisten waar je een vertrouwensband mee opbouwt. Maar ik heb ook meegemaakt dat je wordt verleid om dingen te zeggen die de zaak, waarover je met die desbetreffende journalist in gesprek bent, niet per se goed doet.
Als positieve uitzondering daarop herinner ik me een interview met Eva Hoeke, hier aan deze zelfde tafel. Zij interviewde mij voor De Uitkrant Amsterdam, best lang geleden. Door mijn persafdeling was ik niet helermaal voorbereid en ik had het idee ik door haar bevraagd zou worden over onze programmering voor het komende culturele jaar. Maar, ze bleek te komen voor een diepte interview: de mens achter de museumdirecteur! Ik had een hartstikke leuke klik met haar, het was gezellig en ik heb veel meer van mezelf prijs gegeven dan ik normaal gesproken zou doen in een interview. Dat kwam omdat ik niet aan stond op het niveau waarop ik dacht dat ik was voorbereid. Ik wist gewoon niet wat te verwachten en dat leidde tot een interview dat heel goed uitpakte, en dat kwam doordat zij zo goed is. Een van mijn beste vrienden zei: dit is het eerste interview waarin jezelf helemaal laat zien.’
Schrijver is overwegend positief over de Nederlandse media. ‘Ik heb bijna zonder uitzondering prima ervaringen.’ Maar één ding wil hij gezegd hebben: waarom claimen journalisten hun gasten die specialist zijn in een onderwerp? ‘Als je bij de publieke omroep in de ene talkshow zit mag je niet meer bij de andere, of kan je niet meer aanschuiven bij RTL, en omgekeerd. Voor opinies in de kranten geldt vaak hetzelfde. Dat vind ik echt nonsens.’
De lessen van Emile Schrijver
• Leg geen claims op talkshowgasten of opinieschrijvers die specialist zijn op hun gebied.
• Trap niet in de valkuil van cynisme bij de verslaggeving over Gaza en Israël.
• Denk niet dat een interview een gewoon gesprek is.
Media-gebruik
‘Ik ben totaal verslaafd aan nieuws, vooral via kranten. Ik heb abonnementen op NRC, Het Parool, de Volkskrant, De Groene Amsterdammer, HP/De Tijd, De Telegraaf en The New York Times. Voor het betere achtergrondstuk lees ik The Economist. Online lees ik 98 procent van de inhoud van de NOS.’


Praat mee