— woensdag 5 april 2017 11:08 | 0 reacties , praat mee

Henk Wildschut fotografeert mensen tussen wal en schip

Meer dan dertig keer reed Henk Wildschut de laatste twee jaar van Amsterdam-Noord naar het vluchtelingenkamp in Calais. Zijn verbeten zoektocht naar de wachtende mensen resulteerde in een nieuw boek, ‘Ville de Calais’. ‘Ze dachten daar dat ik gestoord was.’ Maar de fotograaf wist wel degelijk waar hij mee bezig was. Laatste wijziging: 6 september 2023, 14:01

Henk Wildschut (1967) woont in een tuindorp met veel oude, houten huizen. Zijn woning aan de smalle Nieuwendammerdijk in Amsterdam-Noord is opgetrokken uit baksteen, een uitzondering. Nadat hij er met zijn vriendin en kinderen was neergestreken, kreeg hij behoefte aan licht en ruimte. Aan de achterkant van zijn huis maakte hij een grote uitbouw met glas van beneden tot boven. Zo kan hij uitkijken over een intieme, stadse enclave van bomen, heggen, slootjes, dijkrestanten, geïmproviseerde hekjes, tuinen, schuurtjes, omsloten door een wirwar van nieuwbouw en oorspronkelijke huisjes.

De fotograaf is niet in zijn werkruimte, maar noodgedwongen thuis. Een ziek kind ligt achterin de kamer naar de tv te kijken. Vader zit op zijn gemak, hij hoeft niet meer weg, niet naar Calais en ook niet naar de drukker. Zijn nieuwste boek ‘Ville de Calais’ ligt er op de persen; er is niets meer te verbeteren. Alles heeft Wildschut er aan gedaan. Noem het verbetenheid, dit belangrijke boek moest er komen. Meer dan dertig keer reed hij de laatste twee jaar van Amsterdam-Noord op en neer naar het provisorische kamp waar vluchtelingen uit de hele wereld zich in een niemandsland vasthielden aan de hoop om in Engeland een waardig bestaan te beginnen. In onzekere afwachting bouwden ze hutten uit plastic, planken en alles wat ze konden vinden. Ze overleefden in een vluchtig dorp. De mannen probeerden in de enclave naast een snelweg er het beste van te maken.

De fotograaf hoefde niet naar Calais terug. Tien jaar eerder had hij er al een boek over gemaakt, ‘Shelter’, dat tot het beste Nederlandse fotoboek zou worden gekroond. Maar de Volkskrant belde: of hij een fotodocument over migratie wilde maken. Ging hij toch weer. In februari 2015 begon de eerste van een eindeloze reeks ontmoetingen en confrontaties. ‘Ik schrok me kapot’, zegt hij aan een lange tafel in het bovenhuis. ‘Dezelfde bossen waarin ik verlaten tentjes had gefotografeerd, stonden weer helemaal vol met nieuwe bouwsels. De Franse overheid had al die tijd opzij gekeken en het allemaal laten gebeuren, terwijl iedereen had kunnen zien dat het volkomen uit de hand zou lopen.’

Wildschut vertelt bevlogen hoe hij de eerste keren fotoprintjes had meegenomen van de situatie tien jaar eerder. Hij toonde ze aan vluchtelingen. Of ze wisten waar die bomen stonden? Dan kon hij diezelfde plek opnieuw fotograferen. ‘Ze dachten dat ik gestoord was, en toch hielpen ze me. Liepen we met z’n allen naar bomen te zoeken.’ Op een dag ontmoette de fotograaf een Afghaan. Die stelde hem een doodgewone vraag, die Wildschut kort deed tollen. ‘Zo, je was hier dus tien jaar geleden ook al? En er is niets veranderd, zeg je. Wat kom je hier dan doen? Je werk heeft geen zin.’

De Afghaan vertelde ook over zichzelf, over zijn volharding. Dat hij in opeenvolgende jaren al vijf keer naar Calais was teruggekeerd, na telkens uit Engeland te zijn uitgezet. ‘En toch probeert hij het opnieuw, zo is zijn leven. De wil om iets te bereiken is zo sterk, dat de mensen zich niet laten stoppen.’

De situatie verandert voortdurend, als in een golfbeweging. Mensen komen en gaan en keren terug. Het kamp is op een enkel tentje na leeg, raakt overvol en raakt weer leeg. Dat laatste gebeurde na ingrijpen van de Franse autoriteiten, die het terrein van alle bouwsels en obstakels lieten ontdoen. De menselijke jungle was uitgegroeid tot een rommelige verzameling van provisorische kampjes. Alles moest plat. De vluchtelingen trokken naar een duingebied iets verderop en begonnen daar te bouwen. De fotograaf trok achter hen aan. Al op de eerste dag ontdekte hij een nieuw gravelpad. Wildschut realiseerde zich plotseling: ‘De overheid heeft een plan. Een nieuw tijdperk is aangebroken.’ Een eerder gemaakte foto van het lege duingebied werd het uitgangspunt voor een nieuwe serie: tussen de duinen begon een nieuwe stad te groeien. Bij hem daalde het besef dat het niet meer was terug te draaien. ‘In Europa komen kampen, sloppenwijken, zoals overal in de wereld. We proberen het met hekken tegen te houden, maar het is onvermijdelijk. Naast de onze ontstaat een permanente parallelle wereld.’

Op kleinere schaal, en veel dichter bij huis, had Wildschut al eerder bij toeval een parallelle wereld ontdekt. In 2003 publiceerde hij samen met collega-fotograaf Raymond Wouda een fotografisch verslag van een verblijf aan boord van de chemische tanker Sandrien LaPaz in de Amsterdamse haven. Ze troffen er 35 Indiase bemanningsleden aan, die geen kant op konden. De Nederlandse overheid weigerde het sloopschip te laten vertrekken, de eigenaar trok zich terug. De 35 mannen verkeerden ruim anderhalf jaar tussen wal en schip. ‘Fascinerend’, herinnert de fotograaf zich. ‘Het was een totaal andere realiteit dan de mijne, vlakbij mijn huis.’ Hij besloot daarna soortgelijke plekken op te zoeken. Zo kwam hij bij Calais, waar zich in 2001 al bestormingen van de Kanaaltunnel hadden voorgedaan.

Achteraf valt die interesse misschien te verklaren, denkt Wildschut. Zijn ogen sluiten zich en een hand gaat woest door zijn haar, als hij naar verbanden zoekt. Waar komt die betrokkenheid vandaan? Als jongen had hij al belangstelling voor mensen die er niet bij horen. Hij kreeg het van huis uit mee, opgroeiend in een streng christelijk gezin in Harderwijk. Later zou hij verpleegkundige in de psychiatrie worden, op het eerste gezicht een natuurlijke keuze. Maar het bracht hem weinig bevrediging. De kunst en fotografie deden dat wel. In dat vakgebied leerde hij door middel van anderen zichzelf beter kennen.

‘Ik ga ook van de ene plek naar de andere, ben altijd zoekende. Tussen wal en schip. Als je wilt psychologiseren, ja, dan voel ik me ook vaak zo: op zoek. Al mijn werk heeft betrekking op mezelf. Mijn foto’s zijn een soulsearch. Waarom kies ik bepaalde onderwerpen? Waar wil ik met mijn werk heen. Waarom doe ik dit?’

Er zijn veel kwesties waarmee hij worstelt. Zijn hoofd is een vat vol gedachtekronkels. Kunstenaar of fotojournalist? ‘Ik hoor niet bij de journalistiek en ik hoor niet bij de kunst. En toch voel ik me bij beide betrokken. Ik permitteer me in ieder geval een grote vrijheid, dat is de artistieke kant.’

De verwarring, bij hem maar ook bij de kijker, is het gevolg van die eeuwige zoektocht naar de nuance. Het is een missie, zo voelde dat ook in Calais. Daar stak een mediastorm op, toen het kamp overvol raakte en de autoriteiten ontruiming gelastten. Honderden journalisten kwamen langs. De meesten gingen op jacht naar de bekende, zogenaamd onweerlegbare feiten. Doodgecheckt, saai en meestal negatief. Wildschut verbleef er veel ­langer en kende de onuitgesproken regels en wetten. ‘In dat gebied voel ik de vibes. Mijn foto’s tonen de waarheid zoals ik die zie. Ja, ik laat ook veel weg’, zegt hij. ‘Ik zag de menselijke maat van het drama. Individuen die inventief en zelfredzaam waren. Ik koos voor mensen die een doel hebben en niet bij de pakken neerzitten.’ Calais is voor hem ook inspirerend en relativerend. Het zegt veel over zijn eigen huis en leven.

De keuze voor de overlevende mens vertaalt zich bij Wildschut niet in een dramatisch portret of klassiek tafereel met veel strijklicht van wenende mannen en vrouwen met kinderen op de arm. Vals sentiment noemt hij het, ‘geweldsporno’. Veel foto’s bij de World Press Photo zeggen hem niets, het zijn telkens nieuwe laagjes emotie die de kijker wordt opgedrongen. De fotograaf voert met zijn weergave van de werkelijkheid een strijd tegen het cliché. In zijn nieuwe boek staan meerdere personen, maar slechts één jongetje van 10 jaar oud. ‘Hij is onderdeel van het verhaal, daar kon ik niet omheen’, legt hij uit. ‘Maar het is ook gevaarlijk: met dat beeld trek ik de kijker in een bepaalde, gemakkelijke emotie.’

Liever sticht de fotograaf bij de kijker verwarring. Wat zie ik? Wat moet ik ervan denken? De foto’s zijn op het eerste gezicht eerder afstandelijk, rationeel en misschien wel gevoelloos. Wildschut observeert en ordent. Zijn fotografische benadering van vluchtelingen in Calais is niet anders dan van het thema voedsel, waarvoor hij in 2011 van het Rijksmuseum een opdracht kreeg. Elk project begint met een brede, mondiale blik en de vraag: wat is het probleem? Hoe zit het echt? Dan vernauwt de blik zich zoekt de fotograaf naar de vorm en het verhaal, gespeend van clichés. De foto’s zetten de kijker aan het denken, waarna de emotie als een klap in het gezicht zou moeten aankomen.

Wildschut begint na anderhalf uur onafgebroken praten op de bank te schuiven. Zijn haar piekt intussen alle kanten op. Over die zogenaamde gevoelloosheid wil hij nog wel iets kwijt. ‘Mijn ouders zijn calvinistisch, en afkomstig uit Friesland. Rechtlijnig’, begint hij. ‘Daar heb ik natuurlijk iets van meegekregen. We lijken afstandelijk, rationeel, maar in werkelijkheid ben ik enorm emotioneel. Dat ik op deze manier fotografeer is niet alleen artistieke keuze, het is ook een bescherming voor mezelf. Dreigt de emotie, dan raak ik mijn filter kwijt. Ik ben veel misère tegengekomen en heel boos geweest om wat ik daar zag.’

De niet gefotografeerde beelden nam hij ruim dertig keer mee terug naar huis. Hij spreekt er niet veel over, ook niet met zijn vriendin. ‘Ze volgt in grote lijnen wat ik doe, maar ze weet niet wat zich in mijn hoofd afspeelt, dat laat ze lekker aan mij over. Ze begrijpt gewoon niet wat ik eigenlijk ook niet begrijp. Het is soms een warboel in mijn hoofd, maar zie je dat terug in mijn werk? Daar gaat het om.’

Hij staat op, zijn zieke zoon vraagt om aandacht. Voorlopig blijft hij thuis, in afwachting van zijn boek en het voorjaar dat zijn achteruitzicht tot bloei zal brengen. Zal hij Calais nog een keer zien? ‘Ik ben er helemaal klaar mee. Nee, nee, het is genoeg geweest.’ Zijn stem vertoont een aarzeling. ‘Nou ja, als ik hoor dat de eerste baksteen wordt neergelegd en er misschien een stenen stad ontstaat, dan ga ik weer, denk ik. Mijn auto rijdt me er vanzelf heen.’

Henk Wildschut (1967), Harderwijk
Opleiding: Academie voor Beeldende Kunst Den Haag
Publicaties: Sandrien LaPaz (2003), A’DAM DOC.k, in opdracht Stadsarchief Amsterdam (2006), Shelter (2010), Food, in opdracht Rijksmuseum (2012), Ville de Calais (2017)
Prijzen: Kees Scherer Prijs voor beste Nederlandse fotoboek (Shelter, 2011), Dutch Doc Award voor beste documentaire werk (Shelter, 2012)
Wildschuts werk werd geëxposeerd in Amsterdam, Sydney, Sjanghai, Beijing, Londen, Praag en Rome. Zijn werk verscheen in talrijke Nederlandse en internationale kranten en ­magazines.

Het boek ‘Ville de Calais’ verschijnt begin april in een Engelse en een Franse editie. Uitgever: Henk Wildschut Books, ISBN 9789082588507, 320 pagina’s (soft cover), € 55,00. Het boek is hier te bestellen.

boek_HenkWildschut

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee