— vrijdag 13 september 2013, 08:46 | 0 reacties, praat mee

Aandacht voor een ellendegebied

© Saskia Houttuin

Eén reis, twee impressies. Kees Schaepman (66) en Saskia Houttuin (24) reisden afgelopen voorjaar naar Oost-Congo om aandacht te vragen voor een al jaren voortwoekerend conflict in een land ver weg.

‘Moeten we kogelvrije vesten meenemen?’, vroeg Saskia voor we vertrokken. Dat leek me niet nodig. Wel Loperamide tegen buikloop, een Zwitsers legerzakmes en malariapillen. En veel dollars, in kleine, handelbare coupures.

Manon, derdejaars student aan de School voor de Journalistiek in Tilburg, had moeite vrij te krijgen voor onze reportagereis naar het oosten van Congo. ‘Als ik het jou toesta, wat moet ik dan zeggen tegen een student die op wintersport wil?’, zei haar onderwijscoördinator. Gelukkig zette een oud-directeur van haar school die wél begreep dat Zuid-Kivu geen toeristisch gebied is, zich volop in om te helpen bij de voorbereiding.

De veertiendaagse reis die ik dit voorjaar ondernam als begeleider van twee jonge journalisten begon in de huiskamer van een collega. We vergaderden met het bestuur van de stichting Medio, dat grotendeels uit (ex-)journalisten bestaat. Medio ondersteunt een radioproject in Oost-Congo. Tijdens die vergadering piekerden we over de vraag hoe je in vredesnaam belangstelling genereert voor een al jaren voortwoekerend conflict in een land ver weg, tussen mensen waar we niets vanaf weten. Zou ons project als kapstok kunnen dienen voor een groter verhaal? Radio Maendeleo is een onafhankelijk station dat met mobiele telefoons in Zuid-Kivu een netwerk heeft opgezet om verkrachtingen en ander seksueel geweld te registreren. Dat is een nieuwe stap bij bestrijding van die agressie. Maar mensen die mooie doelen in Afrika steunen, hangen dagelijks aan de telefoon bij redacties. De reactie is voorspelbaar: sympathiek initiatief, helaas niet urgent genoeg voor zendtijd of een plaats in de kolommen. We besloten een andere strategie te kiezen, we zouden zelf twee jonge journalisten uitzenden. Deelnemers aan de reis vroegen we om een garantie dat hun verhalen gepubliceerd zouden worden, we stelden geen andere voorwaarden. Iedere aandacht voor het ellende­gebied leek ons winst.

Via Vers in de Pers (VIP), de jongerenafdeling van de NVJ, selecteren we Manon van den Brekel (23) en Saskia Houttuin (24). Beiden hebben een solide reiservaring, een beperkte journalistieke ervaring en een gezonde dosis ambitie. Saskia spreekt bovendien vloeiend Frans. Manon beheerst alleen het ‘Papa fume une pipe’ dat zij op school leerde. Maar in de loop van de reis stapt zij over haar gêne om fouten te maken heen en communiceert steeds makkelijker, ondanks haar steenkolenfrans. Een reizend verslaggever moet zich ook met een beperkte woordenschat door taalbarrières heen kunnen bluffen. Zelf ga ik mee als journalistieke chaperon.

In ons hotel komt geen water uit de kraan – in heel Bukavu niet. Voor de inwoners van de stad is het een van de vele rampen van alledag. Bij de schaarse tapplaatsen sjouwen kinderen en vrouwen met water.

Saskia maakt voor de VPRO een radio­reportage bij een van de tapplaatsen. Dat betekent om half zes het bed uit, om na een afdaling langs een open riool op te nemen hoe een miezerig straaltje water kletterend in vuile plastic jerrycans wordt opgevangen. De microfoon trekt meteen de lacherige aandacht van een groepje vrouwen. Een man in keurig gestreken overhemd dringt zich op als woordvoerder. Manmoedig negeert Saskia hem, zij wil de vrouwen spreken.

Manon heeft om tien uur een interviewafspraak met ‘kolonel Honorine’ van de politie, die de strijd heeft aangebonden tegen seksueel geweld. De kolonel houdt van haar slachtoffers maar ook van zichzelf. Voordat Manon haar eerste vraag kan stellen, wordt eerst een peuter met een uitpuilende navelbreuk binnengeroepen en op de arm genomen voor een ongevraagd fotomoment. Als de kolonel daarna nog een hele stoet misbruikte kinderen langs ons wil laten paraderen, maakt Manon duidelijk dat het haar daar niet om gaat, zij wil een interview. Gelukkig vertelt kolonel Honorine graag over haar goede werken. Als Manon vraagt wat haar toekomstdroom is, verwacht ik dat de kolonel iets zal zeggen over een wereld zonder geweld. Maar nee, haar diepste wens is promotie: nog een ster op haar uniform.

Manon schrijft het interview uit voor het Eindhovens Dagblad. Het stuk is positiever dan ik het geschreven zou hebben. Ik heb respect voor het werk van kolonel Honorine, maar kan met de beste wil geen moeder Teresa in haar zien. Ik vraag me tijdens deze reis vaker af of ik niet te cynisch ben geworden. Ik wil graag in het goede van de mens geloven, maar het kost me steeds meer moeite twijfels daaraan te overwinnen. Bij iedere waarheid zoek ik naar een barstje, Manon en Saskia zijn eerder geneigd in het goede te geloven.

Ik trek het meest met Manon op, Saskia heeft meer ervaring en redt zichzelf uitstekend. Ze heeft een kort artikel voor De Groene geschreven, haar eerste voor dat blad. Ze checkt dagelijks haar mail om te zien of er al een reactie is. Ik herken dat gevoel: je wilt dat je stuk onmiddellijk wordt gelezen en dat je vervolgens de hemel wordt in geprezen. Dat gebeurt natuurlijk nooit, je mag blij zijn als een eindredacteur na een week laat horen dat het ‘wel ok’ was. En inderdaad: na een week komt de reactie. Goed stuk! De rubrieksredacteur vraagt of ze als vast correspondent in Congo werkt. Saskia had toen ze haar stuk aanbood gemaild dat ze voor een reportagereis ging, maar die mail heeft hij klaarblijkelijk niet goed gelezen. Ach, wat jammer, hij werkt alleen met vaste correspondenten. Alsof dat niet vooraf, toen de afspraak werd gemaakt, gezegd had kunnen worden. Ik maak me op duizenden kilometers afstand pisnijdig over zo’n achteloze en liefdeloze behandeling van een beginnende freelancer. Zou zo’n jongen zelf nooit de trots van een eerste publicatie hebben gevoeld?

Soms voel ik me een vermoeide oude man als ik de gretigheid zie waarmee mijn kompanen tijdens onze reis vragen stellen en indrukken opdoen. Dat wordt gecompenseerd door de momenten dat ik me een doorgewinterde verslaggever kan wanen. ‘Manon, zou je die marktvrouw die net vertelt dat ze één keer per dag eet, niet ook nog moeten vragen wát ze eet?’ Helaas worden die momenten steeds schaarser. Als we na een dag of tien van Bukavu met de boot naar Goma reizen zijn vaderlijke adviezen al niet meer nodig. Manon gaat alleen op pad en komt terug met verhalen voor De Persdienst, Saskia wordt door de VPRO om steeds nieuwe bijdragen gevraagd. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat een jonge, ambitieuze journalist op zo’n reis meer leert dan in twee weken op een School voor de Journalistiek mogelijk is, maar dat zal de docent van Manon niet beamen.

‘Waar ging je nou ook al weer naartoe? Kenia, toch?’ Kenia, Oeganda, Congo – voor veel van mijn vrienden doet het er niet toe. Het ligt onder de Sahara en de mensen zijn er zwart. Maar inderdaad, ik bereid me voor op een reis naar het hart van Afrika, naar een plek waar ik nog nooit eerder ben geweest: het oosten van de Democratische Republiek Congo.

Terwijl ik begin aan mijn laatste weken bij de Afrika-redactie van de Wereldomroep wordt pijnlijk duidelijk dat ik in de anderhalf jaar dat ik daar heb gewerkt geen voet op het continent heb gezet, en ook niet meer zal zetten. Hoe kun je jezelf (beginnend) Afrika-journalist noemen als je er nog nooit bent geweest? Deze reis komt dus precies op het juiste moment en geeft mij de kans mijn dirty secret van de kaart te vegen.

Mijn ouders zijn minder gelukkig en bellen vaak: heb je malariapillen gehaald? En wie is eigenlijk die Kees Schaepman? Ook mijn vriend is ongerust en wil dat ik een kogelvrijvest regel (dat was ik dus niet, Kees).

Om mijn vriend – en mezelf – voor te bereiden kijken we naar een reportagereeks van Belgisch journalist Rudi Vranckx, ‘Bonjour Congo’. Terwijl de camera over de Oost-Congolese heuvels zwiept omschrijft de journalist Bukavu als ‘een plek die velen omschrijven als een hel op aarde.’ Mijn vriend trekt wit weg.

Natuurlijk is het ook wel een beetje eng. Maar ik maak me meer druk om het regelen van mijn visa voor de landen die ik ga bezoeken. Vooral voor Congo is veel nodig: stapels ingevuld papierwerk, een paspoort dat nog minimaal een jaar geldig is en een verklaring van goed gedrag. Wanneer we zonder problemen de Congolese grens bij Rwanda oversteken haal ik opgelucht adem.

En dan moet alles nog beginnen: Bukavu is een kleurrijke chaos, maar ik vraag me af hoe ik in deze wirwar reportages ga maken en of ik wel op straat met mijn microfoon kan zwaaien. Wat als het leger, dat hier overal rondloopt, mijn apparatuur wil afpakken?

Een aantal dingen weet ik zeker: ik wil niet ‘het echte Afrika laten zien’ en al helemaal niet ‘het conflict in Oost-Congo doorgronden’. Dat klinkt misschien een beetje vlak, maar even realistisch: in twee weken krijg je dat niet voor elkaar. Ik wil radio maken en schrijven, het liefst over hele alledaagse onderwerpen. Maar bovenal wil ik dit stukje van het continent ontdekken, en mijn vernederlandste Afrika-ervaringen die ik eerder bij de Wereldomroep heb opgedaan uittesten.

Al snel trek ik op met Ernest Muhero (32), journalist bij Radio Maendeleo. Hij is mijn fixer en vertaler – veel Congolezen spreken nauwelijks Frans, maar wel Swahili. Het is vreemd om te ervaren dat journalistiek in Oost-Congo nauwelijks in verhouding staat tot wat ik gewend ben in Nederland.

Maendeleo is het meest succesvolle radiostation in de regio, maar de apparatuur is oud, de redactieruimte is klein en bedompt en de ramen zijn behangen met een douchegordijn. En toch doet alles het. Je hebt natuurlijk ook niet meer nodig dan een fatsoenlijke verbinding om radio te maken.

In Oost-Congo hebben journalisten wel ernstiger zaken aan hun hoofd dan een lelijk gordijn. Hoewel persvrijheid staat vastgelegd in de Congolese grondwet komt daar in de praktijk niets van terecht; de regering controleert en dicteert, het leger wil niet praten en de politie is corrupt. En dan zijn er nog de tientallen rebellengroepen die de Kivu’s terroriseren. Intimidatie, bedreiging en in enkele gevallen de dood zijn het onoverkomelijke gevolg.

Ernest omschrijft zijn werk trots als een zoektocht naar waarheid, een haast Don Quichotesk avontuur in een web van onderdrukkende partijen. Het is een nobel streven, maar verre van realistisch. Ernest en zijn vrienden graven en steken waar zo nodig, maar houden zich gedeisd zodra het problemen kan opleveren. En zo komt de waarheid – als die er al is – natuurlijk nooit boven tafel. ‘Een goede journalist, is een journalist die leeft’, zegt hij. ‘Want als je dood bent, heeft niemand meer iets aan jou.’

Zulke verhalen zijn nogal zware kost, vooral als je leeft van melige avocado’s en mini-banaantjes. Kees, Manon en ik koelen iedere avond af met een Congolees biertje, terwijl we praten over onze ervaringen van de dag, maar ook over journalistiek in Nederland.

Kees neemt zijn rol als mentor uiterst serieus en overstelpt ons met zijn eigen journalistenavonturen; van krakersrellen in Amsterdam tot de gifgasaanval op Halabja. Voor hem is geschreven journalistiek heilig. ‘Hoezo, een beeld zegt meer dan duizend woorden? Eén woord zegt soms meer dan duizend beelden!’ Manon en ik proesten het uit. Wanneer ik vertel over mijn niet zo nette afwijzing door De Groene spuugt hij vuur. Ik vind het vervelend, maar ben al lang een paar verhalen verder.

Ook wanneer je in het interessante Congo bent moet je je waar slim weten te verkopen, merk ik. Naast radioreportages over open riolen en dikke achterwerken schrijf ik een achtergrondverhaal over ontheemden. ‘Te zielig’, luidt het oordeel van de krant aan wie ik het pitch. Auw. Gelukkig heb ik het naderhand alsnog kunnen verkopen, in het Engels.

Twee weken vliegen voorbij. Verhalen zijn gepubliceerd, reportages uitgezonden. ‘Afrika’ staat op een laag pitje, nu ik definitief weg ben bij de Wereldomroep.

Op Facebook chat ik regelmatig met Ernest en zijn kompanen. ‘Wanneer kom je terug?’, vroeg er laatst één. Ik kijk op de website van KLM, een retourtje ­Kigali kost ruim 2000 euro. Misschien moet ik toch maar naar Kenia.

Bekijk meer van

Persoonlijk Dossiers

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab
Redacteur

Lars Pasveer
Redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur

Anneke de Bruin
Vormgever

Marc Willemsen
Webontwikkelaar

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.