foj 2019

— donderdag 29 oktober 2009, 14:02 | 7 reacties, praat mee

Raad negeert eigen jurisprudentie

De Raad voor de Journalistiek wil een debat organiseren over het opnemen van telefoongesprekken door journalisten (Villamedia magazine, 23 oktober 2009). Volgens Joep Dohmen had de Raad beter een debat kunnen organiseren over het eigen functioneren.

Allereerst de telefoongesprekken. Dat debat moet er volgens de Raad komen na tumult over een uitspraak van de Raad in een klacht tegen NRC Handelsblad en mij. Ik had een telefoongesprek met een manager van een vastgoedbedrijf op band opgenomen. De raadsleden verwezen naar de Leidraad (de algemene standpunten van de Raad) en oordeelden dat ik mijn gesprekspartner er voorafgaand op had moeten wijzen dat ik het gesprek opnam.
Het is goed om te weten dat volgens de wet (artikel 139a/b Wetboek van Strafrecht) een deelnemer aan een telefoongesprek dat gesprek mag opnemen. Daar is geen toestemming van de andere partij voor nodig en het hoeft ook niet vooraf gemeld te worden.

De journalistieke praktijk is dat journalisten om twee redenen soms telefoongesprekken opnemen: om heel precies en correct te kunnen citeren en om de inhoud van het gesprek te kunnen bewijzen. Dat is van belang als een bron achteraf stelt dat hij onjuist is geciteerd. Mijn bandopname is niet gemaakt voor uitzending of publicatie (NRC is geen radiostation), maar uitsluitend om deze twee redenen. Ik heb me bovendien kenbaar gemaakt als journalist.
Een belangrijke reden om niet aan het begin van een telefoongesprek te melden dat het wordt opgenomen, is dat bronnen daardoor direct in de verdediging gaan en het journalistieke (onderzoeks)werk in de praktijk wordt bemoeilijkt.

De Raad verwees in bovengenoemde uitspraak naar de Leidraad. Die geeft in artikel 2.1.6 een regeling voor het opnemen van een telefoongesprek. Een journalist moet vooraf melden dat hij een opname maakt, voor zover dat opnemen geschiedt ‘teneinde (delen van) die opname uit te zenden of te publiceren’. Deze regel is dus naar de letter niet van toepassing op journalisten die niet voor uitzending of publicatie een opname maken, en is dus ten onrechte toegepast in dit geval.
Met deze uitspraak raakt de Raad een principieel punt. De beperking van de vrijheid van nieuwsgaring die de uitspraak van de Raad – indien in stand gelaten – tot gevolg heeft, is in strijd met de door artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting.

De uitspraak is ook niet in lijn met de Nederlandse en internationale journalistieke praktijk. Dit wordt onderschreven door bijvoorbeeld de Code van het Genootschap van Hoofdredacteuren, de Code van Bordeaux, de Council of Europe’s Resolution on the Ethics of Journalists en vele buitenlandse zelfregulerende codes.
De uitleg die de Raad aan de Leidraad geeft, is tevens in strijd met de eigen ‘jurisprudentie’. De Raad heeft zich twee keer eerder over het opnemen van telefoongesprekken uitgelaten. In beide gevallen ging de Raad akkoord met het opnemen van een gesprek zonder dat dat vooraf gemeld was. In het jongste geval (1997) vond de Raad dat, als ‘een opname is gemaakt om te dienen als geheugensteun voor betrokkene bij de verslaglegging en om zich in te dekken tegen beschuldigingen achteraf’, het achterwege laten van de mededeling dat er opgenomen wordt ‘niet ongeoorloofd’ is.

Als de klacht tegen NRC langs de lat van deze jurisprudentie was gelegd, was de conclusie geweest dat de klacht had moeten worden áfgewezen. De Raad heeft deze twee uitspraken helaas niet betrokken in de publiek gemaakte overwegingen die hebben geleid tot de gegrond verklaring van de klacht op dit punt. Dat is niet erg zorgvuldig. Het is ook een afwijking van de standaardprocedure dat er juist wel naar relevante eerdere uitspraken wordt verwezen. Achteraf kan dat wellicht worden verklaard uit het feit dat ook de Raad zelf verrast was omdat de klacht over het opnemen van het gesprek pas tijdens de zitting werd ingediend door de klager. Het was geen onderdeel van de oorspronkelijke klachten.

Het ter zitting indienen van een nieuwe klacht kan trouwens helemaal niet volgens het Reglement van de Raad. Uitgangspunt van de procedure is juist dat alle partijen, en ook de Raad zelf, een volledig dossier hebben voorafgaand aan de zitting (artikel 6 lid 4 van het Reglement). Het ter zitting indienen van een nieuwe klacht is in strijd met het elementaire beginsel van hoor en wederhoor, een grondrecht dat ook door het EVRM wordt gewaarborgd.
De uitspraak is dus onjuist, de eigen jurisprudentie is niet meegenomen, de dagelijkse praktijk is misacht, en de Raad heeft ook nog een procedurele uitglijder gemaakt.
NRC Handelsblad heeft de Raad hierop gewezen. We hebben verzocht om een rechtzetting, of een publieke erkenning dat een fout gemaakt is. Daar wilde de voorzitter van de Raad, Ton Herstel, niet aan beginnen liet hij per brief weten. Een beroepsmogelijkheid biedt de Raad niet, al komt die er - zo scheef Herstel - ‘naar verwachting nog voor het einde van het jaar’.

Een jaar geleden stapte De Telegraaf uit de Raad voor de Journalistiek. Eerder deden dat weekblad Elsevier, tv-programma Nova en RTL Nieuws. In meer of mindere mate zijn deze media ontevreden over de kwaliteit van de uitspraken van de Raad. In de vorige uitgave van dit magazine beschreven Carel Kuyl en Wim Fortuyn hun ervaringen. Zij wachten al een jaar op daden van de Raad om het eigen functioneren te verbeteren.
Toen De Telegraaf uit de Raad stapte, noteerde De Journalist (14 december 2008) de reactie van Raadsvoorzitter Herstel: ‘Het is jammer en het is dom.’ Die uitspraak zegt veel over de houding van de Raad. Het is te hopen dat daar snel verandering in komt.

Joep Dohmen is redacteur bij NRC Handelsblad

Bekijk meer van

vvoj 2019

Praat mee

7 reacties

siem eikelenboom (het financieele dagblad), 29 oktober 2009, 16:14

Joep Dohmen heeft volkomen gelijk. Juist in de onderzoeksjournalistiek is het van belang om nauwkeurig en grondig te werk te gaan. In toenemende mate wordt de (onderzoeks)journalist geconfronteerd met juridische procedures van partijen die mensen onjuist te zijn geciteerd. Ik weet uit ervaring dat in dat soort procedures soms glashard wordt gelogen. Hoe kun je je daar als onderzoeksjournalist tegen wapenen? Door je vooral te baseren op schriftelijke stukken, door publicaties ruim van te voren aan betrokkenen voor te leggen en ze via e-mail te laten bevestigen dat ze akkoord met het artikel en, door telefoongesprekken op te nemen. En waarom zou je dat van tevoren steeds kenbaar moeten maken, als je die opnames alleen gebruikt voor je eigen controle en om -in eventuele procedures- te kunnen aantonen dat je juist hebt geciteerd. In vind het standpunt van de Raad dan ook complete lariekoek.

Bert Vuijsje, 29 oktober 2009, 17:17

Ik heb het hier al eens eerder opgemerkt: een wezenlijk probleem bij de Raad voor de Journalistiek is het ontbreken van een beroepsmogelijkheid. Daardoor heef de Raad geen lerend vermogen - zoals ook uit de lotgevallen van Joep Dohmen blijkt.
In mijn tijd bij de Volkskrant heb ik meegemaakt hoe heilzaam een beroepsmogelijkheid kan uitwerken. Mr. Gisolf, destijds vers benoemd tot president van de Amsterdamse rechtbank, vond het wel een leuk idee om media-zaken zelf te gaan doen. Een van de eerste was een klacht tegen de Volkskrant op zeer flimsy gronden, die door mr. Gisolf in kort geding werd toegewezen met als motivatie in feite: “Wie zich door een medium onrechtvaardig belegend voelt, heeft in principe altijd gelijk.” Na het plaatsen van de rectificatie gingen we in hoger beroep. Het gerechtshof stelde ons alsnog in het gelijk, met een vonnis dat voor mr. Gisolf vernietigend uitpakte. Daarna heeft hij nooit meer media-zaken gedaan.
In dezelfde periode waren we even ontevreden over een reeks even ongefundeerde uitspraken van de RvdJ in ons nadeel. We namen de moeite om onze advocaat, mr. Willem van Manen, een uitvoerig commentaar te laten schrijven.
De reactie van de RvdJ was overzichtelijk: ‘Wij gaan nooit in discussie over uitspraken.’
De arrogantie van de incompetentie, lijkt me.
Bert Vuijsje

Carel Brendel, 29 oktober 2009, 22:40

De Telegraaf besloot de Raad voor de Journalistiek niet meer te erkennen nadat deze een klacht van de islamitische voorman Yahia Bouyafa gegrond had verklaard. Dat gebeurde toen al op dubieuze gronden. Inmiddels heeft minister Ter Horst in antwoord op Kamervragen van SP, PVV en VVD erkend dat Bouyafa’s organisatie FION een onderdeel is van de Moslimbroederschap in Europa. Met terugwerkende kracht is dus gebleken dat de berichtgeving van de Telegraaf op dit punt juist was. Ook de argumenten om Nova te veroordelen vielen weg. Maar discussie over uitspraken van de RvdJ is kennelijk niet gepast.

Hugo Arlman, 30 oktober 2009, 12:31

De Leidraad kan het betreffende artikel beter laten luiden zoals de NOVA-code:

“6. het opnemen van gesprekken

Het opnemen en letterlijk reproduceren van (telefoon)gesprekken mag alleen met toestemming van alle betrokkenen. Het opnemen van gesprekken als “geheugensteun” is zonder toestemming geoorloofd.”

Bart Brouwers, 2 november 2009, 09:50

@ Hugo: Mooie, bruikbare passage uit die Nova-code. Bovendien: is het niet gewoon zo dat wie spreekt met een journalist er van uit zou moeten gaan dat het gesprek wordt vastgelegd – met alle middelen die de journalist heeft?

Chris de Vries, 19 november 2009, 20:36

@ Bart Brouwers: ligt eraan met wie de journalist spreekt. (Landelijke) politici, beroemdheden en alle voorlichters horen zoiets te weten, maar mensen die zelden of nooit in de media verschijnen moet dit van te voren duidelijk gemaakt worden, vind ik. Willen we als journalisten weer wat krediet krijgen onder lezers, luisteraars en kijkers, dan denk ik dat het een goed idee is om transparant de handelen. Daarbij hoort mijns inziens ook open en eerlijk zijn over het gebruik van opname-apparatuur, behalve als we undercover gaan en ons geen andere keuze is gelaten dan voor die methode te kiezen. In dat geval is veel veroorloofd, vind ik.

fleskens, 21 april 2012, 07:36

De Heer Dohmen heeft in deze zaak gesproken met mijn collega en mij. Mijn collega werd het eerst benaderd, en die freeg van de Heer Dohmen te horen dat het gesprek niet werd opgenomen! Dohmen vertelde hem dat ongevraagd.
Mijn collega heeft de Heer Dohmen kort te woord gestaan en heeft Dohmen gevraagd contact op te nemen met mij, omdat intervieuws door mij werden gedaan. Ik heb Dohmen zeer uitgebreid aan de telefoon gehad en heb hem in detail geinformeerd.

Het artikel dat hij schreef bleek echter die verkregen informatie niet te
bevatten en door het achterhouden van deze relevante gegevens wekte hij ten onrechte de suggestie alsof ons bedrijf iets onoirbaars zou hebben gedaan of woekerwinst zou hebben behaald.

In de discussie bij de raad voor de journalistiek, verschuilde hij zich achter hetgeen door mijn collega zou zijn gezegd, en toe daar een inhoudelijke discusiie over volgde schermde hij eerst met een fictieve collega die het gesprek zou hebben meegeluisterd, en die collega werd vervolgens ingeruild voor een pretense bandopname!
Ik heb mij beklaagd over het feit dat hij een bandopname zou hebben,van een intervieuw, waarin hij had gezegd dat het gesprek niet werd opgenomen, dat hij willens en wetens feiten had achtergehouden, en dat hij niet citeert uit de gedetailleerde verklaring van mij, maar terugvalt op vermeende en betwiste
uitlatingen van mijn collega.
Daarnaast heb ik bij beklaagd over de door de Heer Dohmen gevolgde procedures, en de termijnen die hij stelde.
Overigens: Ik heb de heer Dohmen voorgesteld de vermeende opname integraal te laten horen en een transcripte te laten maken,
maar daar ging hij niet op in!

Ik ga niet in op de theoretische en principiele discussie over de toelaatbaarheid van het opnemen van gesprekken, maar ik heb het nare gevoel dat de principiele discussie wordt gebruikt, om de juistheid van de uitspraak ter discussie te stellen en dat is niet juist.
De vraag of opnames mogen worden gemaakt inzijn algemeenheid is niet aan de orde geweest, wel de vraag of opnames mogen worden gemaakt als vooraf wordt gesteld dat dat niet zal gebeuren en dat gaat meer over zorgvuldigheidsnormen eerlijkheid en burgermansfatsoen, lijkt mij.

Mr E. Fleskens

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.