Mediacratie en politiek populisme

Mediacratie en politiek populisme

Dick Pels — Geplaatst in politiek op zaterdag 7 februari 2009, 18:37

Opinie

Media vervullen in onze cultuur en democratie een spilfunctie, die ver voorbij het ‘doorgeefluik’ of ‘hulpmiddel’ reikt dat zij volgens hun letterlijke betekenis zijn. Populistische politici slagen er tot nu toe beter in om de voordelen van die nieuwe ‘media-directheid’ te incasseren dan de ‘oude’ politiek.

Nieuwe communicatietechnologieën brengen belangrijke veranderingen aan in het sociale weefsel. Er wordt tegenwoordig nogal wat afgeklaagd over de ‘doorgeschoten’ individualisering en de noodzaak van herstel van saamhorigheid en sociale cohesie. Maar die vrees is overdreven als je constateert dat ‘de boel’ letterlijk bij elkaar wordt gehouden door tal van communicatiemedia.
‘Zware’ tradities, gemeenschappen en instituties maken plaats voor ‘lichtere’ varianten; zo worden niet-gekozen familieverbanden steeds meer onderworpen aan het keuzecriterium van de vriendschap. Individuen staan via hun mobieltje en internet op grotere afstanden in vrijwel onafgebroken contact met elkaar.

Dat houdt ook in dat naast directe face-to-face relaties (ouders, kinderen, vrienden, buren) ‘parasociale’ relaties belangrijker worden: relaties met onzichtbare derden, en dus ook met personen die we alleen kennen van en via de media. De mediacultuur is ook een celebritycultuur. De belangrijkste sociale functie van celebrities lijkt opnieuw een soort compensatiefunctie te zijn: de verminderde directe contacten met familie en buren worden aangevuld met relaties over een grotere sociale en geografische afstand met mensen die we niet ‘echt’ kennen, maar die wel degelijk een rol spelen in ons dagelijks leven. De socioloog John Thompson noemt dat de ‘quasi-intimiteit’ of de ‘intimiteit-op-afstand’ van de gemedieerde interactie.

Celebrities leveren niet alleen lees- en kijkplezier, maar zijn ook de spil in verhalen en debatten over moraliteit. Wat is een goede relatie? Waar liggen grenzen van trouw en ontrouw, van het recht op privacy? Wat is vriendschap, wat is het perfecte gezin, welke seksuele taboes zijn er (nog)? In die zin lijken celebrities en de celebrityindustrie steeds meer de plaats in te nemen van kerk, staat en school. Opnieuw lijkt de vrees voor het verval van sociale cohesie in deze sociale verbanden overdreven: de boel wordt in zekere zin ook bij elkaar gehouden door het niet aflatende gebabbel over wat de sterren nu weer is overkomen. 

Die quasi-familiariteit doet vaak vergeten dat de parasociale relatie wordt gekenmerkt door ongelijkheid en eenrichtingsverkeer. Het kapitaal van de publieke zichtbaarheid is ongelijk verdeeld. Beroemdheid betekent nu eenmaal dat veel meer mensen jou kennen dan omgekeerd. Die asymmetrie tussen mensen met een bekende naam en een bekend gezicht en gewone, anonieme, naamloze burgers vormt een nieuw soort klasseverhouding, die zich voegt bij en deels overlapt met meer traditionele klassentegenstellingen zoals die tussen arm en rijk en tussen hoog- en laagopgeleiden.

Toen fotomodel en actrice Elizabeth Hurley in 2000 aan Vogue vertelde hoeveel ze woog, en de volslanke interviewster dat maar weinig vond, sprak ze de beroemde woorden: ‘Ja, maar jij bent een burger (civilian)! Ik zou dat ook wegen als ik een burger was!’ Liz was indertijd vooral bekend als vriendin van acteur Hugh Grant en vanwege de blote jurk die ze droeg bij de première van diens film Four Weddings and A Funeral. Maar het onderscheid tussen celebrities en civilians dat ze maakte een gevleugeld woord geworden. Het laat mooi zien dat de sterren in een apart wereldje leven, maar ook dat beroemd zijn een 24-uurs baan is die een bijna militaire discipline vergt.

De media vervullen een spilfunctie in de relatie tussen de sterren en de gewone burgers: zij zijn de ultieme sluiswachters in het communicatieproces rond celebrities: zij bewaken de poort van wie wel en niet binnen mag. Zoals Van den Bulck en Tambuyzer het uitdrukken in De celebritysupermarkt: het zijn de media die de rekken van de supermarkt vullen; het publiek mag vervolgens kiezen wat ze wel en niet willen kopen.

Medialogica
Deze achtergrond bepaalt ook de nieuwe verhouding tussen media en politiek. De functie van traditionele politieke partijen als communicatiekanalen tussen burgers en politieke professionals wordt steeds meer overgenomen door de media. Politieke personen krijgen steeds meer profiel en worden belangrijker t.o.v. (maar ook binnen) politieke partijen: een individualisering of personalisering van de politiek die ook kan worden geduid als de opkomst van de politieke mediaster of politieke celebrity. Er onstaat een nieuw soort (quasi)directheid, nabijheid en herkenbaarheid, die nieuwe mogelijkheden biedt tot identificatie en communicatie met individuele politici. Maar er blijft hetzelfde eenrichtingsverkeer bestaan: de ‘kloof’ wordt voor een deel ook gemarkeerd door het televisiescherm of door het verschil tussen de ‘verkeerde’ en de ‘goede’ kant van de camera’s.

Dit dubbele proces van individualisering en mediatisering heeft een stijlrevolutie teweeg gebracht in de politiek, die het nieuwe belang onderstreept van het individuele ‘stijl- en merkbewustzijn’ van politici, waarbij uitspraken, lichaamstaal, uiterlijk en accessoires één pakket vormen dat via de buis wordt overgedragen. De politieke dandy Pim Fortuyn belichaamde letterlijk de doorbraak van dit stijlbewustzijn en dit celebritysyndroom in de Nederlandse politiek. Hij was een politicus zonder partij, maar een politicus mét media: een idool met ideeën.

Is de politiek door dit alles gedegradeerd tot een reality soap? Wordt zij geregeerd door media-hypes waarin mannetjes- en vrouwtjesmakerij, onderlinge ruzies en privéschandalen de boventoon voeren? Volgens velen leven we tegenwoordig in een ‘dramademocratie’ waarin oppervlakkig spektakel heerst, de emoties vrijelijk rondgieren, en een rustige, rationele politieke meningsvorming moet wijken voor de terreur van de kijkcijfers en de logica van het amusement (‘mediapopulisme’). Politici veranderen in televisiesterren wier uitstraling of persoonlijkheid belangrijker zijn dan wat zij eigenlijk te vertellen hebben. De media, vooral de televisie, zijn steeds meer de poortwachters van de publieke zichtbaarheid en de regisseurs van het publieke debat geworden. Journalisten en presentatoren veranderen daardoor zelf in mediasterren die de macht hebben om politieke reputaties te maken en te breken. 

Sinds het mediaverschijnsel-Fortuyn stellen we onszelf dan ook nieuwe vragen over de relatie tussen pers en politiek. Zijn zij twee handen op één buik, of zijn ze elkaars ergste vijanden? Kunnen de media politici inderdaad maken en breken, of wordt hun macht schromelijk overschat? Zijn ze slechts een megafoon van de tijdgeest, of scheppen zij zelf door hun hypes de politieke werkelijkheid? Het minste wat hierover kan worden gezegd is dat pers en politiek tegenwoordig een moeizame haat-liefde-relatie onderhouden. Ze hebben elkaar nodig (want ze willen beide grote groepen kijkers of kiezers boeien), maar ze zijn ook tegenspelers en rivalen. Zo is een spanningsvolle symbiose, een dubbelbinding, ontstaan tussen journalisten en politici: het zijn ‘antagonistische medeplichtigen’ met zowel gemeenschappelijke als tegenstrijdige belangen.

Die precaire machtsbalans tussen politiek en journalistiek is een recente ontwikkeling. Tijdens de verzuiling bepaalden de politieke partijen zowel de politieke agenda zelf als de agenda van de media. De journalistiek speelde een volgzame rol als doorgever van de boodschap van de verzuilde elites aan hun achterban. Dit alles veranderde drastisch in de beruchte jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De zuilen vielen om, de journalistiek werd professioneler en kritischer en de politieke autonomie van het medium kwam centraal te staan. De pers transformeerde zich van schoothondje tot waakhond van de politiek. Vanaf het midden van de jaren tachtig zorgt de sterke aanbodsgroei en de verscherpte concurrentie (vooral door de komst van commerciële zenders) ervoor dat het marktaandeel en de kijkcijfers een doorslaggevende rol gaan spelen. Nieuwswaarde wordt sterker gekoppeld aan amusementswaarde. De logica van de concurrentie dwingt journalisten tot een jacht op onthullingen en primeurs, om daarmee ook persoonlijk te kunnen ‘scoren’. Politici en politieke partijen ontwikkelen daartegenover nieuwe strategieën om de media te bespelen en te verleiden.

Eén van de effecten van die nieuwe ‘medialogica’ is de opkomst van een interpreterende en wantrouwige journalistiek, waarbij de journalist het altijd beter lijkt te weten dan de politicus. De mediafocus verschuift naar het strategische spel om de macht en de conflicten en schandalen die daarmee gepaard gaan. Die nadruk op confrontatie en machtsstrijd zorgt voor een dramatisering en personalisering van de berichtgeving. De journalist wordt daarbij zelf steeds meer een hoofdrolspeler in het politieke nieuws, en regisseert het politieke debat zodanig dat politici alleen aan het woord komen onder voorwaarden die door de interviewer of gespreksleider zijn geschapen. Journalisten zijn tegenwoordig in het tv-nieuws of in politieke debatten veel langer aan het woord dan de politici die zij interviewen. Zowel politici als journalisten worden Bekende Nederlanders, quasi-intieme ‘mediavrienden’ die we dagelijks in de huiskamer kunnen ontmoeten. Ster-presentatoren en -interviewers als Paul Witteman, Jeroen Pauw, Ferry Mingelen en Andries Knevel zijn vaak beroemder dan de mensen die bij hen aan tafel aanschuiven.

Ex-premier Kok klaagde al over de ‘grote klont’ van pers en politiek, waarin verantwoordelijkheden niet meer te ontwarren waren. Moeten pers en politiek elkaar meer op afstand houden? Moeten politici in het voetspoor van Fortuyn beter leren om de media te bespelen en hun eigen agenda vast te houden (dus terugmanipuleren)? En welke rol blijft er tegenover deze kluwen van pers en politiek over voor burgers en kiezers? Zijn zij passieve toeschouwers geworden in de dramademocratie, die hun mening alleen nog kunnen uiten door weg te zappen of de knop om te draaien? Heeft de kijker/kiezer letterlijk het nakijken? Wordt de democratische meningsvorming door de dubbelbinding van pers en politiek buitenspel gezet? Of verhoogt het zichtbare getouwtrek tussen pers en politiek juist het informatiegehalte en scherpt het de meningsvorming van burgers aan? 

Coproductie van politiek
Voordat ik probeer deze vragen te beantwoorden geef ik een aantal illustraties van een mechanisme dat je de ‘coproductie’ van politiek kunt noemen. Zij laten zien hoe de nieuwsmedia zelf een politieke institutie zijn geworden: een medespeler bij de articulatie van politieke issues, belangen en besluiten (Cook 1998). Het model wordt geleverd door Obama in The Audacity of Hope. Een bepaalde tv-journalist had er een zodanig handje van om je de uitspraak aan te reiken waar hij zelf op zat te wachten dat interviews met hem gingen lijken op een Abbott en Costello-routine: ‘Voelt u zich verraden door het besluit van de goeverneur gisteren?’ Nee, ik heb met hem gesproken, en ik weet zeker dat we onze verschillen voor het einde van de zitting kunnen oplossen. ‘Zeker… maar voelt u zich verraden door de goeverneur?’ Ik zou dat woord niet gebruiken. Zijn opvatting is dat… ‘Maar is dat niet eigenlijk verraad van de goeverneur?’ 

Nederlandse voorbeelden te over. Denk aan de totstandkoming van het ‘fatale’ Volkskrant-interview met Pim Fortuyn (9 februari 2002) door Hans Wansink en Frank Poorthuis, die net zo lang bleven zitten en doorvragen totdat Fortuyn eindelijk Artikel 1 van de grondwet wilde afschaffen en de islam een ‘achterlijke cultuur’ noemde. Of denk aan de manier waarop RTL-journalist Frits Wester tijdens het eerste lijsttrekkersdebat van de campagne-2003 vicepremier Gerrit Zalm min of meer dwong om ‘ja’ te zeggen op zijn ja-of-nee vraag: ‘Is Nederland vol?’

Zalm is er overigens vaker ‘ingeluisd’ door verslaggevers, zoals na de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004. ‘Betekent dit dat het kabinet de oorlog verklaart aan deze vorm van terrorisme?’ Zalm: ‘mwa’. ‘Zo wilt u het kenschetsen: echt oorlog verklaren aan het terrorisme? Zalm zei nu duidelijker: ja. Later op de avond in het radioprogramma Het Oog op Morgen: ‘Is het oorlog?’ Zalm: ‘We verklaren in ieder geval de oorlog terug. We gaan de oorlog aan om dit soort extremisme en radicalisme te bestrijden. Daar zullen we op alle fronten extra middelen voor inzetten’. De volgende ochtend kopten de meeste kranten met deze oorlogsverklaring: ‘Kabinet verklaart terreur de oorlog’ (De Telegraaf en Trouw), ‘Moord begin heilige oorlog in Nederland’ (de Volkskrant), ‘Zalm: We zijn in oorlog’ (AD).

Dan Ella Vogelaars beruchte, want volgens Geert Wilders ‘knettergekke’ uitspraak in mei 2007 dat Nederland over honderd jaar wel eens een ‘joods-christelijke-islamitische’ beschaving zou kunnen zijn. In retrospect lijkt ook deze duidelijk te zijn aangereikt door de interviewer, waarna Vogelaar deze zich eigen maakt. Een ander soort machtsspel is te zien in het beruchte bijna-tv-fragment-van-het-jaar-2008, waarin de minister hinderlijk werd achtervolgd door de journalist Rutger Castricum van Geenstijl. Haar poging tot staring him down had een averechts effect. Haar gebrek aan communicatief vermogen was een belangrijk element in haar val als minister. Dat was Pim Fortuyn niet overkomen, die dezelfde soort achtervolging door Wouke van Scherrenburg pareerde met de onvergetelijke woorden: ‘Mevrouw, u bent een etter’. En toen zij aanhield: ‘Mens ga koken, da’s veel beter’. 

Een nog recenter voorbeeld: Pim van Galen (Den Haag Vandaag) achtervolgt minister van defensie Eimert van Middelkoop na het Kamerdebat waarin hij opnieuw excuses moest aanbieden voor zijn onhandige optreden: ‘Is dit nu uw laatste blunder geweest?’ Van Middelkoop: ‘U heeft het recht niet dat aan iemand te vragen’ en wendt zich af. Ferry Mingelen commentarieert vervolgens: ‘De les van Vogelaar was toch dat je niet moet weglopen voor lastige vragen?’ Mijn indruk was eerder dat de interviewer een ‘geenstijltje’ uitprobeerde. Het gebrek aan stijl van Geenstijl maakt m.a.w. ook school in zogenaamd serieuze nieuwsrubrieken.

Populisme als uitdaging
Maar het is te gemakkelijk om te stellen dat cynische nieuwsjagers misbruik maken van politici die het slachtoffer worden van hun scoringsdrift. Tweederde van de parlementariërs vindt dat de media teveel politieke macht hebben, 37% is zelfs van mening dat veel politieke journalisten worden gedreven door het verlangen om zelf politieke macht uit te oefenen (Brants, Van Praag en De Vreese 2007). Maar die kritiek wordt enigszins gerelativeerd als je bedenkt dat veel politici op hun beurt verlangen naar een grotere presentie in de media. De ‘coproductie van politiek’ tussen mediaprofessionals en politieke professionals is waarschijnlijk onvermijdelijk. Politici moeten hier een inhaalslagje maken en de machtsbalans herstellen. Pim Fortuyn liet zien hoe het ook kan. Waarom niet gewiekster, mediawijzer, ietsje doortrapter, in elk geval zelfbewuster, volgens het model-Pechtold of desnoods het model-Wilders, die zowel zijn collega-politici als de media maandenlang in spanning hield rondom zijn tegenvallende filmpje Fitna?

Deze laatste voorbeelden laten ook zien dat de populististische verleiding niet alleen afkomstig is van de media, maar ook wordt veroorzaakt door autonome ontwikkelingen binnen de politiek zelf. Als gevolg van de ontzuiling en de individualisering zijn kiezers van hun traditionele partijverbanden losgeraakt en zijn gaan ‘zweven’: ze benaderen het aanbod van politieke partijen meer als kieskeurige consumenten. Als gevolg daarvan nemen politici hun toevlucht steeds meer tot technieken van politieke marketing, die bijna per definitie het populisme bevorderen. Hierbij worden zij geholpen door de ideologische crisis (de crisis van de Grote Verhalen), waardoor partijen steeds pragmatischer zijn geworden, nauwelijks meer onderscheidend zijn en samenklonteren in het midden van het politieke spectrum.

Na de onverwachte opkomst van Fortuyn werd het populisme gezien als een incident of een ontsporing die een bedreiging inhield voor de democratie. Zo schreef Bart Tromp herhaaldelijk over een voortwoekerend ‘plebiscitair virus’ dat de essentie van de representatieve democratie aantastte. Mettertijd ontstond een bezonnener interpretatie: het populisme was eerder een soort reinigingsritueel dat een heilzame opschudding veroorzaakte en de politieke zelfgenoegzaamheid van de gevestigde regentenklasse doorbrak, waarna het politieke bedrijf weer zijn normale gangetje kon hernemen. Zo sprak Volkskrant-commentator Hans Wansink over een ‘populistisch intermezzo’.

Maar in het post-verzuilde Nederland is het populisme normaal geworden. Het is here to stay, en kan daarom beter worden benaderd als een uitdaging dan als een bedreiging voor het bestaande politieke bestel. De eerste belangrijke uitdaging ligt in de eerder gesignaleerde tendens naar persoonlijke profilering van politici, die spanningen oproept met de collectivistische inslag van het traditionele partijenstelsel (denk aan de coalitie- en fractiediscipline, de gesloten benoemingscultuur). De herhaalde klachten over verplatting en vervlakking, over het bedenkelijke verlangen van de kiezer naar macho- of macha-politiek, en over wispelturige kiezers die zich laten verleiden door populistische rattenvangers zijn overdreven, en miskennen de diepte van de vertrouwenscrisis die is uitgebroken tussen kiezers en de gevestigde politiek. Het onderschat de ernst van het functieverlies dat politieke partijen hebben geleden als schakelkasten tussen overheid en burger en als lanceerplatforms van maatschappelijk debat. In de mediademocratie zijn individualisten die bepaalde politieke ideeën in een eigen stijl uitdragen aantrekkelijker geworden dan inwisselbare partijmensen die zich scharen achter dichtgetimmerde programma’s en een collectivistische discipline. Het succes van Obama (maar ook dat van Palin) vormt hiervan het meest recente bewijs.

Populistische politici slagen er tot nu toe beter in om de voordelen van die nieuwe ‘media-directheid’ te incasseren dan de ‘oude’ politiek. Natuurlijk kent de personalisering allerlei nadelen, die sinds het optreden van Rita Verdonk (net als Sarah Palin een duidelijk geval van ‘vorm zonder inhoud’) voor iedereen duidelijk zijn geworden. Maar de nieuwe mediazichtbaarheid van politici kan ook een verrijking zijn. Een personendemocratie houdt immers niet op een vertegenwoordigende democratie te zijn, en heft de kloof tussen burgers en politiek niet op. Net zo min als partijen kunnen personen claimen dat zij een mythische ‘volkseenheid’ belichamen, zelfs niet wanneer zij rechtstreeks worden gekozen: zij blijven politieke professionels, dus leden van een politieke elite, en zijn woordvoerders van een bepaalde visie op het algemeen belang. Maar de personendemocratie maakt wél meer ruimte voor het politieke individualisme van zowel kiezers als gekozenen, waarvoor binnen het klassieke partijenstelsel onvoldoende ruimte bestaat. 

Verticale democratie
Kenmerkend voor het populisme is het ‘volkse’ anti-establishment sentiment. De klassieke ‘horizontale’ scheidslijn tussen links en rechts wordt a.h.w. doorsneden door een haaks daarop staande ‘verticale’ scheidslijn tussen gevestigden en buitenstaanders of tussen elite en massa. Voor traditionele democraten is de klassieke links-rechts tegenstelling de enig relevante of legitieme. Populisten zoals Fortuyn konden hierop ‘inbreken’ omdat die ideologische scheidslijn tijdens de paarse kabinetten te sterk was vervaagd. Op hun beurt bestempelen populisten de links-rechts tegenstelling als misleidend, omdat zij de meer wezenlijke belangenovereenstemming binnen de kliek van de gevestigde partijen aan het oog onttrekt. In hun ogen is de verticale tegenstelling tussen ‘volk’ en politieke elite de enig juiste en relevante. Maar in een dynamische democratie is het van belang om beide tegenstellingen, zowel die tussen links en rechts als die tussen gevestigden en buitenstaanders, open te houden en te activeren. 

Ook David van Reybrouck ziet in zijn recente pamflet Pleidooi voor populisme dat het in dit opzicht een verrijking kan zijn voor de bestaande politiek. Hij onderscheidt een ‘duistere’ van een ‘verlichte’ vorm: het populisme is weliswaar anti-elitair en anti-establishment, maar niet per definitie antiparlementair of antidemocratisch. In de ‘duistere’ variant wordt het volk beschouwd als een homogeen blok en de volkswil als eenduidig, rechtlijnig en soeverein (‘volkseenheid’, Koning Burger, de kiezer heeft altijd gelijk). Het volk moet het centrum van de macht worden en de kloof tussen burger en bestuur moet worden gedicht. Het ‘verlichte’ populisme wil de kloof niet dichten maar juist openhouden. Het erkent de noodzaak van politieke elites, maar ziet ook het gevaar van oligarchisering en regentendom, en dus de noodzaak om de elites te controleren en bij de democratische les te houden. Op die manier fungeert het als een soort diepere oppositiebeweging die kan helpen om de basis van de democratie, het conflict, nieuw leven in te blazen.

Het populisme legt daarmee een ongedekte flank open van de gevestigde representatieve democratie, omdat het het klassieke democratische denken radicaliseert. Populistische en vertegenwoordigende democraten hanteren immers hetzelfde vocabulaire van de volkssoevereiniteit en het democratische zelfbestuur. Op die manier legt het populisme de gevaarlijke fictie van ‘volkseenheid’ bloot die in restvorm ook de parlementaire politiek parten speelt en een verleiding vormt voor alle democratische partijen. Maar ook de meest democratische democratie is een heerschappij van elites, en ieder die suggereert dat Den Haag moet worden schoongeveegd om daar de volksmacht te vestigen, verdoezelt het feit dat hij/zij zelf weer een nieuwe, alternatieve elite vormt die streeft naar de macht, en net als de concurrentie een partijdige visie verwoordt op het volksbelang. Niet de ‘volksmacht’, de ‘volkssoevereiniteit’ of het ‘zelfbestuur’ vormen de vitale kern van de democratie, maar juist de wisselwerking tussen elite en massa ‘over de kloof’ die beide partijen functioneel scheidt. 

Als we de kwaliteit van de huidige democratie willen verbeteren, is het dan ook zaak om deze wisselwerking beter te organiseren. Dat betekent ten eerste een groter zelfbewustzijn bij elites (van politiek en media) dat zij elites zijn en een autonome functie vervullen van maatschappelijke leiderschap en geestelijk initiatief. In plaats van het volk naar de mond te praten, moeten de elites het durven verlichten en verheffen. Dit ‘elitaire’ zelfbewustzijn is een van de belangrijkste remedies tegen de politieke nivellering en het populisme in zijn ‘duistere’ variant. Maar omdat elites altijd de neiging hebben om te kleven aan de macht en de toegang tot eliteposities en eliteprivileges af te sluiten voor anderen, is het tegelijkertijd nodig om de democratie ook ‘naar beneden’ te verdiepen. Aan de basis van de vertegenwoordigende pyramide moeten contragewichten worden gehangen in de vorm van referenda, burgerinitiatieven en rechtstreekse verkiezingen van gezagsdragers. Zo wordt de bestaande horizontale machtenscheiding aangevuld met een reeks verticale checks and balances. De populistische establishmentkritiek en mechanismen van directe democratie kunnen op die manier een versterking zijn van deze verticale lijn van de democratie.

Dick Pels is socioloog en publicist

Literatuur: 
Brants, Kees (2008) ‘Media, politiek en de spiraal van wantrouwen’ in Bart Snels en Noortje Thijssen (red.) De grote kloof. Verhitte politiek in tijden van verwarring. Amsterdam: Boom.
Bulck, Hilde van den, en Sil Tambuyzer (2008) De celebritysupermarkt. Berchem: EPO.
Cook, Timothy E. (1998) Governing with the News. The News Media as a Political Institution. Chicago: University of Chicago Press.
Pels, Dick (2003) De geest van Pim. Het gedachtegoed van een politieke dandy. Amsterdam: Anthos.
Reybrouck, David van (2008) Pleidooi voor populisme. Amsterdam: Querido. 
Thompson, John (2000) Political Scandal. Power and Visibility in the Media Age. Cambridge: Polity.

Nog geen reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.