Van journalist naar taxichauffeur. In de taxi wil Stephan Jongerius zonder cynisme naar z’n passagiers luisteren
Tot voor kort werkte Stephan Jongerius (64) voor het Brabants Dagblad, nu rijdt hij in een taxi door Nederland. Ogenschijnlijk twee uitersten, in praktijk hebben de twee beroepen opvallend veel overeenkomsten. Villamedia stapte in voor een ritje.
Taxichauffeurs hebben een eigen taaltje, met unieke gebruiken. De taxibus van Jongerius trekt op de parkeerplaats van treinstation in Tilburg de aandacht van collega’s. ‘Heb jij ook geen stropdas om?’, vraagt Jongerius aan een collega.
‘Die blijven altijd vastzitten in de invalidenlift’, klinkt het antwoord met Rotterdamse tongval. ‘Die sjaals prikken zo in je nek.’ Een ander, met handen op de rug, komt kalm aanstiefelen. ‘Wat een tamtam’, zegt de man monter.
‘Welkom in mijn verhalentaxi’, zegt Jongerius. In de metershoge bus toren je boven het verkeer uit, alsof je in de Pausmobiel zit.
Drie dagen per week is Jongerius taxichauffeur. Voor zorg-, leerlingen-, en zogenoemd ‘gecontracteerd vervoer’. De ene dag schreeuwende en vechtende kinderen op de achterbank. De andere dag brengt hij ‘schaarsgeklede dames’ naar een festival.
‘Meebewegen met de klant’
Op ‘de taxicursus’ leerde Jongerius naast veiligheidsvoorschriften ook om ‘mee te bewegen’ met de klant. De ene passagier ‘lult de oren van je hoofd’ - ‘tureluurs word je ervan!’ - een andere passagier zit de rit zwijgend uit. ‘Op eerste plaats ben ik taxichauffeur’, zegt Jongerius, terwijl de bus door de Tilburgse straten kruipt.
Lees ook: Zelfde naam, zelfde baan: Stephan en Jonas Jongerius
Jarenlang was Jongerius stadsverslaggever voor het Brabants Dagblad. Tilburg is ‘zijn’ stad, dat hoor je ook. Navigatie is niet nodig. ’In gesprekken probeer ik passagiers te prikkelen, oprecht te zijn. Dan voel je je een beetje journalist.’

Foto door Jules van Iperen
In principe had hij helemaal geen taxichauffeur hoeven worden. Een aantal jaar voor z’n pensioen kreeg hij de vraag of hij iets voelde voor een pré-pensioen, in essentie ontslag met een zakje geld om de tussentijd te overbruggen. Maar ja, dan zit je thuis. ‘Ik wilde iets nuttigs doen voor deze samenleving’, stelt Jongerius, terwijl we stilstaan voor een rood stopplicht.
Jongerius had ook nee kunnen zeggen tegen dat aanbod. Maar het ‘precies meten hoe lang mensen een verhaal lezen’ begon hem steeds meer tegen te staan. Net op het moment dat de coronapandemie losbarstte, kwam hij terecht op de onderzoeksredactie. Dan zat hij moederziel alleen in een hokje, zonder duidelijkheid wat nou van hem verwacht werd.
Een zure, oude man wilde ik niet worden
‘Ik werd er doodongelukkig van.’ Hij slikt. ‘Een zure, oude man man wilde ik niet worden. Mijn omgeving en ikzelf zouden gek worden van verzuring. Dat wilde ik voor zijn.’
Jongerius werkte een tijdje op een coronavaccinatiestraat. Na de eerste hausse was er geen kip. Stond het team de hele werkdag geduldig, duimendraaiend, te wachten tot iemand z’n prikje kwam halen. ‘Dan kijk je de hele dag naar de klok, wachtend tot het vijf uur is.’ Dat wil je niet in het staartje van je loopbaan.
In zijn Brabants Dagblad las hij dat ouderen met een beperking rond de spits tijdelijk niet vervoerd konden worden door een gebrek aan chauffeurs. Dat plantte het eerste zaadje. Het sloot mooi aan bij de wens iets nuttigs te doen. ‘Op je oude dag wil je geen vakkenvullen.’ Omdat Jongerius ‘geen ochtendmens’ is, werkt hij drie dagen per week ‘relaxed’ van ‘s middags één tot een uurtje of acht ‘s avonds.
Lijstje met verhalen
Soms leest Jongerius verhalen in de krant waarvan het gevoel beklijft: dit had ík willen maken. Anderzijds komt hij nu genoeg bijzondere personen en verhalen tegen. Op z’n telefoon heeft Jongerius een lijstje met mooie of opmerkelijke (levens)verhalen die in de krant niet hadden misstaan.
Er wordt nog gezocht naar een geschikt moment om oud-collega’s te attenderen op deze onderwerpen. Al voelt dat misschien ongemakkelijk, een oud-gediende die hen de les komt lezen.
Het werk als taxichauffeur is een ongeschreven blad. ’s Ochtends weet je niet wie of wie je naast je krijgt in de bus. ‘Je ziet pas wat voor een vlees je in de kuip hebt als je er bent. De boordcomputer geeft alleen een naam en adres. Geen geslacht, geen verdere informatie. Alleen het icoontje van een rolstoel als iemand slecht ter been is.’
Het nadeel aan zo’n grote taxibus is dat inparkeren niet eenvoudig is op de parkeerplaats van het luxe wooncomplex voor ouderen waar hij vaak ‘cliënten’ ophaalt - en nu koffie wil drinken. ‘Ik zal ‘m maar niet op de invalidenparkeerplaats zetten’, grapt Jongerius met bulderende lach.
De bus eindigt scheef in het parkeervak. ‘Zij staan lullig geparkeerd’, zegt-‘ie, wijzend naar twee Mercedessen. ‘Maar ik ook.’
Bij het voetbalstadion van Willem II haalde Jongerius eens een passagier op. Onderaan de trap van het stadion trof hij een ‘ontzettend gevaarlijk en stoer uitziend jochie van een jaar of 22’. De passagier deed ‘huishoudelijke taakjes’ in het stadion.
Feyenoord
‘Dan kom je vast veel spelers van Willem II tegen?’, vroeg Jongerius. ‘Iedere dag, maar ik begroet ze nooit’, antwoordde de jongen. ‘Ik ben fanatiek Feyenoordsupporter.’ Je weet nooit wat je precies aantreft, hetzelfde in het werk als verslaggever. ‘Als je van te voren weet hoe een verhaal loopt, is het saai om op te schrijven’.
Als taxichauffeur gaat het niet om jou, het gaat om de passagier. Je cijfert jezelf als mens weg voor een groter geheel, precies als journalist. ‘Je loopt niet met je eigen mening te koop. Als er een expliciete mening uit de passagier komt, over politiek bijvoorbeeld, dan knik je beleefd.’
In het café van het wooncomplex wordt nog geen koffie geserveerd. ‘Zit je in zo’n luxe bedoeling, kan er geen graatje service vanaf’, constateert Jongerius.
Een tijd geleden had hij op één dag twee verschillende dialysepatiënten uit dezelfde gemeente achterin zitten. ‘Eén bleek lid te zijn van een motorbende. Een ontzettende lompe klootzak. Die zat af te geven op alles wat zwart is. Je leert je poker face opzetten. Het gaat niet om jou, het gaat om de ander. Wijselijk hield ik m’n mond en knikte.’
‘De volgende rit bleek juist een man te zijn die een interessant idee had over waar we naar toe moeten in de wereld.’
Ik heb een zwak voor mensen die nét de boot gemist hebben
In de taxi ontmoet Jongerius mensen die ‘aan de pechkant van het leven’ terecht zijn gekomen. Dezelfde mensen die je als journalist vaak spreekt, de dubbeltjes die geen kwartjes zijn geworden of aan de verkeerde kant van het spoor geboren zijn. ‘Ik heb een zwak voor mensen die nét de boot gemist hebben.’

Foto door Jules van Iperen
In de afgelopen jaren schreef hij veel over de zorg, in de taxi ziet hij nu rechtstreeks de gevolgen van decennialang falend beleid. ‘Ik zocht altijd naar mensen die hun verhaal konden doen bij het nieuws. Speld in een hooiberg.’
‘Kapot gaan aan overheidsbeleid’
‘Twintig jaar lang zag ik bezuiniging na bezuiniging. Ik hoorde alleen beloftes, in praktijk werd het alleen maar slechter.’ Dat stemt de mens cynisch, zwartgallig. ‘Je ziet mensen letterlijk kapot gaan aan overheidsbeleid.’ Peinzend, daarna een voorzichtige, twijfelende lach: ‘Nu stappen die mensen bij mij in.’
De hele maatschappij neemt plaats in de taxi. Patiënten, jongeren met een afwijking, stewardessen, festivalgangers. Eens bracht hij een Zweedse rockband naar Schiphol.
‘Bonken van kerels, vol tattoo’s en grote baarden. Da’s interessant, dacht ik.’ Grijzend: ‘Die vent stapt in de passagiersstoel en valt in slaap. De jongens achterin zaten in het Zweeds te brabbelen.’ Soms ben je een ‘toevallige passant in iemands leven, de andere keer kun je een écht luisterend oor bieden.’
Voldaan thuiskomen
Tot z’n pensioengerechtigde leeftijd wil Jongerius ‘op de bus’ blijven rijden. Misschien gaat hij daarna nog even door. ‘Ik wil met mensen in aanraking blijven. Je kunt niet overal je neus meer insteken, maar elke week heb ik tenminste één taxigesprek waarna ik thuis kom en denk: “Dat was een leuk persoon”.’
Het biedt ‘inzichten, (mensen)kennis, een nieuw perspectief’. De cynische blik op zijn gezicht is verruild voor optimisme, z’n ogen glinsteren opgewekt.
In de ‘Brabantse bible belt’ haalde hij twee mannen op - ‘overduidelijk homo’ - die het enige homoseksuele stel van het dorp bleken te zijn.
‘Toen ze er 30 jaar geleden kwamen wonen, kwam de dominee langs met de vraag of de kerk een vrouw moest vinden voor die man. Je brengt mensen van A naar B, maar op het vliegveld zeiden ze: “Dit was zo’n leuk gesprek, het klikte direct”.’

Foto door Jules van Iperen
De passagiers drukten fooi in z’n handen bij het afscheid. ’Daar doe je het niet voor, maar dat is wel erg leuk.’
Luisteren
Juist in de taxi wordt Jongerius gesterkt in zijn levensmissie: ‘sta open voor elkaar, luister naar elkaar’ - precies zoals je als journalist ook doet - ‘en zonder vooroordeel’. ‘Tegenwoordig wordt er nauwelijks meer écht naar elkaar geluisterd.’
Een ontwikkeling die hij probeert te kenteren in zijn ‘praattaxi’, waar alles kan, mag en niets taboe is. ‘Ik wil grijstinten laten zien en ze begrijpen. Een luisterend oor bieden. Alles is al zo zwart-wit tegenwoordig. Ik heb besloten om niet meer cynisch te zijn. Dat is funest voor jezelf en je omgeving.’


Praat mee