Marcel Haenen: ‘Wobben leidt tot geestelijke luiheid’
Hij is de schrik van malverserende opsporingsambtenaren en heeft een lange trits primeurs op zijn naam. Tot zijn vreugde is hij nimmer gevraagd om chef te worden. Wel is NRC-veteraan Marcel Haenen nog altijd verontwaardigd over de verhuizing van de krant naar Amsterdam. ‘Daar zitten we dan tussen de hasjluchten zogenaamd hip te wezen.’ Op bezoek bij een old skool tegellichter.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Menno van Dongen. Ook lid worden?
Eeuwenoude gravures van pinguïns aan de muur. Een majestueus uitzicht op de Erasmusbrug en de Maas, waar een waterscooteraar bij 12 graden Celsius enthousiast over de golven stuitert. En een gastheer voor wie de pensioengerechtigde leeftijd duidelijk minimaal vijf jaar naar achteren kan worden geschoven.
Marcel Haenen (60), begonnen in 1984, is de op een na langst dienende redacteur van NRC Handelsblad – alleen Italië-correspondent Marc Leijendekker is nóg langer bij de krant in dienst. Dat hij vandaag wórdt geïnterviewd vindt Haenen best bijzonder, vertelt hij in zijn appartement hoog in een woontoren aan de Maas. ‘Ik heb dat zelf ook wel gedaan, interviewen. Een moeilijk genre. Kom je bij BN’ers bij wie de ijdeltuiterij je tegemoet walmt en die je maar niet uit de automatische piloot krijgt. Gaan ze tot je schrik wéér die ene anekdote vertellen.’
Zijn eigen comfortzone zijn onderonsjes in cafés met mensen die weten dat Haenen hun naam niet altijd in de krant zal zetten. Vaak hebben ze brisante informatie – bijvoorbeeld omdat ze er zelf werken - over overheidsinstanties zoals het Openbaar Ministerie. Haenen heeft een hele trits onthullingen op zijn naam staan. Van de IRT-affaire en de betrokkenheid van Desi Bouterse bij drugshandel tot, recenter, racistische apps bij de politie en de kwestieuze liefdesaffaire tussen procureur-generaal Marc van Nimwegen en officier van justitie Marianne Bloos. Boeken schrijft hij ook. In 2018 verscheen het lovend ontvangen ‘De bokser’, de biografie van Max Moszkowicz senior, die Auschwitz overleefde en vervolgens een van ’s lands bekendste strafpleiters werd. Er zijn tot dusver 25.000 exemplaren van verkocht.
Haenen werd genomineerd voor alle mogelijke journalistieke prijzen, maar hij won nog nooit. Het deert hem niet, bezweert hij. Wat hem wel steekt is dat zijn krant in 2012 naar Amsterdam is verhuisd. Inclusief een grote kast met documenten van de in Heerlen geboren primeurjager.
Heb je daar destijds fel tegen geageerd?
‘Ja, want ik vond het een grote fout. We heten de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar protesteren had weinig zin. Het was echt de beslissing van toenmalig hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Hij dacht als Belg: ik moet naar het hipste deel van Nederland, en hij meende dat dat Amsterdam was. Nou, daar zitten we dan aan het Rokin tussen de Nutella-shops en hasjluchten zogenaamd hip te wezen. Rechts Madame Tussauds, links The Amsterdam Dungeon; tel uit je winst. En er gebeurt daar dus niks hè. Ik ben 36 jaar geleden begonnen hier om de hoek in de Witte de Withstraat, in het oude NRC-gebouw. Het oude redactielokaal is nu de meest bruisende plek van Rotterdam.’
Merk je dat de NRC Amsterdamser is geworden?
‘Weet ik niet. Ik heb een gezelligheidsvereniging opgericht van Rotterdamse NRC-redacteuren. Eén keer per jaar gaan we uit eten en dan worden we heel erg dronken. Ik herken het verschil tussen Rotterdamse en Amsterdamse redacteuren wel, maar ik kan het niet omschrijven. Het is jammer dat het Rotterdamse DNA verloren gaat. Vandermeersch drukte de beslissing trouwens door samen met zijn toenmalige adjunct Hans Nijenhuis. Die zit nu als hoofdredacteur in een prachtig pand pal naast Rotterdam CS het AD te maken…’
Is Vandermeersch’ opvolger René Moerland ook lid van jouw gezelligheidsvereniging?
‘Ja. Maar Moerland is nu ook naar Amsterdam verhuisd, haha.’
Wat doet Moerland anders dan Vandermeersch?
‘Dat weet ik eigenlijk niet zo goed. Hij is net begonnen, en door corona zit iedereen thuis. Maar Moerland is echt een heel goeie, degelijke en bescheiden hoofdredacteur, die wat minder naar buiten treedt dan zijn voorganger. Ik heb ook niks tegen Vandermeersch hoor. Hij was de eerste buitenstaander die hoofdredacteur van de NRC werd en werkte keihard. Zijn frisse blik was misschien ook wel goed.’
Houd je de oplagecijfers bij?
‘Ja, en die gaan uitstekend. Toen ik in 1984 in dienst kwam was de oplage iets van 150.000. Nu naderen we de 300.000, mailde de directie ons laatst. Daar zitten natuurlijk ook digitale abonnees bij, dat weet ik ook wel.’
Ja. Voor een paar euro per week lees je tegenwoordig een echte krant.
‘Tuurlijk, maar een tijdje geleden heette het toch dat de kranten ten dode waren opgeschreven? Ook door corona willen mensen heel graag weten wat er echt speelt, en dat neemt alleen maar toe. Ik heb sinds vier jaar à een tientje per maand een abonnement op The New York Times. Voorheen was dat onmogelijk.’
Is de krant erg veranderd sinds 1984?
‘Nee. Toen ik begon zeiden vrienden: “Dat jij bij zo’n rechtse krant gaat werken”. Nu zeggen ze: “Dat je bij zo’n linkse krant werkt”. Het is allebei onzin. Er zijn wel wat accentverschillen, maar de NRC is nog steeds een ongebonden liberale krant.’
Volgen sommigen is het wel een elitaire ‘bubbelkrant’.
‘Dat heb ik nooit zo ervaren. De laatste redacteur met een bolhoed vertrok in de jaren 80.’
Begin augustus besloot het OM geen vervolging in te stellen na Haenens primeurs over de racistische politie-apps en de onoorbare relatie van Van Nimwegen en de door hem aangestelde Bloos. De NRC-verslaggever vond dat niet terecht, maar om nou te zeggen dat hij ‘teleurgesteld’ was, ach.
‘Ik zit daar niet om mensen kapot te schrijven. Na de IRT-affaire (in 1994 had Haenen met collega Tom-Jan Meeus onthuld dat het opsporingsapparaat zelf in drugs was gaan handelen, de affaire duurde een paar jaar, red.) moest Ernst Hirsch Ballin aftreden als minister van Justitie. Een aardige en fatsoenlijke man, dus ik vond het echt sneu voor hem. Zo gaat het toch vaak met onthullingsjournalistiek: je bent aanklager en beul tegelijk. Van Nimwegen was een voortreffelijke officier van justitie. Hij was alleen iets te bronstig, en hij had gejokt. Als hij nou had gezegd: “Ik heb een fout gemaakt, ik ben verliefd geworden en toen…” Maar hij bleef maar in zijn eigen leugens rondtollen, zodat hij nu mogelijk voor de rest van zijn leven is uitgeschakeld (justitie ontsloeg Van Nimwegen en Bloos in 2019, red.).
Van Nimwegen had mogelijk wel strafrechtelijk kunnen worden vervolgd wegens knoeien met declaraties en het negeren van aanbestedingsregels, maar dat hij zijn baan en zijn goede naam kwijt is, is uiteraard al een forse straf. Bovendien zou Van Nimwegen ongetwijfeld flink om zich heen zijn gaan slaan in de rechtszaal, dus zal het OM hebben gedacht: dat moeten we maar niet doen. In die zin is het OM absoluut niet te vertrouwen. Ik ben in deze zaak echt door bijna alle magistraten voorgelogen.’
Noem jij jezelf misdaadjournalist?
Op besliste toon: ‘Nee. Dat was ook geen vak toen ik bij die krant kwam. Ik vind het veel interessanter om te zien hoe het rechtsstatelijk apparaat werkt. Bij zo’n proces tegen de Mocro Maffia zit je met dertig man naar dezelfde rotjongens te kijken. Kluitjesvoetbaljournalistiek.’
Bij de NRC doet Jan Meeus nu de harde misdaad. Ook geen macho in een leren jasje zoals Peter R. de Vries en John van den Heuvel. Past dat ook gewoon niet bij de deftige NRC?
‘Och, dat weet ik niet. Ik kan het prima met die mannen vinden hoor. Peter R. de Vries kwam ik in mijn begintijd weleens tegen. Die is een soort rechercheur, wil zelf het liefste boeven vangen. Dat is volgens mij geen taak voor journalisten. Ik recenseer rechercheurs.’
Is jouw aandacht voor de overheid ook veiliger? De kans dat een ambtenaar je opwacht om je op je gezicht te timmeren lijkt me niet heel groot.
‘Dat is waar. Mensen als De Vries en Van den Heuvel riskeren voortdurend hun leven. Ze hebben ook meer spierballen. Maar dat is niet de reden dat ik het niet doe. Het riskante van onthullingsjournalistiek is dat je het mis kunt hebben. De dreiging van een klacht wegens smaad of laster vind ik eerlijk gezegd groter. Nog steeds denk ik iedere keer dat ik de krant opensla: ik hoop dat het klopt wat ik heb geschreven. Over alles heb je nagedacht, je hebt overleg gevoerd met je chef, en dan blijkt het niet waar te zijn. Verschrikkelijk lijkt me dat.
Ik doe overigens niet alleen misdaad. Als ik een selectie zou moeten maken van mijn interessantste stukken, zou slechts de helft over misdaad gaan. Ik ben bijvoorbeeld ook redacteur pinguïns, een heel belangrijk onderwerp.’
Oké, brand maar los.
‘Je weet vast dat er zeventien verschillende soorten pinguïns zijn, en daar is van alles mee aan de hand. Mijn favoriet is een autistische bospinguïn die in Nieuw-Zeeland woont, de yellow-eyed penguin. Hij is bijna uitgestorven. Ik ben een paar dagen op pad geweest met een boswachter daar. Echt geweldig! Ik heb een Engelstalige versie van mijn artikel geschreven voor The New York Times, en die is in 2016 ook gepubliceerd.’
Vanwaar die fascinatie? Wat heeft de pinguïn voor op, pak hem beet, de albatros?
‘Het is deels een esthetische kwestie. Als kind op bezoek in Artis was het liefde op het eerste gezicht. Van 2003 tot 2008 ben ik correspondent in Latijns-Amerika geweest. Ik wilde graag in een pinguïnland wonen, dus mijn standplaats werd Buenos Aires. Dat van die pinguïns heb ik overigens niet tegen de hoofdredactie gezegd.’
Je bent nooit chef geworden. Geen ambities?
‘Geen enkele. Nieuws te pakken hebben, iets kunnen onthullen, is zo ontzettend opwindend en verslavend. Veel leuker dan vergaderen en mensen aansturen. Zo van: “Boudewijn, zou dit stuk niet beter worden als je dit achterstevoren opschreef?”’
Hoe kom je aan je nieuws? Of komt het tot jou?
‘Ik krijg weleens anonieme post ja. Essentieel is een goed netwerk en dat goed onderhouden. Als een bron een ziek kind heeft, hou ik dat bij en informeer ik daar ook naar. Als je in staat bent een netwerk van twintig tot dertig exclusieve bronnen op te bouwen, kun je vooruit. Dan ga ik gewoon bellen en vraag ik: heb ik nog schandalen gemist? Verrassend vaak krijg ik dan een antwoord waar ik iets mee kan.’
Ook op basis van wederkerigheid? Dat je zo’n bron een beetje uit de wind houdt?
‘Nee. Dat is wel een van de moeilijke dingen. Ik kan mensen best wel aardig vinden, maar je moet altijd voldoende afstand houden. Het is nooit zo dat ik denk: je hebt iets verschrikkelijks gedaan maar ik schrijf het niet op.’
Misschien moet een misstap van een goede bron nét even verschrikkelijker zijn voor je aan het tikken slaat.
Haenen schudt het hoofd. ‘Nee. Nee. Ik blijf steeds uitleggen: het is geen vriendschap. Er zijn inderdaad mensen die zeggen: ”Maar wij kennen elkaar toch goed?” Ja, maar dat doet er niet toe. Alleen mijn eigen kinderen zou ik ontzien. Het nieuws is leidend. Dat is de enige manier. Je gaat toch glijden als je niet uitkijkt. Namen noemen vind ik lullig, maar er zijn collega’s - niet van mijn krant - die de weg kwijtraakten. Trouwens ook van mijn krant.
De meest opmerkelijke carrièreswitch was toen mijn hoofdredacteur Ben Knapen in 1996 koos voor een baan als hoofd voorlichting van een gloeilampenfabriek. Daarna maakte hij zich als bestuurder van uitgeverij PCM schuldig aan wanbeleid – hij liet zich wel 1,5 miljoen euro vertrekpremie uitkeren – en in 2010 werd hij ook nog staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Voor het CDA! Daar kan ik me dus niks bij voorstellen. Je bent journalist voor het leven, dat vind ik echt. En het is het mooiste dat het leven te bieden heeft: je mag je hele leven lang praten met interessante mensen en toffe plekken bezoeken en daar geven ze je dan een salaris voor.’
De dertig jaar oude Wet Openbaarheid van Bestuur gaat op de schop. Er ligt nu het Wetsvoorstel Open Overheid. Gaat dat veel opleveren denk je?
‘Laatst zag ik de film “All the President’s Men” weer eens, over de Watergate-affaire. Toen dacht ik aan die hele cultuur van nu: goeie journalisten kunnen tegenwoordig allemaal heel goed wobben. Met alle respect, maar die toeslagenaffaire is voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat Pieter Klein en Jan Kleinnijenhuis uitstekend kunnen wobben. Zo haalden ze heel interessante info boven water. Ik heb een enkele keer gewobt, maar ik krijg nooit wat - kennelijk doe ik het niet goed. Maar ik vind het niets met journalistiek te maken hebben. “Kijk eens, ik heb iets gewobt!” Nou, heel knap, maar het leidt tot geestelijke luiheid: wat zou het departement mij verstrekken aan geheime documenten? Voor mij is journalistiek lekker smoezen met interessante bronnen in het café. Nu is er debat over dat dat wobben anders moet, maar ik verwacht er geen enkele heil van. Het heeft voor mij in de praktijk ook geen enkele betekenis.’
Heb je nog een tip voor jonge journalisten?
‘Ik heb met ze te doen. Ik kwam in 1984 al na een paar weken in vaste dienst, kreeg een typemachine en een schone asbak, en na een paar maanden was het: “Welk model leaseauto wil je?” Nu moeten ze het doen met lullige contractjes en freelanceklussen. Dan kun je je mijn werkwijze, maanden aan iets werken en het dan weggooien als het toch niks is, moeilijk permitteren. Goede journalistiek kost geld. Ik vertel jonge collega’s vaak hoe leuk het is om eigen nieuws te maken, om misstanden te kunnen onthullen. Tell the truth and shame the devil. Je hoeft het kabinet niet meteen ten val te brengen, maar je kunt toch met iets kleins beginnen? Veel journalistiek gaat tegenwoordig toch over lifestyle, uit de kast komen en problemen in de familie. En dan klinkt het: “Wat dapper dat je dat durft te vertellen!” Dan denk ik: hou op met dat getrut, en ga op pad!’
Marcel Haenen werd in 1960 geboren in Heerlen. De Limburger ging de NRC pas lezen toen hij rechten ging studeren in Rotterdam. Daarna studeerde hij een jaar massacommunicatie. Hij wilde journalist worden en kreeg na flink aandringen een kans bij de NRC. Na twee weken kreeg hij een vaste baan. Hij was toen 23. Als onderzoeksjournalist schreef hij onder meer over de IRT-affaire. Hij was ook vijf jaar correspondent in Latijns-Amerika. Haenen schreef zes boeken.
Beeld Marie Cecile Thijs



Praat mee
2 reacties
J.C. Roodenburg, 3 december 2020, 14:37
Helemaal eens met Paul toen de krant van Rotterdam naar Amsterdam in 2012 verhuisde. Ik heb zelfs mijn abonnement opgezegd. Ik lees alleen nog de Haagse Stemming. Dat is vooral Den Haag!
v h g lebesque, 3 december 2020, 15:51
Waarom kan ik als NVJ-lid niet het hele artikel lezen? Ik hoef toch geen apart abonnement te nemen, of wel? Ik word geconfronteerd met een tekst over proefabonnement dat afloopt…Ik heb geen proefabonnement.