website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

Exclusieve inhoud Sluiten

Een NVJ-lid heeft dit artikel met je gedeeld. Gratis een maand alles lezen? Klik hier.

Een NVJ-lidmaatschap geeft je recht op:

  • Persoonlijk advies
  • Juridisch advies & rechtsbijstand
  • Perskaart
  • Korting op cursussen
  • Villamedia magazine

Word lid Verder lezen

Julius Vischjager, 81 jaar oud, maar nog niet der dagen zat

Maurits Schmidt — Geplaatst op maandag 22 oktober 2018, 12:00

Julius Vischjager, 81 jaar oud, thuis in Amsterdam-Oost.

Julius Vischjager, 81 jaar oud, thuis in Amsterdam-Oost. - © Bert Nienhuis

Interview Julius Vischjager (81), hoofdredacteur van The Daily Invisible, is geniaal in het oplossen van niet bestaande problemen schreef De Telegraaf ooit. Oud, vergeetachtig, maar nog niet der dagen zat, slijt hij zijn tijd in Amsterdam-Oost. Regelmatig bijgestaan door vriendin Gerda Spruit. Vleugel in de voorkamer onder handbereik. Hij speelt nog dagelijks.

Wat moet straks mijn laatste vraag zijn?
‘Weet ik niet. Zou ik even aan Gerda moeten vragen. Ze komt hier al lang. Lief hoor, maar ook streng. En lastig, dat zal ik niet ontkennen.’

Herhaal ik mijn vraag?
‘U doelt natuurlijk op mijn laatste vraag bij de minister-president. Dat is een tijd niet geweest, want er was een ambtenaar die mij verbood op die wekelijkse vrijdagse persconferentie te komen waar ik altijd de laatste vraag mocht stellen. Dat vond Rutte helemaal niet leuk. Die ambtenaar had gedaan alsof het een opdracht van hém was. Maar Rutte wist daar niets van, hij miste mij. Dat zei hij openlijk. Op mijn 80ste verjaardag, in Nieuwspoort gevierd. Dat was leuk georganiseerd door Willem Hendrik de Beaufort, vroegere griffier van de Tweede Kamer, goede vriend van mij.’

U was zo’n expert in het stellen van de laatste vraag, dat ik u daarom vraag welke laatste vraag ik straks aan u moet stellen.
‘Ja, toch weet ik dat niet. Het komt vanzelf wel denk ik.’

Dan maar mijn eerste vraag. Wat was uw laatste laatste vraag?
‘Ach, ik weet alleen nog dat ik er een jaar lang niet meer bij was doordat die ambtenaar het verbood. Hij wilde gewichtig doen, ik mocht niet eens meer in Nieuwspoort komen.’

Op voorspraak van Rutte mocht u terugkomen op de persconferenties.
‘Zeker. Maar dat is toch zo’n beetje in 2015 geweest. Wat mijn eigen laatste vraag toen was weet ik nu niet meer.’

U hebt met uw laatste vraag in elk geval één keer het ‘echte’ nieuws gehaald. Met uw vraag aan Rutte waar de Hollandsche Schouwburg staat.
‘Hij wist het niet. In Haarlem, dacht hij. Ja, dan kan je, gezien de geschiedenis van de Hollandsche Schouwburg, beter ophoepelen. Maar hij heeft zich er mooi uitgekletst.’

U hebt het zowat veertig jaar gedaan, u hebt vijf premiers versleten. Wat was, grosso modo, de strekking van uw laatste vragen?Waar ging het u om?
‘Van Agt, die mocht me wel. Den Uyl, Lubbers, Rutte, ze vonden het wel leuk. Ik was bekend hè, in Den Haag. Dat gaf wel eens problemen. Veel collega’s zeurden aan m’n kop waarom ik de laatste vraag moest hebben. Maar toen ik niet meer mocht komen hebben ook veel journalisten het voor me opgenomen. Zoals Harry van Wijnen.

Mijn vraag ging meestal over de actualiteit. Ik bedacht de vraag vaak pas op de persconferentie zelf. De insteek was dat mijn vraag afwijkend was. Rutte, altijd nieuwsgierig naar die laatste vraag van mij, schreef dan het antwoord op, en dat noteerde ik in mijn blad. Van de eerste premiers kwam het in Hollands Diep, later in The Daily Invisible. Zo werd het bekend.’

En doordat het handgeschreven was.
‘Dat was natuurlijk ook grappig. Al was mijn handschrift niet voor iedereen goed leesbaar.’

Tekst loopt door onder de foto.

Daily noemde u de krant, maar de krant kwam hooguit één keer per week uit. Waarom dus niet The Weekly Invisible?
‘O, omdat hij dágelijks onzichtbaar was. En voor de naam. Als ik hem The Daily Visible had genoemd was hij niet zo bekend geworden als de Invisible nu is. Daar zit ook humor in.’

Wat heeft u vijftig, zestig jaar geleden ten diepste bewogen dit werk in uw leven te gaan doen? Wat was uw missie, wat had u te zeggen?
‘Ik schreef in Hollands Diep. Maar daar was Holland niet diep genoeg voor. Ik heb ook nog een column in Playboy gehad. Iedereen vond wel dat ik wat te zeggen had. Er zijn een honderden Daily Invisibles gemaakt. Ik wilde journalist zijn. Omdat ik het wel grappig vond de laatste vraag te stellen: goeie reclame voor The Daily Invisible. Dat was eigenlijk de hoofdzaak.’

Maar er moet toch meer in uw hoofd zijn omgegaan dan alleen dit verhaal. Vertel eens wat over uw verleden, als jong kind?
‘Vanwege mijn Joods zijn werd ik door de Duitsers achtervolgd. In Amsterdam. Dat is weer goed gekomen hoor. Ik weet het nog, ja.  Beschermd werd ik ook. Ik speelde al jong piano, had pianoles. Nog steeds. Dat liep allemaal goed.’

Beschermd?
‘Door mijn pleegmoeder, zuster Middelman. Dat was een verzetsvrouw. Niet zo zuinig ook. Heb ik veel aan gehad, ja. Nee, ik heb geen weet meer van mijn ouders. Zij vertelde dat mijn vader van mijn moeder was gescheiden. Zij hebben zich weinig van mij aangetrokken. Maar zuster Middelman heb ik gezien als mijn moeder, al was dat niet zo. Mijn ouders zijn weggevoerd. Apart. Ik woonde bij zuster Middelman. Op de Emmalaan. Later op de Prins Hendriklaan. Ze had een kinderziekenhuis.’

Hebt u een religieuze inslag?
‘Niet bepaald. Ik kan ook niet zeggen dat ik het niet heb. Ik ben nooit Joods opgevoed. Protestants ben ik opgevoed. De verhalen vond ik mooi hoor. Maar voor mij waren er geen godsdienstige grenzen. Het was allemaal onbegrensd voor mij. Van die Nederlandse hokjesgeest hield ik zeker niet. Ik hoefde niet mee naar de kerk. Had het toch niet gedaan. Ik ben meer een vrijdenker. De kerk is afgesproken werk. Ja, dat vind ik wel geestig. Die is ook van mezelf. Ik heb veel taalkundige vondsten. Vooral Van Agt vond dat mooi.’

Zoals u iets met Margaret Thatcher had.
‘Wat ik nog weet is dat toen ze hier kwam, en ik de laatste vraag had, vertelde ik ter inleiding van mijn vraag in een lang verhaal over het invisible zijn van mijn krant. Toen riep ze: wilt u dat nog eens herhalen?’

U hebt rechten gestudeerd.
‘Ja. Hier in Amsterdam. Achteraf vond ik het conservatorium belangrijker. Rechter of advocaat wilde ik niet worden. De muziek wilde ik in. Als pianist. Dat ben ik nog. Ik heb pas nog opgetreden. Op het feest van de Buurtkrant hier. In Den Haag. Lang in Amsterdam in het Restaurant 1e Klas en in Eik en Linde. Nog steeds. O ja, is daar een filmpje over op YouTube? Nooit gezien. Ik maak er niet zoveel drukte over. Muziek vond ik het belangrijkste. Beethoven, Mozart, de bekende grote klassieken. Schubert, ook. Schumann.’

Zuster Middelman.
‘Die heeft mijn leven gered. Ze heeft me uit de Hollandsche Schouwburg gehaald, letterlijk en figuurlijk. Gewoon achterop de fiets, naar Bussum. Moedig hoor. Als dat niet gebeurd was…. ja, dat was wel bekend. Dan ging je naar Duitsland. Werd je vermoord. Ik denk dat mijn ouders ook vanuit de Schouwburg zijn gegaan. Buchenwald, Bergen-Belsen, ik weet het niet meer. Zuster Middelman heeft zich altijd voorgedaan als mijn moeder. Was niet getrouwd, vond het wel leuk om kinderen te hebben. Toen heeft ze mij dus gekregen.’

Heeft het een grote rol gespeeld dat u uw ouders nauwelijks gekend hebt?
‘Nou ja, ik had veel aan mijn pleegmoeder. Ze verwende me ook erg. Die periode heeft al met al mijn leven wel bepaald. Door de voogdijraad kwam ik daarna van het ene in het andere tehuis. Daar werd ik niet gelukkig van. Maar ik heb het doorstaan. Ik leef nog.’

Wat is uw levensinstelling?
‘Die is: ik zal wel zien hoe het afloopt. Zo heb ik altijd geleefd.’

Hoe ging u om met stemmingen die een mens zoal heeft: verdriet, blijdschap?
‘Mijn levensinstelling is dat ik blij mag zijn dat ik in leven ben gebleven. Niet naar Duitsland ben gevoerd. Korter kan ik het niet zeggen.’

Wat hebt u van uw leven gemaakt?
‘Ter wille van mijn pleegmoeder heb ik het niet slecht gedaan. Rechten, piano. Piano staat bovenaan. Nog steeds. En veel geschreven, ja. Het Hollands Diep vol gekalkt.’

Wat hebt u de samenleving nou willen vertellen, meer dan dat u bekend bent geworden, door die laatste vraag. Wat is de essentie?
‘De essentie was dat ik die laatste vraag had, en veel mee kon reizen naar het buitenland. Naar de Verenigde Staten. Frankrijk, Duitsland, Rusland, China geloof ik. Afrika, ook aardig. In Israël ben ik geweest. Ze gaan daar wel erg tekeer tegen de Palestijnen. Ik heb behoorlijk m’n best gedaan The Daily Invisible bekend te maken. Die is dat ook geworden. En dat ik als journalist erkend zou zijn. Er zijn wel meer interviews gemaakt met mij. The Daily Invisible maakte ik omdat ik het dan zelf in handen had wat ik schreef. Veel over muziek.’

Ik beluister dat muziek uw levensdoel is.
‘En dat wil ik overdragen aan mensen. Ja hoor.’

Tekst loopt verder onder de foto.

U hebt er zelfs een woord voor uitgevonden.
‘Ik wil vertederingsconcerten brengen. Dat vinden de mensen wel mooi. Ik heb veel succes gehad in mijn leven. Muziek, mijn muziek, vertedert mensen helemaal. Het aspect van verbroedering zit er ook wel in. Maar het gaat om vertedering. Ik had een leuk leven door die vertederingsconcerten te geven. Ik was ook geen slecht pianist hoor.’

Iemand heeft u als journalist wel eens dorpsgek genoemd. In Eik en Linde sprak u mensen altijd meteen aan om de krant uit te venten. Sommigen doken onder tafel om uw eindeloze verhalen te ontlopen.
‘Ja, dat geloof ik graag. Niet velen kenden mij als musicus. Als journalist kende iedereen me. Maar verbaal contact met mensen is me niet ontgund hoor. Het klopt, ik heb mezelf de eretitel Binnenhofnar gegeven.’

Binnen-hofnar of Binnenhof-nar?
‘Tja… mijn taalgevoel was niet slecht ontwikkeld. Ik reis nog steeds naar Den Haag, heb dat er nog voor over. Onderweg in de trein verkocht ik de krant ook. Het was maar een blaadje van niks, maar dat was het leuke juist. Ik had meer vrienden dan lezers, zei ik altijd. Toch had ik er altijd wel tweehonderd bij me, soms vijfhonderd. Ik zei dat ze verzamelwaarde hadden, dan kochten de mensen ze eerder. Ik fotokopieerde ze tweezijdig hier in de buurt. Dat kostte wel wat, maar het kwam er wel weer uit. Ik vroeg één-vijftig per exemplaar dacht ik, later een euro. Ik heb ze hier nog allemaal in de kast staan.’

U was goed met Mark Rutte, maar jullie hebben uiteindelijk nooit samen piano gespeeld.
‘Zouden we wel doen ja, maar hij durfde niet. Dat sloeg nergens op vond ik, want hij speelt niet slecht. We hadden het best kunnen doen. Hij wou eigenlijk ook pianist worden. Zat ik hem voortduren mee te pesten. Wat een soort vriendschap opleverde.’

Hebt u nog partijpolitieke voorkeuren ontwikkeld?
‘Ik was lid van de Partij van de Arbeid, maar deed er niet zoveel aan. Ik stelde bovenaan dat er meer aan muziek moest worden gedaan.’

U was zelfs PvdA-kabouter.
‘Mooi hè? Ik behoorde mede daardoor al tot de bekende Nederlanders. Nog ben ik niet volledig onbekend. Dat was ook nuttig: je kon je mooiste muziekstukken uitdragen.’

Hoe gaat het nu met u? Hebt u nog veel contacten? U fietst nog, bent gezond.
‘Dat kan ik wel zeggen, ja. Tenminste, geestelijk misschien ben ik…. gek. Nou ja, dat valt wel mee hoor. Ik kan het nog goed vertellen. En ik heb veel levensvreugde, zeker. Behalve Gerda heb ik een vriendin in Den Haag die ik wekelijks zie.’

Ik heb wel eens gedacht, U bent de Izzy Stone van de Nederlandse journalistiek. Hij had ook een eenmanskrant, de I.F. Stone’s Weekly.
‘Stone… een bekende hè? Wat grappig. Ik herinner me niet dat ik hem gekend heb.’

Wat zijn de leuke dingen waaraan u nog weleens terug denkt?
‘Ik ben ook getrouwd geweest hè. Ik weet niet eens meer precies hoelang het heeft geduurd. We hebben nog een dochter ook. Die zie ik nooit meer. Mijn ex-vriendin komt nog wel eens, ja. Dan blijft ze zitten tot ze volgevr…. geten is met een bak koekjes, met alle zoetigheid die ze zelf meebrengt maar die ik niet mag hebben. Ik krijg nu vervelende injecties. Er komen nogal veel mensen van de gezondheidszorg langs hier. Ik ben in vertrouwde handen.’

Als ik dat zo hoor hoef ik geen laatste vraag meer te stellen. Wat is daarop uw antwoord?
‘Nou, da’s wel rustig dan. Het getuigt ervan dat The Daily Invisible wel enige bekendheid heeft gekregen. Dat ie niet voor niks gemaakt is. Hij hoort wel tot de geschiedenis, hoor. Wat je verwacht van zo’n blaadje, of eigenlijk niet verwacht: dat het toch veel indruk heeft gemaakt. Bij de nodige ministers-presidenten.’

Ik probeer het nog één keer: wat was de rode draad in uw leven?
‘Dat The Daily Invisible uitkwam. En dat pianospel. Daarmee ben ik toch maar doorgegaan. Morgenochtend heb ik weer les. Ik heb het niet zo slecht gehad moet ik zeggen. Een karaktereigenschap is dat ik wel nieuwsgierig ben. Blijmoedig? Zou wel kunnen, ja. Inderdaad, ik ben wat vergeetachtig. Maar als je even nadenkt komt het wel weer boven. En als je nou vraagt, wat ben je, dan ben ik meer pianist dan journalist. Dat is ook wel gebleken.’

2 reacties

Om te reageren moet je een Villamedia Account hebben en moet je eerst ingelogd zijn.

  1. 1. Tieleman van Rijnberk, 22 oktober 2018, 19:34

    Wat een schat van een man toch.
    Zijn die er nog?

  2. 2. Wim Guiking, 29 oktober 2018, 12:16

    En zo blijkt maar eens: ook zonder rode draad in je leven kun je gelukkig en beroemd, nou ja, bekend zijn.

COP Bladenmaken

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.