website over journalistiek

De struisvogel en de islam

Arthur van Amerongen — Geplaatst in Journalistiek op vrijdag 18 augustus 2017, 11:00

Media op het Beursplein, een dag na de aanslagen in Brussel, 2016

Media op het Beursplein, een dag na de aanslagen in Brussel, 2016 - © Jonas Roosens/ANP

Opinie Stel dat een jongeman besluit zich op te blazen in de Balie, tijdens een debat over terreur, angst & media. Toevallig op 11 september. Er vallen doden. Volgens de door de Belgische publicist David Van Reybrouck gewenste richtlijnen zouden de media daar summier en afstandelijk over moeten berichten. En daar is Arthur van Amerongen het absoluut niet mee eens.

Vorige maand zwengelde David van Reybouck op De Correspondent het debat over verslaggeving over terreur aan. Hij stelt: ‘Als sommige vormen van berichtgeving terrorisme meer belonen dan andere, dan moeten we durven stilstaan bij de werkwijze van de pers. Excessieve media-aandacht kan immers de angst verhogen, de terrorist een heldenstatus verlenen en anderen tot nieuwe aanslagen inspireren. Het is daarom niet verstandig om telkens zoveel details prijs te geven over de identiteit van de dader. We geven daarmee een geweldige bonus aan de terroristen. Zij willen gezien en gehoord worden.’

En: ‘Het wordt hoog tijd dat we zelfmoordaanslagen in Europa meer als zelfmoorden en minder als aanslagen bekijken.’ Van Reybrouck hekelt het feit dat we nauwelijks oog hebben voor het suïcidale aspect van het handelen van zelfmoordterroristen. Terwijl het gevaar op suïcide copycats, net als bij de klassieke zelfdoding, heel erg groot is.

Op De Correspondent doet hij een oproep aan de hoofdredacteuren en de Raad voor de Journalistiek. De berichtgeving moet anders. De rol van de media is verpletterend en de overheid moet meer aan preventie denken. De pers kan zo levens redden. Van Reybrouck wil zelfs een aparte zelfmoordlijn voor potentiële terroristen.

Mijn eerste gedachte was: de schrijver van het meester­werk ‘Congo, een geschiedenis’ denkt wellicht wat oud mediaal want een paar minuten na de aanslag staat de Balie bovenaan op de trendlijst van Twitter. Na een paar uur gaat de naam van de dader rond op Twitter.
Zo ging het vrijwel bij alle islamitische ­terreuraanslagen in Europa. De papieren ochtendbladen kunnen de aanslag zeer waarschijnlijk niet eens meenemen de volgende dag. En de lezer is ook niet van gisteren dus het is nogal sneu om ruim een etmaal later met een summier en afstandelijk bericht over een ‘uit de hand gelopen zelfdoding’ te komen.

Van Reybrouck schrijft dat de Franse media veel discreter omgaan met hun berichtgeving over aanslagen. Na de aanslag in Nice kwamen grote spelers van het Franse medialandschap – Le Monde, Radio France Internationale, France 24, Europe 1 en BFM-TV – overeen om niet langer foto’s van aanslagplegers te plaatsen. Radio­zender Europe 1 besloot om ook hun namen niet meer te delen. Van Reybrouck: ‘Zulke afspraken hebben ook wij nodig’.

Onzin natuurlijk want heel Frankrijk weet dat de terrorist van Nice een 31-jarige Tunesiër was die Mohamed Lahouaiej Bouhlel heette. Één klik op de laptop en we zien de martelaar in zijn zwembroek.

Met de struisvogelpolitiek van Van Reybrouck en de door hem voorgestelde persbreidel komen de media vandaag de dag niet meer weg.

Volgens Van Reybrouck kunnen terroristen nog zoveel bommen plaatsen als ze willen maar als de media er niet over berichten, zijn hun aanslagen mislukt. Hij poneert dat geen enkele jihadist zichzelf doodt om vervolgens doodgezwegen te worden. ‘Als het is om genegeerd te worden, kan hij net zo goed blijven leven.’

De Belg doet net alsof Allah, de Profeet, de islam en de Koran geen enkele rol spelen bij de tientallen aanslagen in Europa, hetgeen ik nogal beledigend en respectloos vind jegens de overtuigde moslimterrorist. Eerst suggereert Van Reybrouck dat het bij aanslagen vaak om zelfdoding gaat – wellicht omdat de jongeman in kwestie depressief, werkloos, gedepriveerd en uitgesloten was – en vervolgens stelt hij dat een jihadist zich opblaast enkel en alleen omdat hij zo graag in de krant wil. Maar het zijn niet de media die de islamitische terrorist de heldenstatus bezorgen, maar zijn sympathisanten in Molenbeek, de Parijse banlieue, Amsterdam-West, de Haagse Schilderswijk of waar dan ook. Die lezen geen kranten maar vinden alles over hun martelaar op Twitter, Facebook en wat dies meer zij.

Van Reybrouck had wellicht ook het liefst hele summiere berichtgeving over de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo gezien. De boodschap van de terroristen was echter: geen grapjes en cartoons over onze geliefde Profeet. Dat doel hebben ze bereikt. Media-aandacht of niet.

Van Reybrouck vraagt zich af of het verstandig is om telkens veel details prijs te geven over bijvoorbeeld een voortvluchtige aanslagpleger: ‘Wie een aanslag pleegt, weet dat zijn volledige naam en gezicht in bijna alle kranten, op nieuwssites en in tv-journaals over heel Europa zal verschijnen. Normaal is die eer enkel aan een zegevierende presidentskandidaat van een groot land voorbehouden. Willen we die bonus zomaar bieden?’

Ik vind het bijzonder prettig om te weten hoe een voortvluchtige moslimterrorist, TBS’er of serieverkrachter er uitziet. Diens privacy vind ik tijdens de klopjacht eventjes onbelangrijk. Het valt dan wel te hopen dat de voortvluchtige geen dubbelgangers heeft want dan krijg je volksgerichten tegen onschuldigen. Dat is het nadeel van de digitale schandpaal.

Van Reybrouck vindt mediale aandacht voor de psyche van de moslimterrorist erg overdreven: ‘Wie een aanslag plant, mag er ook rustig van uitgaan dat de hele wereld zal schrijven over zijn afkomst, familie, schoolprestaties, liefdesleven, eventuele strafblad en wat de buren van hem vonden. Wij spitten zijn korte levensverhaal uit met een ijver en een belangstelling die hij bij leven nooit heeft gekend. De terrorist is dan ineens iets van internationaal belang geworden. We maken zijn zelfmoordaanslag het overwegen waard. Hij is een nobody die zo graag een somebody wil zijn, desnoods post-mortem, en wij, westerse media, helpen hem daar maar al te graag bij. Dit zouden wij niet moeten doen.’

De belangstelling van de media voor de terrorist vind ik bijzonder belangrijk. Ik wil echt alles weten over de dader. De aanleiding voor mijn boek ‘Brussel Eurabia’ was een klein berichtje over de eerste zelfmoordenares van Al Qaida: de Belgische Muriel Degauque. Voordat ze zich tot de islam bekeerde, was ze junk en alcoholist. Ze trouwde met een Turk en vervolgens met een zeer vrome Marokkaan. Kinderen kreeg ze niet want ze was onvruchtbaar. Allemaal relevante informatie wanneer je het profiel van een moslimterrorist probeert samen te stellen.

Eerder dit jaar las ik het indrukwekkende boek ‘Sultan en de lokroep van de jhad’, van Johan van de Beek en Claire van Dyck. Tot in de kleinste details – veel primeurs verschenen in dagblad De Limburger – beschrijven ze de psyche van drie geradicaliseerde jongeren uit Maastricht. Een van hen, Sultan Berzel, blaast zich kort na vertrek op in Bagdad en wordt de vermoedelijk grootste Nederlandse massamoordenaar uit de recente geschiedenis. Er zijn mensen die hem beschouwen als held en heilige. Anderen zien hem als slachtoffer van de grootste hersenspoeling ooit. Berzels Koerdische vriend, die met hem mee op jihad gaat, sterft op het Syrische slagveld. Met een glimlach op zijn gezicht, aldus zijn kameraden van Islamitische Staat. Hij ligt in een onbekend graf bij Raqqa. De derde uitreiziger, de bekeerlinge Aïcha, wordt wereldnieuws als ze weet te ontsnappen uit Syrië en terugkeert naar Nederland. Ze gelooft nog steeds in jihad.

Een paar van de brandende vragen die Van de Beek en Van Dyck stellen in hun boek: Waarom en hoe namen deze jonge mensen de afslag Islamitische Staat? Uitsluiting, vervreemding, idealisme, identiteit? Hadden ze tegen kunnen worden gehouden? Is er, na het kalifaat, een blijvend gevaar van radicalisering en terreur in Nederland?

Van Reybrouck daarentegen wil in de door hem geopperde brede maatschappelijke discussie de islam het liefst loskoppelen van de terreuraanslagen.

Ik heb mij tijdens de research voor ‘Brussel Eurabi’ verdiept in met name de Belgische berichtgeving over de islam. In een geactualiseerde versie van het boek dat vorig jaar na de aanslagen in Brussel uitkwam, schreef ik: ‘De Belgische media hebben een dagtaak aan het goedpraten en downplayen van islamitisch geïnspireerd geweld. Zomaar een paar voorbeelden: Dagblad De Standaard schrijft dat de supporters van Feyenoord die Rome sloopten geen haar beter zijn dan de Syriëgangers. In De Morgen schrijft de creatief directeur van productiehuis Woestijnvis dat hij banger is voor vrachtwagenchauffeurs in Vilvoorde dan voor de talloze Syriëgangers uit die voorstad van Brussel. Eveneens in De Morgen oppert schrijver-journalist Dieter Ceustermans dat we het adjectief “moslim” voor “terrorist” moeten weghalen omdat het stigmatiserend is. We hebben het immers ook niet over katholiek terrorisme als het over de IRA gaat.’

De dodelijke aanslag op het Joods Museum op 24 mei 2014 werd door de Belgische media in eerste instantie afgedaan als een incident, de gebruikelijke reflex als het om overduidelijk islamitisch geïnspireerd geweld gaat. De dader was uiteraard weer een eenzame wolf met een psychiatrisch verleden die geen enkel benul had van de werkelijke, vredelievende islam. Vaak zijn die islam-apologeten papenjagers die de katholieke kerk als de wortel van al het kwaad beschouwen en de islam als de religie van de liefde propageren.
De aanslag vond op zaterdag plaats, één dag voor de Belgische verkiezingen. Tot de stembussen dicht gingen op zondag, bleven de autoriteiten samen met de media verkondigen dat het niet zeker was dat het om een aanslag ging. En mocht het stomtoevallig toch om een aanslag gaan, dan was nog lang niet bewezen dat die aanslag een antisemitisch karakter had. Als de dader blank was (en wellicht een neonazi) hadden de autoriteiten dat wel vermeld. Islamitische websites waren er van overtuigd dat het om een aanslag van de Mossad ging, bedoeld om de islam in een kwaad daglicht te zetten. Enfin, de dader was een Frans/Noord-Afrikaanse crimineel, Mehdi Nemmouche, die in de gevangenis vroom was geworden en in Syrië een spoedopleiding koppensnellen volgde. Het bekende verhaal. Stomtoevallig werd de terrorist niet lang daarna opgepakt in Marseille, met een tas vol wapens en een IS-vlag.

De media zijn niet gebaat bij de richtlijnen van Van Reybrouck. Ze moeten man en paard noemen en geen feiten achterhouden, zogenaamd ter bescherming van de kwetsbare moslims. Kritisch en eerlijk schrijven over islamitische aanslagen heeft niets met links en rechts, reactionair of progressief te maken. De rode draad van Van Reybroucks betoog is dat alle berichtgeving te veel eer is voor de terroristen. Maar die is niet bedoeld als eer. De saillante details roepen juist weerzin op tegen de daders. Die prikkelen de bereidheid van de politiek om snoeihard met ze af te rekenen.

Van Reybrouck schreef eerder een boek met de pretentieuze titel ‘Vrede kan je leren’. Zijn weg leidt misschien tot vrede, maar het is de vrede van het kerkhof.

DEBAT OVER TERREUR, ANGST EN MEDIA

Hoe beslissen media wat wel, en wat juist niet uit te zenden of te publiceren tijdens en na een terroristische aanslag? Op welke manier kun je het publiek zo goed mogelijk informeren, zonder angst te zaaien? Wanneer besluit een redactie om een pushbericht te ­versturen, en wat moet daar in staan? Wat is de waarde van liveblogs en twitter, en wat doen deze berichten met de maatschappij?

Op maandag avond 11 september (20.00 uur) praten journalisten, opiniemakers en andere experts in de Balie in Amsterdam over de manier waarop er bericht wordt over aanslagen. Moeten de media zich terughoudend opstellen, of is het adagium: informeren, hoe gruwelijk ook?

Rob Trip, presentator van het NOS Achtuurjournaal, leidt de avond. Onder andere Marcel Gelauff (hoofdredacteur NOS), Pieter Klein (hoofdredacteur RTL Nieuws), Hassan Bahara (schrijver van twee romans en columnist bij de Volkskrant), Arendo Joustra (hoofd­redacteur Elsevier) en Inge Vrancken (hoofdredacteur Het Journaal bij VRTNieuws) zullen spreken over de keuzes die zij maken bij het samenstellen van nieuws.

Meer informatie

Arthur van Amerongen (1959) is columnist van de Volkskrant en HP/de Tijd. Hij studeerde semitische talen en islam aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn doctoraal-scriptie ging over de jihad en islamitisch extremisme in Algerije. Van Amerongen was correspondent te Jeruzalem en Beiroet, met als specialisme Hamas, Hezbollah en de Moslimbroeders. Zijn boek ‘Brussel Eurabia’ werd in 2008 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.

3 reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

  1. 1. Jan De Vree, 20 augustus 2017, 10:00

    Inderdaad, bij deze drama’s zou niet de dader, maar de slachtoffers het speerpunt moeten zijn. Een moeder met twee kinderen en een vader, broer, zoon, niet in twee magere zinnen zo even mee vermeld, maar op de wijze waarop men nu de dader in beeld zet.
    Niet hun daad, maar het veroorzaakte leed, waarvoor hun familie zich ook zal schamen, blijvend vertellen, zoals we dit ook doen met de joden-zigeuner-homo vervolging in WOII
    Ik heb bijna 40 jaar geleden de bomaanslag in Antwerpen persoonlijk meegemaakt. Wat iedereen haast vergeten is, is voor mij nog steeds (niet altijd, het is vervaagd, maar toch nog wel vaak) een onderwerp in mijn dromen en beleven van realiteit. Om maar te zeggen dat ik toen, ook al had ik geen schram, slachtoffer was.
    Wat dan met de slachtoffers die vandaag nog steeds met de littekens van die bom moeten leven?
    Als deze waanzinnigen geen forum meer krijgen om hun heldendaad, maar enkel horen over het leed dat door hen is veroorzaakt en enkel dat leed wordt verhaald en niet de daad, dan is het verhaal van de overwinnaar dat overblijft en niet het verhaal van wie het heeft veroorzaakt.

  2. 2. Aart Albertus Amerongen, 20 augustus 2017, 10:21

    Dus u vindt dat de slachtoffers en hun nabestaanden de overwinnaar zijn, Jan de Vree?

  3. 3. Jan De Vree, 20 augustus 2017, 11:58

    Na WOII zijn de slachtoffers slachtoffer gebleven en de beulen vergeten.
    In deze gruweldaden, worden de slachtoffers vergeten enkel de beulen prijken als koppen van de waan van de dag. Hierdoor zijn er idd winnaars ... want in de media telt de kop van het artikel, niet de inhoud. Wie deze kop haalt kan zelfs een vraag krijgen in het parlement. In Vlaanderen stelt men de vraag of de ‘foute’ mensen uit het verleden nog wel een straatnaam mogen dragen en of er nog een standbeeld van mag bestaan. Een straatnaam van de slachtoffers is nog altijd geen onderwerp, misschien toch nog eens tijd om hierover na te denken.