PersVeilig

— dinsdag 8 maart 2022, 10:49 | 0 reacties, praat mee

Ter nagedachtenis aan Kees Schaepman: Terug in Halabja

© Saman Penjwini

Dit indrukwekkende persoonlijke verhaal schreef Kees Schaepman (1946-2022) in 2011 voor Villamedia. Hij ging terug naar Halabja, Koerdistan, waar hij jaren eerder was, in 1988, na een gifgasaanval op onschuldige burgers door Irak. Het betekende voor hem een keerpunt. ‘Het roept nog steeds een diepe woede bij me op en het leidde, een beetje laat, tot mijn afscheid van de naïviteit.’ Bijna 23 jaar later is hij er terug en ziet overal handel, straten die weer leven. ‘Er heerst corruptie. De pers ligt aan partijpolitieke banden. Maar het is ook veilig. Er gloort toekomst.’ Laatste wijziging: 8 maart 2022, 15:32

De laatste keer dat ik hier was, lag er een kat midden op de weg. Dood. Op de stoep voor zijn huis zag ik een man, hij had zijn arm beschermend over de schouder van zijn zoon geslagen. Beiden waren dood. Ik stond erbij als Nikkelen Nelis, notitieblok in de linkerhand, microfoon in de rechter, camera over de schouder, ballpoint achter het oor. En, natuurlijk, een gasmasker aan mijn riem. Dat was voorjaar 1988. Kort daarvoor, op 16 maart, had Saddam Hoessein de Koerdische grensstad – met zeventigduizend inwoners zo groot als Gouda – bestookt met gifgas. Een dag voor dat bombardement had de bevolking nog de bevrijding door Koerdische guerrillastrijders en het Iraanse leger gevierd.

Ik was in 1988 in Halabja voor Vrij Nederland en de VPRO. ‘Wie de stad gezien heeft, weet dat hier nooit meer kinderen zullen spelen’, schreef ik toen. Nu zie ik schoolkinderen. En een nieuw voetbalstadion. Een viersterrenhotel in aanbouw. Overal handel, straten die weer leven. De Koerden hebben in het noorden van Irak voor het eerst een thuisland. Er heerst corruptie. De pers ligt aan partijpolitieke banden. Maar het is ook veilig. De economie floreert. Overal wordt gebouwd. Er gloort toekomst. ‘Je bent net te laat’, zegt burgemeester Goran Adham. ‘Gisteren vierden we de verjaardag van de executie van Ali Cyaankali.’ Toen in Nederland gifhandelaar Frans van Anraat wegens leveringen aan Irak ruim zestien jaar cel kreeg, werden in Halabja oranje vlaggen uitgestoken.

Terug in de tijd. ’s Ochtends had de Iraanse ambassade in Den Haag me gebeld: of ik nog steeds een visum wilde? Ik wachtte er al maanden op, had de hoop bijna opgegeven. Nu werd ik vriendelijk ontvangen, kreeg behalve een visum zelfs een cadeau mee – een in goudpapier verpakt presentje dat ik met enige aarzeling accepteerde: weigeren was een affront, maar het zou toch niet te kostbaar zijn? In de auto, onderweg naar Schiphol, opende ik het cadeau. Pistachenoten. Dat moest kunnen.

Teheran was uitgestorven. Iran en Irak bestookten elkaars hoofdsteden met raketten. Onderweg naar een sportcentrum waar honderden gewonde en geëvacueerde inwoners van Halabja waren ondergebracht, stopte mijn chauffeur om naar huis te bellen. Schreeuwend en heftig gebarend kwam hij terugrennen: ‘Boom boom baby! Boom boom baby!’. Zijn huis was getroffen, zijn pas geboren kind lag dood onder het puin.

Toen ik destijds, na een helikoptervlucht, langs steile rotsen scherend om Iraakse luchtafweer te ontlopen, als camjo avant la lettre in Halabja landde, zwierf burgemeester Adham door het Koerdische gebergte. Een puber nog. Nu straalt hij gezag uit, een gezette man in grijs wollen vest en geblokt hemd achter een gepolitoerd bureau vol vaantjes en plaquettes.

Het duurde maanden voor de jonge Goran veilig Iran bereikte. De dag dat de gifbommen vielen blijft voor hem een dag die nooit voorbij zal gaan. Na de val van Saddam Hoessein in 2003 ging hij naar Bagdad om te getuigen en aan te klagen, ondanks doodsbedreigingen door voormalige aanhangers van Saddams Baathpartij. De massamoord mág niet vergeten worden. Dat is de opdracht die hij zichzelf gesteld heeft. Ieder detail dat ik me herinner, wil hij weten. De rollen worden omgedraaid: hij vraagt en maakt aantekeningen, ik antwoord en drink zoete thee, diep weggezakt in een zachte fauteuil. Ondertussen wordt er geflitst en gefilmd door de opgetrommelde Koerdische pers.

Ik vertel de burgemeester hoe ik zag dat een Iraaks gevechtsvliegtuig vlakbij Halabja werd neergehaald door een Iraanse raket. ‘Look, here is the pilot’ wees een grijnzende peshmerga en trapte tegen een stuk dashboard waar vleesresten aan kleefden. Onder een rokend en verwrongen restant van de vleugel trok een ander een verbrijzeld onderbeen te voorschijn. Hij spoog erop. Burgemeester Adham veert op als ik het vertel, hij zag diezelfde crash vanuit de bergen.

Rond Halabja waren de sporen van een ouderwetse frontenoorlog zichtbaar: uitgebrande pantservoertuigen, gekantelde militaire vrachtwagens, verminkte lichamen. Met een cameraploeg van CBS en een collega van The Observer reed ik over een dijkje in het drassige landschap. Toen we stopten en uitstapten, werden we onder vuur genomen door Iraakse artillerie. De tweede inslag trof bijna doel, onze chauffeur had een hoofdwond. Plank gas reden we weg om te ontkomen, over de lijken van gesneuvelde militairen. Ik verbeeldde me het gekraak van hun brekende botten en schedels te horen. Onzin – na de explosies hoorde ik niets, alleen het suizen in mijn oren.

‘Op de dag van het bombardement vielen er vijfduizend doden’, zegt burgemeester Adham. Dat is een voorlopige score, er worden steeds nieuwe slachtoffers gevonden. Kort geleden werd bij de aanleg van een weg opnieuw een massagraf ontdekt. Er moesten experts bijkomen, de lijken konden giftig zijn. En nog steeds sterven mensen als vertraagde slachtoffers van het gas. Zelf keerde de burgemeester, voor hij naar Iran ontkwam, een paar keer terug in zijn geboortestad. Het was een spookstad geworden. Het gif zat in het water, in de grond, in de huizen. Adham vond fruit en at het. Als hij nu een hoestbui heeft, vraagt hij zich onwillekeurig af wat de oorzaak is.

‘Een psychologe deed in Koerdistan onderzoek naar post traumatische stress stoornis’, zegt Saman Penjwini, een tengere, bewegelijke Koerd die vanuit Suleimania met mij is meegereisd. ‘Haar conclusie was dat het hele Koerdische volk er aan lijdt.’ Hij is nooit eerder in Halabja geweest. Bang voor de emoties. Normaal praat hij honderduit. Maar als we de herbouwde stad binnenrijden valt hij stil en zijn anders altijd sprankelende ogen glanzen dof. ‘Ik begrijp niet dat mensen hier nog kunnen wonen’, zegt hij. Even later lopen we over de begraafplaats van Halabja. Bij een enkel graf staat een groepje mensen. Maar in het voorjaar wordt dit weer een Koerdisch bedevaartsoord, zegt Saman. Bij de ingang van het kerkhof staat een bord: ‘Geen toegang voor leden van de Baath-partij’.

Penjwini werkt voor het Independent Media Centre in Koerdistan (IMCK) in Suleimania dat werd opgezet door de Nederlandse journaliste Judit Neurink. Het centrum organiseert een journalistieke basisopleiding van acht maanden en daarnaast korte trainingen. Dat is ook de reden dat ik hier ben – ik geef een serie workshops in Erbil, Suleimania, Duhok en Kalar. Het thema: pers, politiek en politie. Aan de communicatie tussen die groepen schort nog wel wat. Ik merk hier niets van de deemoed die je vaak ziet bij journalisten in landen in transitie, dezelfde deemoed die ook de Nederlandse journalistiek in de jaren ‘50 kenmerkte (‘Is er nog iets dat Uwe Excellentie tegen het Nederlandse volk wil zeggen?’). Integendeel, tijdens ontmoetingen met Koerdische parlementsleden en politieofficieren wordt de waarheid niet voorzichtig ontrafeld, maar met een hakbijl bloot gelegd. In Suleimania is het uitgenodigde parlementslid nog maar net gaan zitten, of de eerste vraag wordt al op haar afgevuurd: ‘Waarom blijft u zinloos oppositie voeren, als u toch nooit iets bereikt? Daar heeft toch niemand iets aan.’ Een vriendelijk ogende officier van de veiligheidspolitie die de arena betreedt, krijgt het ook meteen voor zijn kiezen. Alle deelnemers aan de workshop weten wel een voorbeeld van zinloos politiegeweld.

Steeds opnieuw legt de politieman uit dat er inderdaad nogal wat schort aan het gedrag van veel agenten, dat er het nodige aan hun opleiding mankeert, dat er hard wordt gewerkt aan training en discipline, maar dat hij natuurlijk niet kan reageren op incidenten zonder de finesses te kennen. De man toont zich de redelijkheid zelve. Maakt niet uit, hup, daar komt de volgende woedende vraag al, van weer een journalist die zelf heeft gezien, of die anders wel van een bekende heeft gehoord, dat de politie zomaar iemand in elkaar sloeg. ‘In Koerdistan ligt de agressie voortdurend vlak onder de oppervlakte’, had Saman mij gezegd. In Kalar krijgt een officier van de veiligheidspolitie die aan de workshop deelneemt nauwelijks de kans een zin af te maken, voortdurend wordt hij op hoge toon, soms bijna schreeuwend, onderbroken. Later hoor ik dat acht workshopdeelnemers neven van hem zijn, anderen hebben samen met hem op school gezeten. Die agressieve aanpak leidt niet tot een vrijmoedig journalistiek klimaat. Integendeel, vrijwel de hele pers wordt gefinancierd door politieke partijen en die bepalen ook waarover wordt bericht, zo nodig masseren zij de feiten tot die passen in de ideologisch gewenste uitkomst.

De VN veroordeelde uiteindelijk de massamoord in Halabja. Maar die veroordeling liet tot 9 mei 1988 op zich wachten en werd in pijnlijk voorzichtige bewoordingen gesteld. Behalve Irak kreeg ook Iran een veeg uit de pan voor gebruik van gifgas, hoewel daar geen enkel hard bewijs voor was. De Amerikanen wilden zo hun toenmalige bondgenoot Saddam Hussein beschermen. Het duurde tot 2007 voor er een studie (A poisonous affair, Cambridge University Press) verscheen, waarin de genocide op de Koerden door het Iraakse regiem wetenschappelijk werd gedocumenteerd. Inderdaad: genocide. Want de aanval op Halabja stond niet op zichzelf, Saddam Hoessein liet zo’n vijfduizend Koerdische dorpen en stadjes uitmoorden en verwoesten. Meer dan honderdduizend Koerden kwamen om.

Voor zover mij bekend reisden in totaal twee (twee!) Nederlandse journalisten af naar Halabja om verslag te doen van de aanval met gifgas: George Mustert en ikzelf. De oorlog tussen Iran en Irak, waarin meer dan een miljoen doden vielen, bleef voor de westerse media een conflict in ver verwijderde landen, tussen volkeren waar zij weinig van wilden weten.

In het najaar van 1988 keerden vele tienduizenden Koerdische vluchtelingen uit Iran terug naar Irak. Twee (twee!) vertegenwoordigers van de VN Vluchtelingenorganisatie stonden bij de grensovergang en keken ernaar. Irak weigerde de VN-medewerkers de toegang. De exodus ging aan de wereld onopgemerkt voorbij.

Goran Adham vertelt over de diaspora van de teruggekeerde Koerden in eigen land die volgde. Halabja was no go area. Een deel van de repatrianten verdween in concentratiekampen, velen overleefden dat niet. De anderen werden verspreid over het land, de Koerdische steden waren voor hen verboden gebied. Saddam Hoessein, bewonderaar van Stalin, had de lessen van zijn rolmodel ter harte genomen: geef de vijand, de kinderen van de vijand en diens kinds kinderen geen kans.

Emoties mogen je observatie niet beïnvloeden, houd ik de deelnemers aan mijn workshops voor. Blijf bij de feiten, hoed je voor overhaaste interpretaties.

Halabja betekende voor mij een keerpunt. De westerse hypocrisie bij de veroordeling van het gebruik van gifgas, de internationale onverschilligheid voor het lot van de gevluchte bevolking van Halabja, de Iraanse pogingen om de aanval op de stad propagandistisch uit te buiten – het roept nog steeds een diepe woede bij me op. Het leidde, een beetje laat, tot mijn afscheid van de naïviteit. Ik bekeerde me tot het credo van de Amerikaanse muckraker I.F. Stone: ‘All governments lie’. Het Eerste Gebod van iedere mij bekende journalistieke code luidt: vertel de waarheid. Welke waarheid? Een waarheid die zichzelf voortdurend achterhaalt? Als ik iets wantrouw zijn het mensen die de waarheid in pacht hebben en trachten die te fixeren.

Met burgemeester Adham bezoek ik het herdenkingscentrum voor de slachtoffers van Halabja. In de hal hangen vrolijke foto’s: 1954, de eerste auto in Halabja; 1956, juichende schoolkinderen begroeten koning Faisal. Een zaal verder is met muurschilderingen en wassen beelden de dodenstad van 1988 herbouwd. Ik waan me terug in de tijd. Elk detail is getrouw nagebootst, zelfs dode geiten en koeien hebben een plaats gekregen. Alleen de weezoete lijkengeur van toen ontbreekt. Achter ons volgt een peloton cameramensen en fotografen. Ik heb moeite mezelf een houding te geven.

Een nog jonge man in ons gevolg, keurig in het pak, de schoenen glimmend zwart gepoetst, wordt door de directeur van het herdenkingscentrum aan mij voorgesteld. Hij was nog een kind toen hij met zijn familie in een vrachtwagen aan het gifgas trachtte te ontkomen. Als enige overleefde hij. Een Godswonder. Ik heb die vrachtwagen gezien, de laadbak vol lijken. De aandacht zou zich op die overlevende moeten richten. Maar zijn lijden is hier in Halabja van alledag. Aandacht van de westerse pers niet.

In Kalar vragen de workshopdeelnemers mij iets te vertellen over mijn bezoek in 1988. Als ik vertel, blijft het doodstil. Ademloos luisteren twintig journalisten toe, de meesten, waarschijnlijk allen, hebben iemand verloren in Halabja. Als ik voorzichtig iets over trauma’s probeer te vragen, word ik nadrukkelijk niet begrepen. Saman gebaart naar me: niet over doorgaan. Het is een taboe. Trauma’s? Die kennen ze hier niet.

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Uitgever

Dolf Rogmans

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Factuurgegevens

Villamedia Uitgeverij BV
Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl

Redactie (tips?)

Chris Helt, hoofdredacteur

Marjolein Slats, adjunct-hoofdredacteur

Linda Nab, redacteur

Lars Pasveer, redacteur

Trudy Brandenburg-Van de Ven, redacteur

Sales

Sofia van Wijk

Jenny Fritschy

Webontwikkeling

Marc Willemsen

Vacatures & advertenties

redactie@villamedia.nl

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.