Tegel Beeld en Geluid

— donderdag 15 januari 2015, 10:34 | 0 reacties, praat mee

Alphaman in de weten­schap

© TRIK

Het kan verkeren. Jim Jansen had als kind een hekel aan natuurkunde en Lego Technic. Jaren later is hij de nieuwe hoofdredacteur van wetenschapsblad New Scientist. ‘Ik vind het ongelofelijk interessant om antwoorden te krijgen op grote vragen.’

‘Ik fiets elke dag een half uur naar mijn werk. En elke ochtend komt er een vloedgolf aan fietsers op me af. Iedereen in zijn eigen wereld. Als er net een pont is aangekomen, zie ik ze van een afstandje aan komen zwermen’, vertelt Jim Jansen (43), de nieuwe hoofdredacteur van New Scientist. ‘Drukte in de stad, planning en vervoer; dat is óók wetenschap.’ Hij steekt zijn armen in de lucht om zijn woorden kracht bij te zetten. Alles is wetenschap, en gedurende dit gesprek komt hij er meermaals op terug. Midden in een zin kan hij ineens een ingeving delen, of een voorbeeld geven dat aantoont hoe breed je de wetenschap kunt interpreteren. En dan doet hij ook meteen maar even uit de doeken welk verhaal dat op zou kunnen leveren voor New Scientist, waar hij eind vorig jaar Folia Magazine voor verruilde. ‘Waar ik ook mee bezig ben – ik weet nog niet of het gaat lukken – gaat hij verder, ‘is een verhaal over lopen. Enorme trend – mijn vrouw heeft net haar derde marathon van dit jaar gelopen. Maar wat doet lopen eigenlijk met je hersenen? Is het goed voor je? Zou een mooi stuk zijn voor maart of april, rond de marathon van Rotterdam. Dus, om antwoord te geven op je vraag van tien minuten geleden…’

Wat je plannen zijn voor New Scientist…
‘Juist. De hardcore bèta doen we al heel goed, maar ik wil me daarnaast meer gaan richten op de menswetenschap. New Scientist zit in een hoog segment. Het wordt gemaakt voor mensen die écht geïnteresseerd zijn in wetenschap en bereid zijn daar ook 8,50 euro voor te betalen. Maar ik weet zeker dat er nog een groep lezers is die we nu niet bereiken. Neem een onderwerp zoals dat hardlopen; heel toegankelijk, en iets dat je best wetenschappelijk kunt beschouwen, want er wordt momenteel een hoop onderzoek naar gedaan.’

Kortom, New Scientist mag wel wat toegankelijker worden van jou.
‘Ja. Wat ik bijvoorbeeld meteen heb ingevoerd toen ik hier kwam, is elke maand een goed interview van drieduizend woorden. Ik vond het raar dat het er nog niet in zat. Je moet je lezer verleiden. Ik denk dat er nog wat te winnen valt als je een mooi, groot interview afdrukt met wetenschappers die algemeen bekend zijn. Je ziet ze bij De Wereld Draait Door of in Pauw ook steeds vaker aanschuiven, dat is echt een trend. We hebben het eerste interview gedaan met Eveline Crone, hersenonderzoeker en schrijver van ‘Het Puberende Brein’. Binnenkort hebben we Robbert Dijkgraaf.’

Best een omslag. Vond dat meteen gehoor binnen de uitgeverij?
‘Mijn voorganger Irene de Bel heeft het prima gedaan, maar ze komt uit een andere hoek dan ik. Zij is een bèta, en ze noemde mij in haar laatste editorial een alphamannetje. Dat klopt wel; ik kom uit een andere hoek, ben echt een bladenmaker. Tijdens mijn eerste gesprek bij Veen Media heb ik meteen gezegd dat als we met elkaar in zee zouden gaan, ik mijn eigen accenten wilde leggen. Dat ik het bladritme wilde veranderen. Daar heb ik nooit geheimzinnig over gedaan. En ik wil me veel meer richten op drie zaken: vrouwen, Belgen en jongeren. Ik zie ze niet terug in het magazine, terwijl een kwart van onze lezer Belg is en er veel jonge wetenschappers – 40-minners – rondlopen. Vrouwelijke wetenschappers zijn er nog steeds te weinig, maar degenen die er zijn moeten een groter podium krijgen. En er gebeurt genoeg: we hebben achttien universiteiten. Twaalf in Nederland, zes in België. Daar wil ik proberen een samenwerking mee aan te gaan. Binnen de uitgeverij werd daar meteen enthousiast op gereageerd.’

New Scientist, dat vorig jaar nog NWT Magazine heette, heeft een oude, maar wel hele trouwe lezersschare. Loop je de kans dat het blad voor hen straks te mainstream wordt?
‘Dat is spannend, ja. Maar we gaan geen tweede Quest maken. Hartstikke mooi blad, maar niet voor onze lezers; het type dat op zolderkamers hun eigen tele-scopen bouwt. Direct nadat ik ben aangenomen, ging ik mee op lezersreis naar Cern, de deeltjesversneller in Zwitserland. Daar heb ik dertig hardcore lezers ontmoet. Voor hen is nooit iets genoeg, ze willen onophoudelijk kennis absorberen. Hoe diep het stuk ook gaat, hoe zwaar de kost ook is; ze vinden het heerlijk. Pagina’s lang. Een van die lezers vertelde me dat hij altijd alles weggooit, behalve zijn New Scientists. Hij had een hele muur vol. Die trouwe lezer moeten we zien te behouden, en daarom moet je het ook goed doen. Maar de mix kan echt beter. Het hoeft niet alleen maar over deeltjesversnellers, technische natuurkunde en ruimtevaart te gaan.’

Dan vraagt hij ineens: ‘Drink je wel eens bier?’ En begint een verhandeling over hoe het aantal bierbrouwerijen in Nederland in vijf jaar is gegroeid met 400 procent. Van 50 naar 250 brouwerijen. ‘Dan denk ik meteen: In België heb je een bierhoogleraar. Die doet onderzoek naar hop en suikers. Grappig! Ik weet niet of zo’n artikel het gaat redden, maar ik zie al wel een cover voor me. Zo ben ik altijd bezig met onderwerpen waarvan ik denk dat mensen wel iets willen weten. Voeding bijvoorbeeld. Superfoods! Of Drugs. We hebben drie doden gehad bij het Amsterdam Dance Event. Waar ligt dat nou aan. Is het de vermoeidheid? Is het de dope? Het is allemaal wetenschap.’

Wat heb jij zelf eigenlijk met die wetenschap?
‘Ik vind het ongelofelijk interessant om antwoorden te krijgen op grote vragen. Om geïnspireerd te worden door hele slimme mensen. Toen ik nog bij Folia zat, ben ik een samenwerking aangegaan met Het Parool op het gebied van wetenschap, die zoveel inhield dat ik vanuit Folia de wetenschapspagina’s voor Het Parool zou coördineren en de rubriek ‘Wetenschapper vraagt Wetenschapper zou schrijven. Ik genoot van alle gesprekken met wetenschappers. De onderwerpen gaan van technische natuurkunde tot esoterie. Fascinerend als mensen veel van dingen afweten en daar goed over kunnen vertellen. En wat ik er ook zo leuk aan vind is om hun verhaal over te brengen op een groter publiek. De vertaalslag maken. Want het zijn vaak onderwerpen met een groot maatschappelijk belang. De samenwerking met Het Parool zet ik sinds 1 januari voort vanuit New Scientist. Waarom niet. Of samenwerking succesvol is, hang heel erg af van de personen, en ik ben voor dit project vanaf het begin de spin in het web geweest. Louis vaan Gaal nam Daley Blind toch ook gewoon mee naar Manchester United?’

Was je als kind al zo geïnteresseerd? Een New Scientist abonnee in de dop?
‘Echt. Niet. Mijn dochter heeft de Junior Geographic – zij heeft het veel meer in zich. En mijn zoontje houdt erg van Lego Technic, daar had ik als kind een vreselijke hekel aan. Ik was ook niet van de testjes en de proefjes. Later op de Pabo kreeg ik natuurkundedidactiek en dat vond ik heel ingewikkeld.’

Na de Pabo gaf Jansen een tijdje les op een school in Amsterdam Noord, voordat hij pedagogiek ging studeren, met orthopedagogiek als specialisatie. Hij werkte met extreem gewelddadige en multi-problematische kinderen, en schreef een literatuurscriptie over adequaat omgaan met je emoties. Mazzel noemt hij het, dat hij uiteindelijk in de journalistiek belandde. Hij schreef al een tijdje recensies en popinterviews voor het – inmiddels ter ziele – muziekblad LiveXS, toen hem gevraagd werd dat fulltime te komen doen. Hij maakte ‘een rondje popwereld’, met de gouden kaart die hij kreeg van De Melkweg, waarmee hij bij elk (uitverkocht) concert gratis naar binnen kon. En elke week vielen er veertig CD’s op de mat. Maar na één rondje was het welletjes. ‘Ik vond het een redelijk beperkt wereldje. Precies op dat moment werd ik gevraagd voor Havana, het blad van de Hogeschool Amsterdam. Daar heb ik het vak geleerd.’

Dacht je niet: ik ga weer doen waar ik voor heb gestudeerd?
‘Nee, want ik vind onafhankelijke journalistiek en waarheidsbevinding heel belangrijk. Onze democratie is gestoeld op journalisten. En zeker in deze tijden, van blogs en burgerjournalistiek, is het belangrijk dat er een aantal bronnen is waarvan je weet dat ze deugen. Dat motiveert me enorm. Tegelijkertijd blijven de docent en pedagoog in mij aanwezig. Ik vind het heel belangrijk dat mensen kunnen leren. Van Folia heb ik een leerschool gemaakt. Ik zorgde ervoor dat er altijd twee stagiairs en twee leerling-journalisten zaten. Veel daarvan zijn heel goed terecht gekomen. In Brazilië voor NRC, bij het FD. Daar ben ik trots op. Bij New Scientist zat toen ik er kwam één stagiair, maar er is plek voor twee. Zo zonde. Ik heb meteen nog iemand aangenomen.’

Voor je bij New Scientist terecht kwam, was je zeven jaar hoofdredacteur van Folia. Hoe laat je het daar achter?
‘Volgens mij laat ik de boedel goed achter. De basis, het huis staat. Ik merk dat iedereen de titel kent en dat er veel energie omheen is. We hebben Het Gala van de Wetenschap opgezet, de Folia Start-up Award, we zijn een wekelijkse samenwerking aangegaan met Het Parool. Toen ik zeven jaar geleden binnenkwam, was het een heel vervelend blaadje. Ze wilden helemaal over naar digitaal, en naast Folia een soort GeenStijl-achtige variant in de markt zetten. Dat vond ik helemaal niet passen. Er heerste geen leuke, positieve energie. Nu heerst die er wel. Er zijn wel problemen, maar dat houd je altijd.’

Ja, want hoe zit het met de onafhankelijkheid bijvoorbeeld? De laatste jaren een heet hangijzer voor veel hogeschool- en universiteitsbladen.
‘Vanuit de universiteit is er behoefte aan meer samenwerking tussen Folia en de afdeling communicatie. Dat is altijd zo geweest, en ik heb daar altijd over gezegd: ik bepaal wat er in de krant komt, niet communicatie. Of je bent onafhankelijk, of je bent het niet. Het is net als zwanger zijn; dat ben je ook niet een beetje. Die grens heb ik zeven jaar lang heel streng bewaakt.’

En dat was nodig?
‘Dat was heel erg nodig. Af en toe kun je elkaar best helpen, daar moet je fair in zijn. Maar het was altijd aftasten – al was het maar omdat er op communicatie om de zoveel tijd weer andere mensen zitten. Het was zaak om de boodschap over onze onafhankelijkheid vaak te herhalen, en daar heel duidelijk over te zijn.’

Is dat een spel, of werd het vervelend?
‘Natuurlijk werd het wel eens naar. We hebben ooit een goed stuk gehad over het Studenten Informatie Systeem SIS dat niet goed werkte. Werd ik gebeld dat het verhaal “te negatief” zou zijn. Maar het was niet te negatief; het systeem deugde gewoon niet. Of die keer dat we een benoeming van een decaan van de bèta faculteit bekend hadden gemaakt. De voorzitter van de universiteit belde me dat het bericht ongelofelijk schadelijk was, want de vrouw in kwestie had haar baan in Leuven nog niet opgezegd. Ik snap dat dat vervelend is, maar iemand binnen de UvA had het gelekt, daar kunnen wij niets aan doen. Op zo’n moment komt er een hoop druk op je te staan, daar moet je mee om kunnen gaan. Als je daar wakker van ligt, moet je iets ander gaan doen. ’

Folia heeft nog altijd geen nieuwe hoofdredacteur. Het is maar afwachten of er iemand komt die jouw lijn doortrekt. Vind je dat spannend?
‘Het is mijn kind, zo zie ik het echt. Ik heb er zeven jaar enorm veel energie in gestoken. Maar je moet niet over je graf regeren. Ik heb er nu niets meer over te zeggen. Toch hoop ik wel dat er een goede hoeder voor de boedel komt. Want de universiteit en hogeschool denken vast: we zijn eindelijk van die eigenwijze Jansen af, eens kijken hoe ver we nu kunnen gaan. Natuurlijk. Wat zou je zelf doen?’

Je bent ook voorzitter geweest van de Kring van hogeschool- en universiteits-bladen. Hoe staat het er voor met die bladen, vind jij?
‘Niet zo goed. De meeste mensen die er werken ken ik persoonlijk en ik draag ze allemaal een warm hart toe, maar ik heb meerdere keren gedacht: dit is eindigend. Als we nu niets bedenken, houdt het gewoon op. Dan trekken de hogescholen en universiteiten één voor één de stekker eruit en dat is het dan. De bladen hebben hun kansen niet gepakt. Ik ben vijf jaar enthousiast voorzitter geweest. Ik heb steeds de samenwerking opgezocht, de media opgezocht, maar op een gegeven moment werd ik een beetje moe van mezelf. Ik ging mezelf herhalen. Er veranderde niets.’

Dus het probleem van die bladen is groter dan alleen het gemorrel aan hun onafhankelijkheid.
‘Zeker. De meeste bladen zien er nog steeds hetzelfde uit als tien, twintig jaar geleden. Er staan van die berichtjes in waarin oprecht geen enkele student meer in is geïnteresseerd. Wie heeft er nog behoefte over nieuws over de eigen instelling? Je moet bedenken welke nieuwsbehoefte er leeft onder de studenten en hoe ze die willen consumeren. Je moet slimme samenwerkingen aangaan met partijen om je merk sterker te maken, uit te bouwen. Ik heb dat voor Folia gedaan met Het Parool, met de Stadsschouwburg Amsterdam, Amsterdam FM, met Paradiso. Dat werkte heel goed.’

Het merk uitbouwen, dat is voor New Scientist volgens jouw voorganger de volgende stap.
‘Ja, wat dat betreft bevinden we ons in een hele interessante fase. Ik zie mezelf als de vertegenwoordiger van het merk, en aan mij de taak om dat merk uit te gaan bouwen met het tijdschrift als basis. Ik denk dan aan events zoals het Gala van de Wetenschap en het CERN festival dat we dit jaar in maart willen organiseren om te vieren dat de deeltjesversneller na tweeënhalf jaar onderhoud weer wordt aangezet. Ik denk ook aan social media. Aan de website waar echt iets aan moet gebeuren. Aan meer lezersreizen - dit jaar gaan we een week sterrenkijken in Chili. En ik wil heel graag op zoek naar meer partners. De samenwerking met Het Parool is een van de beste dingen die ik heb bereikt. We helpen elkaar met content, we kunnen advertenties uitwisselen, gezamenlijk events opstarten. Allemaal met gesloten beurzen. Dat is de nieuwe journalistiek. Partners kunnen kranten zijn, maar wat mij betreft ook radio- of tv-programma’s. Ik heb al leuk contact met iemand van Pauw bijvoorbeeld.’

Want in je eentje red je het niet meer?
‘Het zou nog wel kunnen, maar ik ben niet iemand die het isolement opzoekt. Ik zoek naar samenwerkingen waar je van kunt leren. De toekomst van de journalistiek is af en toe somber, want er is minder geld. Maar door samen te werken kun je elkaar beter maken.’

Jim Jansen (1971) is sinds november hoofd­redacteur van wetenschapsblad New Scientist. Daarvoor stond hij zeven jaar aan het roer van het Amsterdamse universiteitsblad Folia, dat in 2011 fuseerde met het hogeschoolblad Havana en verder ging als Folia Magazine. Jansen deed de Pabo, en studeerde orthopedagogiek. Zijn eerste baan in de journalistiek was bij het inmiddels ter ziele muziekblad LiveXS.

Bekijk meer van

New Scientist Jim Jansen Folia

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.