Surinaamse pers nog niet volwassen
Op 8 december 1982 werden in Suriname vijftien prominente burgers doodgeschoten. Ze zouden plannen hebben beraamd om de militaire regering van Desi Bouterse omver te werpen, zo luidde destijds de nooit met harde bewijzen onderbouwde verklaring. Onder de slachtoffers bevonden zich vier journalisten. Tellen we mediaondernemer André Kamperveen ook mee, dan waren het er zelfs vijf. Dertig jaar na dato is de Surinaamse pers de decembermoorden nog altijd niet te boven. De tijd dat kritische lokale journalisten doodsangsten moesten uitstaan ligt achter ons maar van een volwassen perscultuur is nog lang geen sprake.
Daar komt maar zeer geleidelijk verandering in. Door de matige beroepsopleiding, het lage aanzien van het vak en de magere verdiensten is een vicieuze cirkel ontstaan binnen de Surinaamse journalistiek. De roeping moet wel heel sterk zijn om het lang vol te houden als journalist. Ook meer gerenommeerde vakgenoten vullen vaak hun inkomen aan door het inspreken van reclameboodschappen, optredens als discussieleider en andere commerciële activiteiten. Daarnaast wordt journalistiek talent doorgaans snel ‘geaccommodeerd’ als perscoördinator of overheidsvoorlichter waarmee een veelvoud van het journalistensalaris valt te verdienen.
Daardoor ontbreekt het aan een journalistieke traditie. Stevige commentaren, bijtende columns, scherpe analyses of gedegen onderzoeksjournalistiek komt het Surinaamse publiek niet gauw tegen.
Wie al te kritisch uit de hoek komt, moet oppassen. Komt er per ongeluk een onwelgevallig verhaal naar buiten dan is tegengestelde, regeringsgezinde berichtgeving een kwestie van een paar telefoontjes. Een journalist die kritische vragen stelt wordt niet zelden tot de orde geroepen. Anders is hij of zij niet langer welkom tijdens persmomenten terwijl het betreffende medium het risico loopt advertentie-inkomsten mis te lopen. Vandaar dat veel Surinaamse journalisten zich meer laten leiden door zelfcensuur en overdreven respect voor de autoriteiten dan door nieuwsgierigheid en waarheidsvinding.
President Bouterse en de zijnen spelen handig in op het gebrek aan kritische journalisten. De regering heeft sowieso de beschikking over de staatsomroepen (radiostation SRS en tv-zender STVS), die net als onder vorige regeringen, veelal als pr-instrument fungeren. Door er tegelijkertijd voor te zorgen dat bij zoveel mogelijk media loyale partijmensen als hoofd- of eindredacteur zijn aangesteld, valt van de rest van de pers weinig te duchten. Kritische media zijn er wel - dagblad De West of radio- en tv-station ABC van directeur Henk Kamperveen, de zoon van de in ’82 vermoorde André - maar die worden stelselmatig in een hoek gezet.
Kritiek op de Surinaamse regering van Nederlandse verslaggevers maakt evenmin veel indruk. Sterker nog, die pakt averechts uit. Voor de regering-Bouterse is het een koud kunstje om te wijzen op de belangen van de voormalige kolonisator. Den Haag zal er alles aan doen om deze Surinaamse regering zwart te maken, zo is de redenatie. De verhalen over de jaren tachtig in de Nederlandse media worden afgedaan als propaganda en komen voort uit een ‘obsessie voor gebeurtenissen uit het verleden’.
Volgens hetzelfde mechanisme worden kanttekeningen van Nederlandse politici over het Surinaamse overheidsbeleid onherroepelijk gekwalificeerd als inmenging in binnenlandse aangelegenheden. En daar is het Surinaamse publiek nogal gevoelig voor. De antikoloniale sentimenten liggen immers nog dicht aan het oppervlak.
Dat laat onverlet dat Nederlandse verslaggevers in Suriname gewoon hun werk moeten blijven doen. Mét de vereiste nuance en als het even kan vanuit een breder perspectief. Want niet alles wat de regering-Bouterse onderneemt is bij voorbaat nieuws omdat de naam van de voormalige legerleider eraan verbonden is. Bouterse zou in elk geval geen Pavlov-reacties moeten oproepen in de Nederlandse pers.
Tegelijkertijd zou de Nederlandse pers die verslag doet vanuit en over Suriname zich het lot van hun Surinaamse collega’s moeten aantrekken. Bijvoorbeeld door lokale journalisten op te leiden, masterclasses aan te bieden en stageplaatsen beschikbaar te stellen. Maar dan wel onder de voorwaarde dat een Surinaamse stagiair na zijn opleiding niet meteen in Nederland aan de slag gaat. Anders gaan ook langs die weg de talenten verloren die nou juist een volwassen perscultuur moeten zien op te bouwen.
Diederik Samwel woonde en werkte vanaf 1998 zes jaar als freelance journalist in Paramaribo. Hij werkte onder meer als eindredacteur voor de nieuwssite Starnieuws en dagblad Times of Suriname en schreef drie non-fictie boeken over Suriname. In april volgend jaar verschijnt van zijn hand de roman Jelaya, waarin de recente geschiedenis van het land een prominente rol speelt.


Praat mee
5 reacties
Harriet Duurvoort, 22 november 2012, 13:00
Ik vind het persoonlijk jammer dat er in Suriname niet altijd gebruik gemaakt wordt van de talenten van Nederlands Surinaamse journalisten die daar wonen en werken. Die buffelen soms om rond te komen, terwijl hun perspectief en inzicht in de Surinaamse samenleving gelaagder en genuanceerder is, terwijl ze ook heel goed op de hoogte zijn van het Nederlandse perspectief. Dit zijn gewoon ervaren journalisten, die niet op een stageplaats zitten te wachten, maar gewoon op werk. Correspondenten worden nog altijd ingevlogen uit Nederland. En in het cultureel en raciaal gevoelige Suriname blijf je dan altijd een bevoogdende buitenstaander. Tenslotte heb ik diep respect voor collega journalisten die onder omstandigheden die zowel financieel als politiek - er is wel degelijk sprake van intimidatie - soms enorm zwaar zijn, in vergelijking met waar wij Nederlandse collega’s mee te maken hebben. Zij kunnen eerder ons een masterclass geven: ‘Dacht u, Nederlandse journalist, dat u het moeilijk had? Ai baia…’
Peggy Brader, 24 november 2012, 12:20
Ik klim niet vaak in de pen, maar op bovenstaand stuk voel ik mij als (Surinaamse) journalist wel geroepen te reageren. Het is goed dat collega-journalisten de perscultuur in Suriname blijven aanstippen, want het kan niet genoeg benadrukt worden dat we er nog lang niet zijn. Toch wil ik een verduidelijking aanbrengen.
Om te bewijzen dat het niet goed met de Surinaamse pers, worden voorbeelden aangehaald waarbij Surinaamse journalisten aan zelfcensuur doen en worden weggekaapt door de overheid en commerciële partijen. Helemaal waar. Echter moet erbij vermeld worden dat ook Nederlandse journalisten hetzelfde doen (zelfcensuur en commerciële activiteiten). Relatief veel autochtone Nederlanders werken voorlokale Surinaamse media, dus zij zijn dus ook onderdeel van de Surinaamse perscultuur. Het is dus beter om uit te gaan van ‘de werkwijze van lokaal opererende journalisten’ en niet meteen een onderscheid te maken naar afkomst.
Waar de Surinaamse journalist in de analyse het probleem vormt, komt de actieve rol van deze journalist in de oplossing niet terug. Nee, de oplossing ligt bij de Nederlandse journalist die zich meer het lot van de Surinaamse collega’s moet aantrekken. Door het geven van trainingen etcetera.
Ik vind scholing ook een belangrijk aspect, maar de vanzelfsprekendheid dat een Nederlandse journalist de oplossing moet bieden, geeft al antwoord op de vraag waarom Surinamers soms gevoelig zijn voor populistische anti-Nederland uitspraken. In het stuk wordt de Nederlandse journalist bij voorbaat al geassocieerd met kwaliteit, louter omdat hij/zij uit Nederland komt (ik moet er wel bij zeggen dat ik Diederik niet van beschuldig van polarisatie, want ik zie er geen aanleiding toe).
Ook weet ik niet hoe ik het lopen van een stage onder de voorwaarde niet te zullen vertrekken (!) moet opvatten. Ik ben enkele jaren geleden ook vertrokken uit Suriname om mijn horizon te kunnen verbreden. Dat wil geenszins zeggen dat ik als verloren moet worden beschouwd voor de journalistiek aldaar, vind ik zelf.
Als je uitgaat van gelijkwaardigheid, dan moet de Surinaamse journalist juist gestimuleerd worden om tijdelijk buiten de landsgrenzen te kijken, net zoals ook Nederlandse journalisten worden gestimuleerd de wereld in te trekken. De Surinaamse journalist doet zo ervaring op en kan op zijn/haar manier een bijdrage leveren aan de journalistiek.
Het voorstel om een journalist na een stage in Suriname houden, is onverstandig. De reden waarom de ontwikkelingen op sommige terreinen stagneert, is juist omdat de Surinaamse gemeenschap in zichzelf is gekeerd en regelmatig blijft hangen in vastgeroeste patronen. Juist de journalist kan dit patroon doorbreken door zelf nieuwe inzichten op te doen en dit toe passen in zijn werk.
Als je serieus de problemen wil aanpakken, zou ik niet beginnen met de Nederlandse journalist, maar met andere partijen die van invloed zijn, zoals bijvoorbeeld de media-eigenaren, het parlement en het versterken van een goede belangenbehartiging voor Surinaamse journalisten. Ik deel de aanmoediging volkomen dat Nederlandse journalisten zich meer het lot van de Surinaamse collega’s zouden kunnen aantrekken. Dit kan heel gemakkelijk: bedrijf integere journalistiek, doe niet aan zelfcensuur, laat je niet leiden door het ‘Bouterse-Nederlandsepers-syndroom’ en werk samen met Surinaamse collega’s aan coproducties op basis van gelijkwaardigheid. En bovenal geen onderscheid maken naar afkomst, maar naar journalistieke principes.
Iwan Brave, 25 november 2012, 00:32
Diederik,
Je gaat mijns inziens ietwat kort door de bocht. De kritische journalistiek gaat verder dan alleen De West en Radio ABC. Je doet de crew van Radio 10 toch wel tekort hiermee. En ook die van de Ware Tijd. Je suggereert namelijk hiermee dat de Ware Tijd en Radio 10 en Apintie niet/nooit kritisch zijn. Ik woon en werk hier als journalist en dat is niet geheel mijn beleving, wel deels. Inderdaad is voor velen de journalistiek hier de zoveelste vorm van brood op de plank. En je weet: niet iedereen heeft behoefte om daarbij de held uit te hangen. Er blijft daardoor veel liggen, maar regelmatig trappen andere journalisten buiten De West en ABC om soms behoorlijk op de rem!
En veel heeft ook niet zozeer met “zelfcensuur” te maken. Veel journalisten zijn van een generatie, die geen morele problemen heeft met Bouterse als president. Ook zij willen “het verleden achter” zich laten.
Diezelfde groep was trouwens ook niet kritisch tijdens Venetiaan, want Surinaamse “zelfscensuur” heeft vooral ook te maken met de vrees voor de consequenties van kritiek binnen onze kleine gemeenschap, waar je al snel afhankelijk bent van de de willekeur van autoriteiten. Kortom: ik vind de surinaamse pers se niet minder kritisch dan onder Venetiaan.
Ik schaar verder achter de nuances van Peggy.
Iwan Brave
Diederik Samwel, 27 november 2012, 15:48
Beste Harriet, Peggy & Iwan,
Hartelijk dank voor jullie reacties.
Het is best mogelijk dat ik in mijn bijdrage eigenlijk te veel verschillende kwesties probeer aan te roeren:
1. de onvolwassen Surinaamse perscultuur;
2. de manier waarop de Surinaamse regering daar op inspeelt;
3. het Pavlov-mechanisme onder nogal wat Nederlandse journalisten die over Suriname schrijven en
4. de mogelijkheden voor de Nederlandse pers om daar wat aan te doen.
Thema’s die stuk voor stuk een aparte opinie waard zijn. Door ze tegelijkertijd aan te stippen loop ik het risico dat ik niet volledig ben en nuances uit het oog verlies. Maar met genuanceerde opinies schieten we weinig op.
Ik geef jullie groot gelijk: ABC en De West zijn niet de enige media die kritiek leveren. Terwijl Venetiaan cs ook volop gebruik maakten van de situatie. En ook ik heb (over het algemeen) groot respect voor lokale collega’s die onder lastige omstandigheden hun werk doen.
Tegelijkertijd zijn mijn suggesties aan het adres van de Nederlandse pers vermoedelijk niet allemaal even zinvol. Want natuurlijk geldt de Hollandse journalistiek niet als allesbepalende maatstaf. Lokale collega’s zouden vooral ook in de regio hun licht kunnen opsteken, bijvoorbeeld in Brazilie, Jamaica, Trinidad.
Niettemin stel ik vast dat we het van harte eens zijn over de noodzaak om de Surinaamse perscultuur een impuls te (blijven) geven. Daar moeten om te beginnen veel meer stukken over worden geschreven. Laten we er dan ook vooral op terugkomen, ook na volgende week zondag 8 december.
Diederik Samwel
rabin gangadin, 26 juli 2014, 23:52
Surinamers en Nederlanders hebben ten aanzien van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting het volgende met elkaar gemeen: velen van hen zitten graag in de redactie en maar kunnen verder gewoon niets!! Ze doen dat niet zozeer vanwege enig aanwezig redactioneel inzicht maar meer omdat ze het aanmatigende in zich dragen om de eigen redactionele opvatting zoal daar sprake van is, in de volle breedte te kunnen uitdragen. Maak je een balans op dan merk je dat ze vooral met terugschrijven de meeste moeite hebben! Het is niet precies te traceren waarom en waardoor het komt.
Onder het mom van een perfide redactioneel beleid hanteert men een buitengewoon stringent toelatingsbeleid voor artikelen en opinies waarvoor men zich op de melaatse tenen van zijn geestelijke platvoeten moet gaan verheffen om die te kunnen volgen.
Een goed illustratief voorbeeld zijn de vroegere Haagsche Post, De Tijd en de NRC. Deze bladen begonnen ooit als een kweekvijver voor Nederlandse intelligentsia maar gleden af naar het niveau van de hedendaagse verbale vuurvreters. NRC-next is bijvoorbeeld de grootste vertolker van de simpelheid van geest van de opkomende generatie wiens taalschat het chill-vet-cool-taaldomein niet overstijgt. De redacties van deze bladen zitten gelijk pissebedden in hun muffe luwte en sluiten die hermetisch af, hetgeen erop neerkomt dat men niet open staat voor ideeën en inbreng van buiten.
Voor redactie en journalistiek kan men naast een taalgerelateerde studie beter ook zeer breed gevormd zijn zowel in de alfa, bèta als de gammarichting. Hiermee wordt je blikveld extensief en je relativeringsvermogen groot
Schending van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting betekent evenveel als het missen
van een degelijke en brede algemene ontwikkeling.
En deze laatste gaat veel en veel verder dan het hanteren van de pen alsof die een vliegenmepper is.