— woensdag 26 november 2014, 09:37 | 1 reactie, praat mee

Een journalistieke ­supermarkt zonder focus

Tussen 2010 en 2012 deed Kees Buijs onderzoek naar het redactieproces op drie editieredacties. Zijn conclusie: ‘Er zit sleet in de regiojournalistiek als gevolg van productiedruk, krappe bezetting, routines en professionele nieuwsdefinities. Het moet en kan beter.’ Drie suggesties.

Hoe is het om twee weken in armoede te leven? Regioverslaggever Gerco Mons van De Gelderlander in Doetinchem probeerde het uit en deed er in zijn krant verslag van. De redactie nam het initiatief voor een Achterhoekse Week van de Armoede, organiseerde informatiemarkten en een debat, en verzorgde verwenmaaltijden.

De redactie Maasland wijdde de eerste van een serie thema-Nieuwscafés aan gesprekken met mantelzorgers. Verslaggeefster Ellen Willems van het team Lekker Achterhoek toverde Huis Bergh om in het Kasteel van de Sint, waar bezoekers streekproducten kunnen proeven. In de Gelderse Vallei konden lezers verslaggever Niek Verhoeven op de koffie vragen voor de rubriek dGthuis.

In Nijmegen/Ubbergen porde stadsverslaggever Rob Jaspers bedrijven op om vrijwillig mee te werken aan opgravingen naar wat vermoedelijk een Romeinse kademuur is. De Waaltochten op de Pannenkoekenboot met uitleg van Jaspers trokken tot nu toe twintigduizend passagiers.
Het zijn initiatieven van de regionale krant waar ik bijna veertig jaar werkte. Editieredacteuren schrijven niet alleen de krant vol, maar doen er tegenwoordig van alles bij. Nevenactiviteiten waarmee de redactie beoogt regionale en lokale ontwikkelingen op gang te brengen, bij te dragen aan het maatschappelijk debat en lezers te binden aan het merk De Gelderlander. De krant is hierin niet uniek; er zijn meer regionale dagbladen waar redacties aan de weg timmeren met een mix van journalistiek, maatschappelijke betrokkenheid en marketing.

Op het eerste gezicht contrasteren deze activiteiten met het gangbare beeld van regiojournalistiek als een sector in problemen door dalende aantallen betalende lezers en advertentie-inkomsten, en niet uitblinkend in innovatie. Als gevolg van jarenlange bezuinigingen en toenemende werkdruk zouden redacties hun kerntaken minder goed vervullen en onvoldoende inspelen op het drastisch veranderde nieuwsgebruik, vooral onder jongere generaties. 

De tegenstelling tussen het gangbare deprimerende beeld en de huidige opvallende dadendrang is minder groot dan ze lijkt. In mijn onderzoek naar het redactieproces op editieredacties zag ik dat er veel tijd, des­kundigheid en creativiteit werd geïnvesteerd in extra activiteiten als themaproducties gekoppeld aan stads­­de­bat­ten. Die bleven nog dicht bij de journalistieke hoofdstroom. In de Arnhemse editie van De Gelderlander gebeurde dit in een serie artikelen over bedrijvigheid en leefbaarheid van de binnenstad, in de Tilburgse editie van het Brabants Dagblad in een crossmediale productie over de prestigieuze herinrichting van de Spoorzone, in de editie Oss van het Brabants Dagblad in een serie analyses en interviews met lijsttrekkers als aanloop naar de tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen.

Het waren visitekaartjes voor krant en redacties, waarbij het versterken van de betrokkenheid van de bevolking bij lokale maatschappelijke ontwikkelingen en politieke afwegingen meespeelde. Maar juist door de redactionele aandacht en inzet voor deze extra’s was het contrast met de dagelijkse productie voor krant en online groot. Hierin hadden routines de overhand en werd de stem van de bevolking maar spaarzaam in de berichtgeving gehoord.

In de dagelijkse gang van zaken op de drie editieredacties waar ik tussen 2010 en 2012 observeerde, mee vergaderde, vragen stelde en de berichtgeving analyseerde, zag ik dezelfde werkstructuren, hetzelfde routinematig afwerken van de agenda, dezelfde spanning tussen wat journalistiek van waarde werd gevonden en wat in de productie van de krant haalbaar was.

Typerend was de gang van zaken tijdens het dagelijkse ochtendoverleg. Hierin zou je vragen verwachten als: wat leeft er vandaag in stad en regio, welke eigen nieuwsonderwerpen pakken we aan, en hoe, maken we gebruik van elkaars kennis, ervaring en netwerken, zit er op andere redacties expertise die we kunnen benutten, waarin kunnen we proactief zijn in plaats van reactief? Tijdens mijn onderzoek hoorde ik deze voor de hand liggende vragen zelden of nooit stellen. Ik hoorde vooral lijstjes opsommen: agenda-onderwerpen en afspraken van verslaggevers. Onderwerpen die meteen werden gekoppeld aan vaste elementen op de pagina’s voor de volgende dag(en). De enkele keer dat ik bij een ochtendoverleg een kritische inhoudelijke opmerking hoorde over een onderwerp dat een andere verslaggever wilde aanpakken, werd er niets mee gedaan. Non-interventie leek de norm, al hing dat wel af van het voorzitterschap van het overleg.

Een volle agenda geeft de editieredactie het veilige gevoel dat de krant wel tijdig dicht zit. Het leidt ook tot erg voorspelbare onderwerpen. Er gaat geen impuls van uit om de lezer te verrassen met eigen nieuws. De agenda kan een zegen zijn maar ook een vloek. Een editiechef schreef me deze maand: ‘Toen ik in de zomerperiode met een klein clubje zat en niemand iets op zijn agenda had (en niemand zich er achter kon verschuilen), liep het als een tierelier.  Je zou het helemaal los moeten kunnen koppelen van de krant. Ik zeg wel eens vaker: jullie moeten je helemaal niet bezighouden met pagina’s en planningen. Dat is erin geslopen vanaf het moment dat we de opmaak en planning van de krant fors zijn gaan vervroegen.’

Ik noteerde op de drie redacties dezelfde verschillen in visie. Over digital first, de vraag of krant en website aan dezelfde kwaliteitsmaatstaven zouden moeten voldoen, of een grotere inbreng van lezers nuttig en wenselijk zou zijn, en welke kwaliteitsopvatting leidend zou moeten zijn in de nieuwsselectie en nieuwsgaring.

Op elke redactie waren er redacteuren voor wie de professionele kwaliteit leidraad is voor de editieberichtgeving; andere redacteuren laten zich vooral leiden door de kwaliteit die de lezersmarkt in stad en streek naar hun mening vraagt, namelijk een breed pakket aan groot en klein lokaal nieuws; weer andere redacteuren zien geen tegenstelling tussen beide visies. Het resultaat was een journalistieke supermarkt zonder duidelijke keuzes, waarmee het merendeel van editieredacteuren niet gelukkig bleek. Een van de redacteuren sprak van ‘een dagelijkse diarree van twee- en driekolommers’: veelal bewerkte persberichten.

Frustraties leefden vooral bij redacteuren die de meerwaarde van de regionale krant zoeken in verdieping en duiding, waar naar hun mening te weinig van terechtkomt.  Maar hoe verdeeld men binnen editieredacties ook over deze prioriteiten en dilemma’s dacht, er werd nooit over gediscussieerd, want, zo zei een van hen, ‘we worden het toch niet eens’. Dat in hoofdredactionele richtlijnen wél werd gekozen voor verdieping en duiding in de krant én voor crossmediale productie, vond ik niet terug in de dagelijkse praktijk, die in het teken stond van het vullen van pagina’s.

‘We luisteren meer dan vroeger naar de lezer’, was de algemene opvatting op de editieredacties. Maar men deed weinig tot geen moeite om nieuwsonderwerpen te benaderen vanuit de invalshoek van de wijk- of dorpsbewoner. Institutionele bronnen bleven de boventoon voeren. En als de gewone man of vrouw aan het woord kwam, gebeurde dit vaak in aparte rubrieken, zoals eigenlijk nog steeds gebeurt. Als bron in het gewone nieuws spelen stads- en dorpsbewoners een bijrol, ook al wonen ze bij de redactie om de hoek. In dit opzicht is er weinig veranderd vergeleken met de periode vóór de komst van internet en sociale media.

Toch is het niet louter kommer en kwel in de nieuwsgaring en editieberichtgeving. Op elke redactie waren er redacteuren die het publiek via sociale media bij hun nieuwsgaring betrokken en zo hun informatienetwerken uitbreidden. Eigen wijkcontacten van redacteuren leverden soms een heel ander beeld op dan de plaatselijke autoriteiten via hun voorlichters in de media wilden laten zien. Maar crowd sourcing en onafhankelijk speurwerk waren vrijwel altijd de verdienste van individuele redacteuren; hun werkwijzen en netwerken maakten geen deel uit van de werkstructuren in het dagelijkse redactieproces.

Er zit sleet in de regiojournalistiek als gevolg van productiedruk, krappe bezetting, routines en professionele nieuwsdefinities. Als dit kenmerkend is voor editieredacties van regionale dagbladen die leidend zijn in hun stad en regio, ziet het er voor de regiojournalistiek én de samenleving die zij bedient, niet goed uit.

Hoe kan en moet het beter? Drie suggesties:
1. De meerwaarde van een kwantitatief en kwalitatief sterke editieredactie ligt in collectieve kennis, ervaring, netwerken en reflectie. Die zou veel vaker vanaf het ochtendoverleg kunnen worden benut voor eigen relevante producties, invalshoeken en research. Hierin zouden editieredacties zich duidelijker moeten onderscheiden van alle andere lokale nieuwsmedia.
2. Crossmediale planning hoort te gebeuren vanaf de eerste stap in het dagelijks productieproces. Cross­mediale productie heeft alleen meerwaarde met een ­eigen nieuwsaanpak en een sterk accent op inter­activiteit.
3. Kennis en ervaringen van lezers/sitebezoekers kunnen door editieredacties worden aangeboord in alle stadia van het nieuwsproces: het aandragen van nieuwsonderwerpen (voorbeeld: Yournalism), het leveren van input op onderwerpen die de redactie gaat aanpakken of waarmee zij bezig is (The Guardian bijvoorbeeld zet lijsten met onderwerpen in uitvoering online), het opbouwen en onderhouden van contacten in dorpen en wijken (voorbeeld: het experiment met de rijdende redactie deBuzz), vormen van cocreatie van journalisten en niet-journalisten, zoals die op allerlei online-nieuwssites te vinden zijn. Interactiviteit is een verrijking, geen last.

Zolang editieredacties hun meerwaarde als collectief van kennis, ervaring en creativiteit niet uitbuiten, fungeren ze hoofdzakelijk als productie-units. Daarmee zetten ze de deur wijd open voor een concernleiding die editieredacties wil inkrimpen tot een kleine kern van vaste redacteuren met eromheen een schil van freelancers. Dit is geen denkbeeldig scenario in het licht van de overname van Wegener door de Persgroep van Christian van Thillo.

Menig editieredacteur is een korte baan schaatser. Voor het opbouwen en onderhouden van contacten met de plaatselijke bevolking moet hij ook een marathon in de benen hebben. Dit vergt tijd en geduld. Helaas, tijdens mijn onderzoek klaagden veel redacteuren dat ze nog maar weinig de straat op konden of door een wijk of dorp fietsten omdat ze aan het bureau gekluisterd waren: artikelen schrijven en passend maken, er illustraties bij zoeken, gaten op de pagina’s vullen en administratieve klusjes opknappen die vroeger door een inmiddels wegbezuinigd secretariaat of documentalist werden gedaan. Bij voortgaande inkrimpingen van redacties gaat veel ervaring de deur uit en moet er nog meer met redacteuren worden geschoven: opgebouwde netwerken gaan verloren.

In de reacties op het onderzoek was amper sprake van de vroeger gebruikelijke journalistieke hakken in het zand. Veeleer willen editieredacties er iets van leren; ook redacties die niet in het onderzoek betrokken waren. Bij mijn bezoek aan het Brabants Dagblad, deze maand, noemde men het geschetste beeld absoluut herkenbaar.

Een redacteur merkte op dat de redactie wel veel soorten overleg heeft, maar dat die te weinig zijn gericht op de journalistieke inhoud en aanpak.

Ik zou denken dat het daar nu juist over moet gaan.

Kees Buijs (1945) werkte bij achtereenvolgens Het Vrije Volk, De Nieuwe Krant (waar hij zijn werk combineerde met de studie sociologie) en De Gelderlander. Bij laatstgenoemde krant o.m. als stadsredacteur, chef central desk, wetenschapsredacteur en lezersredacteur. Hij was lid van de Raad voor de Journalistiek en bestuurslid van het Katholiek Instituut voor Massamedia. Sinds 2009 is hij als docent verbonden aan de masteropleiding Media, Journalistiek en Nieuwsgebruik van de Radboud Universiteit. Dit najaar promoveerde hij op een onderzoek naar de kwaliteit van regionale journalistiek.

Praat mee

1 reactie

Erik van Heeswijk, 26 november 2014, 21:02

Goed stuk. In mijn ogen is er nog een belangrijke redactionele techniek die kan helpen goede, originele stukken te krijgen en voeling te houden met wat er leeft: curatie. Waarom niet meer goede stukken opgenomen die men elders over de regio leest? Het web staat vol met columns, foto’s en quotes van lezers, er zijn stukken audio op de lokale zenders. Als ze met de smaak en de kritische blik van de journalist worden ‘gecureerd’ kan dat alleen maar spannende journalistiek opleveren. De krant laat bovendien zien dat ze weet wat er leeft. Als je je minder richt op eigen productie, hoeft dat geen toevlucht tot het vervelende persbericht te betekenen.

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.