website over journalistiek

x

Download de Villamedia-app

 

Weg met het dedain voor de zachte journalistiek

Chris van der Heijden — Geplaatst in Journalistiek op vrijdag 22 september 2017, 11:00

Bezoekers tijdens het eerste LINDA.festival in 2016.

Bezoekers tijdens het eerste LINDA.festival in 2016. - © Bas Czerwinski | ANP KIPPA

Opinie Journalist en historicus Chris van der Heijden, van wie deze week het boek ‘Spiegelzaal van onze tijd. LINDA. en de Nederlandse samen­leving’ verscheen, stoort zich aan de opvatting dat ‘harde journalistiek’ beter zou zijn dan ‘zachte journalistiek’. Volgens hem wordt het tijd dat we andere rollen en andere functies van de journalistiek gaan onderzoeken en tegelijkertijd ophouden te mopperen over de huidige veranderingen van journalistieke normen en vormen.

Journalistiek, zo is altijd nog een standaardmening bij mediaonderzoekers, mediaopleidingen en opiniemakers, is een vak dat informeert, analyseert en opinieert over de publieke zaak. En dan met name op het gebied van politiek, economie en maatschappij. Natuurlijk, iedereen weet dat het onverstandig is met een definitie van het vak te komen (je verslikt je) zoals iedereen ook weet dat er op elke veronderstelde standaardmening duizend uitzonderingen zijn. Maar toch, ik zwerf al tientallen jaren door allerlei journalistieke wereldjes en ervaar steeds weer dat er een duidelijke, hoewel ongeschreven scheidslijn loopt tussen wat als goed en wat als slecht wordt beschouwd, wat belangrijk en wat onbelangrijk zou zijn, wat de moeite waard en wat niet. Om, voor de goede verstaander, het verschil in enkele woorden aan te duiden: harde journalistiek, zie bovenstaande omschrijving, is goed, zachte journalistiek niet – of op zijn best bijzaak.

Ik ben het hier om verschillende redenen niet mee eens. Hoewel ik persoonlijk ook meer geïnteresseerd ben in harde dan in zacht-journalistieke onderwerpen, betekent dat nog niet dat het een belangrijker is dan het ander. In zoverre wint de historicus in mij het van de journalist want meer nog dan mijn vak uitoefenen en verdedigen wil ik weten hoe een samenleving in elkaar steekt. Geloof me, dat is anders dan gedacht wordt door de relatief kleine groep van onderzoekers, opvoeders en intellectuelen die binnen de journalistiek de toon aangeeft. Zij bezien de samenleving veel te sterk vanuit het eigen perspectief. Op zich is daar weinig tegenin te brengen, bijna iedereen doet dat. Maar intellectuelen en hun verwanten hebben de pretentie dat zij ook over en voor anderen kunnen spreken en in dit geval dus mogen beweren dat het soort journalistiek dat zij belangrijk vinden, harde journalistiek, belangrijker is. En dat klopt niet.

Maar, voor de goede orde, eerst even: wat is ‘zachte journalistiek’? Dat is niet eenvoudig te zeggen. Over harde journalistiek, haar geschiedenis en kenmerken zijn kasten vol geschreven. Over zachte journalistiek vind je met moeite een paar plankjes. Het is veelzeggend voor het gebrek aan affiniteit dat intellectuelen (tenslotte zijn zij het in de eerste plaats die genoemde kasten en plankjes vullen) met dergelijke journalistiek hebben, én voor hun minachting. Niettemin, snel gezegd: zachte journalistiek verschilt op zo goed als alle gebieden van haar harde broertje, in doelgroep, inhoud, vorm, functie, ja zelfs waarheidsopvatting. Dat alleen al maakt haar de moeite waard, meer nog nu zij haar grote broer steeds vaker het nakijken geeft.

Een veelgebruikte omschrijving van zachte journalistiek is afkomstig uit het boek dat de Engelse media­onderzoeker Colin Sparks met enkele anderen in 2000 publiceerde. Het is, veelzeggend, getiteld ‘Tabloid Tales’ en maakt, conform deze titel, een onderscheid tussen goede en slechte journalistiek, wat Sparks noemt ‘the journal of record’ (kwaliteitsjournalistiek) en ‘pulp’ (tabloids). De aan het begin van dit artikel genoemde omschrijving van (kwaliteits)journalistiek is grotendeels van hem afkomstig. Tegenover deze plaatst Sparks een journalistiek die vooral aandacht heeft voor persoonlijke of private (in plaats van publieke) zaken, en voor schandalen, sport en entertainment.

Sparks omschrijving is niet alleen veel te beperkt, zij is ook onjuist en inderdaad kenmerkend voor genoemde standaardmening – waar we volgens mij dus vanaf moeten. Want zachte journalistiek is en doet veel meer dan hij stelt, bovendien is zij veel belangrijker dan Sparks suggereert en tot slot is de door hem aangebrachte scheiding tussen privaat en publiek, ook wat de journalistiek betreft, ruimschoots achterhaald. Dit alles weten we eigenlijk al lang. Maar volmondig erkennen doen we het niet – of zelden en dan niet graag, laat staan dat we uit zo’n erkenning de onvermijdelijke consequenties trekken.

Achter de traditionele omschrijving van journalistiek schuilt een maatschappelijk ideaal dat ongeveer zo oud is als de journalistiek zelf en net als deze uit de 17e eeuw stamt. Dat ideaal loopt parallel aan het verhaal over het ontstaan van de publieke opinie en stelt dat een goede burger een geïnformeerde burger is en dat belangrijke informatie vooral politiek en economie betreft, plus nog wat sociale zaken. De rest zou niets anders zijn dan vermaak, spel, frivoliteit, leuk voor ‘het volk’ en, wie weet, een avondje kroeg maar verder onbetekenend. Nee erger dan dat: gevaarlijk, voor de publieke opinie wel te verstaan, en daarmee ook voor de democratie. De Amerikaanse mediahistoricus Michael Schudson heeft deze mening ooit fraai ‘the progressive fallacy’ genoemd, het progressieve misverstand – ‘progressive’ bedoeld als verwijzing naar het Amerikaanse tijdperk dat daaraan zijn naam ontleent, The Progressive Era (ca. 1890-1920). ‘Het idee dat in het Progressieve tijdperk van democratie bestond’, stelt hij, ‘draait om het concept informatie. Hoe beter deze is, hoe wijder verbreid en hoe dieper doorgedrongen, des te beter de democratie.’ Maar, zo voegt Schudson er (naar mijn mening terecht) meteen aan toe: een dergelijke opvatting is een misverstand.

Hiermee ben ik bij een kernpunt, tevens een belangrijke verklaring voor het dedain voor de zachte- en de overschatting van de harde journalistiek: de veel te grote betekenis die aan het verschijnsel informatie toegekend wordt, ook als het de politiek of, ruimer genomen, de rol van de burger in een groep of samenleving betreft. Zoals gezegd weten we dit al lang en er zijn dan ook tientallen, zo niet meer studies waaruit het blijkt. Ook zijn er ontelbare feitelijke illustraties. Om van beide één te vermelden. Om te beginnen het beroemde en altijd weer genoemde tv-debat tussen Nixon en Kennedy: belangrijker dan wat gezegd werd, was de uitstraling van degene die sprak; imago won het van inhoud. Een voorbeeld van een studie waaruit iets vergelijkbaars naar voren komt, is het beroemde artikel dat Bernard Berelson naar aanleiding van de New Yorkse krantenstaking in juni 1945 (‘What “missing the newspaper” means’) publiceerde. De gemiddelde lezer voelde zich volstrekt verloren toen de krant niet verscheen. ‘I am like a fish out of water’, zoals een van de ondervraagden zei. Maar de reden van zoveel verlorenheid was volgens Berelson niet de afwezigheid van informatie (‘nieuws’). Daarin was de gemiddelde krantenlezer helemaal niet zo geïnteresseerd. Hij las de krant om andere redenen – en miste hem dus ook om andere redenen. Welke?

Hoewel het antwoord op deze vraag buitengewoon complex en in zijn algemeenheid, zeker in korte bewoordingen niet te geven is, weten we sinds lang dat media­gebruik in de meeste gevallen andere doeleinden dient dan informatieverschaffing. Tot die conclusie kwam ook Berelson die in zijn artikel stelde dat de gemiddelde lezer een krant las uit gewoonte, voor de verstrooiing, uit prestige of voor het sociaal contact. In de daaropvolgende jaren werd deze constatering herhaaldelijk bevestigd. Een mijlpaal hierbij was het artikel ‘Utilization of mass communication by the individual’ van de hand van Elihu Katz en twee collega’s uit het begin van de jaren 70. Daarin worden vier motivaties onderscheiden:

• Waakzaamheid (Surveillance)
• Persoonlijke identiteit
• Sociaal contact (Personal relationships)
• Vermaak

Van deze vier correspondeert alleen de eerste met het klassieke model van de journalistiek. In de drie andere gevallen gaat het om zaken die veelal juist niet met journalistiek vereenzelvigd worden. Daaronder: het zoeken van persoonlijke identiteit, identificatie, zelfinzicht en versterking van eigenwaarde; het vinden van gedragsmodellen, empathie & sociaal contact; gespreksthema’s opdoen en prikkelingen ondergaan; ontsnappen aan problemen, ontspanning, genot; delen van gemeenschappelijke waarden.

De weigering deze en dergelijke zaken tot de journalistiek te rekenen en dit vak te beperken tot informatie­verschaffing op een klein aantal gebieden, met name politiek, economie en maatschappij, is langzamerhand een volslagen anachronisme geworden. Sla een willekeurige krant, ook een zogenoemde kwaliteitskrant, op. Kijk tv, ook ‘het nieuws’. Lees de bladen, zelfs de vak- en opiniebladen. Surf langs enkele van de vele nieuws­sites die het internet rijk is. Het klassieke nieuws en dan zeker het nieuws dat de fameuze waakhondfunctie van journalistiek en burger betreft (‘surveillance’) maakt van het totaal niet meer dan een deel, ja zelfs deeltje uit.

Deze constatering spoort met het onderzoek naar zogenoemde media-effecten. Ooit gingen wetenschappers ervan uit dat media op hun gebruikers rechtstreeks invloed uitoefenden. Dat idee is sinds geruime tijd verlaten. Recent onderzoek draait de verhouding om en vraagt zich niet zozeer af wat media met mensen maar wat mensen met media doen. Wat blijkt? Informatie vergaren over de publieke zaak is veelal en in ieder geval voor de meeste mensen een bijkomstigheid. Veel vaker dan dat dienen media persoonlijke kwesties, vermaak en sociaal contact. Vanuit het perspectief van de journalistieke traditie lijkt dit een omgedraaide wereld. Dat mag zo zijn maar die schijnbaar omgedraaide wereld is wel de onze. Immers, het is niet moeilijk in te zien dat wat Berelson, Katz en anderen in het verleden over krant, radio en televisie opmerkten in versterkte mate voor het internet en sociale media geldt, ook voor het gedeelte daarvan dat zichzelf als journalistiek afficheert. Goede illustraties hiervan bieden BuzzFeed in de Verenigde Staten en LINDA., ja zelfs NU.nl bij ons. Alle drie genoemde sites brengen ‘nieuws’ maar het is nieuws van een volstrekt andere orde, andere inhoud en veelal ook met een andere bedoeling dan ‘het nieuws dat vroeger in de krant stond’.

Om al deze redenen is een veel betere omschrijving van zachte journalistiek dan die van Sparks afkomstig van de Duits-Oostenrijkse mediaonderzoekers ­Folkert Hanusch en Elfriede Fürsich – die overigens in hun Engelstalige publicaties van lifestyle journalism spreken, volgens mij een minder goede term. Hanusch en Fürsich hebben het nadrukkelijk over journalistieke functies als inspireren & oriënteren, vermaken & ontspannen, helpen & adviseren. En als zij het over de sociale rol van journalistiek hebben, gaat het niet zozeer over politiek als over zelfexpressie, identiteit en consumptie.

Volgens mij kan dit alles slechts één ding betekenen en dat is dat het tijd wordt dat we serieus en intensief andere rollen en andere functies van de journalistiek onderzoeken en tegelijkertijd ophouden te mopperen over de huidige veranderingen van journalistieke normen en vormen. Dit is temeer van belang, denk ik, omdat tegenwoordig alle normen en vormen door elkaar lopen. Ook om die reden is de term ‘zacht’ voor veel moderne journalistiek beter dan varianten als lifestyle – of human interest. Dat ‘zacht’ zegt immers ook iets over de opvatting over het basismateriaal van de journalistiek, de terecht altijd weer geroemde ‘feiten’. In de huidige journalistiek willen we die feiten vanzelfsprekend nog steeds boven tafel krijgen terwijl we tegelijkertijd voorzichtiger zijn geworden in de kwalificatie ervan – dat is wat ik bedoelde met het verschil in waarheidsopvatting tussen harde en zachte journalistiek. Feiten en feiten blijken, helaas, bijna altijd twee of meer te zijn. Wat de een feiten noemt zijn volgens de ander meningen en volgens een derde leugens. Door de enorme stortvloed aan nieuws en media én door de voortdurend zichtbare grote verschillen in wereldbeeld, perspectief en ideologie zijn we daarvan dieper doordrongen dan ooit. Het is geen reden het verlangen naar en de eis van objectiviteit overboord te zetten. Het is wel reden aandacht te besteden aan andere denk­beelden daarover. Dit juist om het onderscheid helder te houden.

Chris van der Heijden (1954) is historicus, gepromoveerd op de nasleep van de Tweede Wereld­oorlog (‘Dat nooit meer’), en journalist. Hij publiceerde boeken en artikelen over uiteenlopende onderwerpen, met als bekendste (boeken) ‘Grijs verleden’ en ‘Zwarte renaissance’. Ook werkte hij voor tal van geschreven (o.m. NRC Handelsblad en Vrij Nederland) en audio­visuele media (o.m. NOS, VPRO, KRO). Tegenwoordig werkt hij naast zijn onderwijsbaan vooral voor De Groene Amsterdammer. Zijn nieuwste boek ‘Spiegelzaal van onze tijd. LINDA. en de Nederlandse samen­leving’ is deze week verschenen. ​

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

Masterclass EU