— woensdag 13 mei 2026 10:45 | 0 reacties , praat mee

Persvrijheidslezing Thomas Erdbrink: Wat in de politiek al is gebeurd, gebeurt nu ook bij ons, journalisten

Persvrijheidslezing Thomas Erdbrink: Wat in de politiek al is gebeurd, gebeurt nu ook bij ons, journalisten
Thomas Erdbrink tijdens de Persvrijheidslezing - © Paul Teixeira

Dinsdagmiddag heeft journalist Thomas Erdbrink in Den Haag de Persvrijheidslezing 2026 uitgesproken. Hij reflecteert op het vraagstuk of internationale journalisten nog onafhankelijk verslag kunnen doen vanuit landen waar de ruimte voor vrije journalistiek blijft krimpen. En als dat niet meer kan, wat betekent dat dan voor de internationale verslaggeving? Hieronder is de integrale tekst te lezen. Laatste wijziging: 13 mei 2026, 11:18

We rijden door Teheran. Lange autobanen in een stad van twaalf miljoen mensen. Het is oorlog en iedere avond weer gaan we slapen met de gedachte, straks is het zo ver, straks komen de bommen weer naar beneden. Billboards langs de snelweg tonen portretten van lachende schoolkinderen. ‘Murdered by America and Israel’, staat erboven.

Verderop, als we onder een brug doorrijden, hangt een andere poster: doodskisten in de kleuren van de Amerikaanse vlag die drijven op het blauwe water van de Perzische Golf. Er zijn weinig mensen op de weg. Newsha, mijn vrouw, tuurt in de verte, juist net nu zijn de koplampen van de auto stuk gegaan. Waar vind ik een garage die open is, en die dit type lichten nog in de opslag heeft? Bij een tankstation vraagt iemand aan de pomp tegenover me: ‘Wanneer houdt deze oorlog op?’

Als we thuis zijn, vinden we een van de katten in een kast. Ze heeft net drie kittens ter wereld gebracht. Mijn schoonmoeder is woest! Hadden we maar kinderen gekregen in plaats van die harige katten.

De afgelopen weken was ik in mijn tweede thuisland Iran, nummer 177 op de lijst van inventarisatie van de persvrijheid van 180 landen. Bijna helemaal onderaan. Zelfs Rusland staat nog vijf plaatsen hoger. Ondanks het feit dat ik van de lokale machthebbers al sinds 2019 niet meer in Iran mag werken als journalist, wilde ik toch – half stiekem – weer columns voor de Volkskrant gaan schrijven over de oorlog. Mijn inschatting was dat ik daar toch wel mee weg zou komen.

Voor een journalist is het essentieel om ter plaatse te zijn. Afstand vertroebelt alles. Ter plaatse zie je de context. Hoe gebruikt de staat zijn geweldsmonopolie? En hoe gaan mensen daar in het dagelijks leven mee om? Dat en veel andere kanten van inwoner zijn in een autoritair land fascineren me.

Verdachtmakingen
De sfeerbeschrijving waar ik net dit verhaal mee begon, had het begin van zo’n column kunnen zijn. Net als onze reis naar Teheran, via Turkije, over het land, langs kapotgeschoten fabrieken en nog wel volle supermarkten. Of mijn kriskras door de stad voerende missie om mijn uitreisvisum in Teheran te krijgen, zo nodig om hier – vandaag – voor u te kunnen spreken.

Ik woon als buitenlander in Iran op een huwelijksvisum, wat betekent dat ik zonder toestemming van mijn vrouw en de autoriteiten het land niet uit mag. Uiteindelijk vond ik de verantwoordelijke ambtenaar achter een bureau, midden in een park in Teheran-Zuid. Triomfantelijk zei hij: ‘We werken niet meer op kantoor, dan kunnen ze ons ook niet bombarderen. Het zonnetje schijnt, lekker veilig zo.’

Toen ik eenmaal wilde gaan schrijven, voor de krant, voor deze speech, waren er allerlei praktische obstakels. Om te beginnen had ik, zoals alle Iraniërs, geen internet. Op mijn laptop heb ik geen Word en op de cloud kon ik dus niet. Dus ik ging schrijven in Notes op mijn iPhone. Wellicht zou ik later wel ergens internet vinden.

Maar mijn echte probleem was fundamenteler: namelijk dat mij, bij iedere zin die ik schreef, een gevoel van zorg bekroop. Of misschien wel angst. Niet voor de Iraanse autoriteiten, maar voor de georganiseerde verdachtmakingen vanuit Nederland. Een land dat glorieus op nummer 2 staat van de persvrijheid lijst, net na Noorwegen.

Als ik schrijf over dat billboard met de tekst Murdered bij America and Israel, dan is dat tegen de zere schenen van sommige Iraniërs (zeker in de diaspora in Nederland), want die vinden dat juist de Iraanse leiders verantwoordelijk zijn voor deze oorlog. Daarnaast brachten diezelfde Iraanse leiders in januari zelf duizenden tot tienduizenden burgers om. Volgens de staat zijn er 3.117 mensen omgekomen, volgens oppositiegroepen wel 45 duizend. Duidelijker kan ik ook niet zijn, er kan geen onafhankelijk onderzoek plaatsvinden in Iran.

Dagelijkse zaken
Dan die schoolkinderen, op het andere billboard: er kwamen 175 kinderen om bij het bombardement van Amerika op een meisjesschool in de zuidelijke Iraanse stad Minab. Maar er is een groep Iraniërs die, ondanks het overduidelijke bewijs, juist zegt dat de Iraanse revolutionaire garde zelf deze schoolkinderen heeft omgebracht, in een complot om Amerika voor schut te zetten.

Moet – of mag – ik de man bij het tankstation citeren, die zegt dat de oorlog op moet houden? Volgens velen in de diaspora willen ‘alle Iraniërs’ juist meer bommen, zodat het regime valt. Er zijn zeker mensen in Iran die dit ook vinden. Tegelijk is Iran een samenleving met veel meningen. En zodra die bommen echt vielen, veertig dagen lang, veranderden veel mensen van hun mening. Oorlog bleek in werkelijkheid vreselijker te zijn dan sommige enthousiaste promoters hadden voorgespiegeld.

Katten en schoonmoeders zijn ook taboe, voor sommigen. Die lijken te denken dat een ‘normaal’ leven binnen een autoritair land simpelweg onmogelijk is. En dat je, als je alledaagse zaken opvoert in je column, of speech, daarmee dus het repressieve regime legitimeert.

Belangrijk detail: veel van de mensen die zich boos maken over wat ik wel of niet schrijf, wonen zelf in Nederland. Ver weg van de onderdrukking, soms zonder ook maar enige ervaring te hebben met die onderdrukking, nemen ze de maat.

Voor mij is dat alledaagse leven juist essentieel, want het raakt de kern van mijn werk, in Iran maar ook daarbuiten. Ik probeer te laten zien hoe mensen leven in autoritaire landen, hoe mensen leven onder de beslissingen, die worden genomen door hun eigen leiders, of andere leiders, die ook nog eens het geweldsmonopolie hebben. Daarbij probeer ik de verhalen altijd door elkaar te weven, zoals ik het ook echt dagelijks ervaar. Vreselijke dingen bestaan nu eenmaal naast dagelijkse zaken. En ik bericht over beide.

Rode vlaggen
Mijn vrienden in de gevangenis, mijn schoonmoeder die een kleinkind wil, de coffeeshop om de hoek en de geestelijken met vuisten in de lucht – zo samen beschouwd vormen ze een dwarsdoorsnede van de waarheid, of een poging daartoe. Mijn poging. Waarbij ik altijd hoop de interpretatie bij de lezer zelf te leggen, in plaats van die voor te kauwen.

Maar ik moet eerlijk zeggen, een paar weken geleden, halverwege mijn eerste column over de oorlog in Iran, zag ik alleen nog maar rode vlaggen. Los van de online woede, die standaard is, zijn er ingezonden brieven van mensen die beter weten hoe de wereld in elkaar zit, plus de columns. Als ik over Iran schrijf is er altijd woede van rechts, want ‘islam = slecht!’. Dat er in Iran momenteel een seculiere renaissance plaatsvindt, die de islamitische wereld blijvend zal veranderen, maakt ze niet uit. Of ze weten het niet.

Kritiek is prima. Kritiek houdt journalisten – en eigenlijk iedereen – scherp. Maar wilde verdachtmakingen kennen een ander effect. Die plaatsen de journalist direct in een kamp. Ik zal een paar voorbeelden geven, noem het een beknopte bloemlezing.

‘Thomas is een agent voor de geestelijken!’ Altijd een classic, want jarenlang werd ik er in Iran juist van beschuldigd een agent voor de Amerikanen te zijn. ‘Erdbrink schrijft niet over onderdrukking!’ Ik heb – en dat is natuurlijk ook gewoon aantoonbaar – juist met grote regelmaat over die onderdrukking geschreven, en erover gesproken, en het laten zien.

Een andere populaire is: ‘Erdbrink is bang voor de veiligheid van zijn schoonfamilie!’ Maar als dat zo is, waarom schrijf ik dan zo vaak dat uitgerekend mijn schoonmoeder zo’n hekel heeft aan de geestelijken en dol is op Trump?

Speelruimte voor journalisten wordt kleiner
Deze verdachtmakingen worden vaak beargumenteerd door copy-pastewerk van zinnen die ik heb gezegd of geschreven, zonder enige context, zonder verwijzingen. Alles om het activistische doel te dienen.

En zo, terwijl ik zat te schrijven, aan die column of deze speech, dacht ik aan de energie die ik toch weer kwijt zou zijn hieraan, zelf al negeer ik het zoveel mogelijk. Ik herinner me hoe ik tijdens mijn tijd bij de New York Times ook door buitenlandse overheden ben aangepakt, als onderdeel van professionele online desinformatie-operaties.

En toen – voor het eerst in mijn bijna dertigjarige carrière als journalist – dacht ik, laat ook maar zitten eigenlijk, die columns vanuit Iran onder de bommen.

Zelfcensuur. Maar ironisch genoeg niet vanwege het regime, maar vanwege het feit dat mijn verhaal in Nederland niet meer op kan tegen de beeldvorming en verzuipt in een stroom van verdachtmakingen. Dit geldt niet alleen voor mij, of alleen voor correspondenten, maar voor alle serieuze journalisten. Ik denk dat wij hier allemaal meer en meer te maken hebben, in meer of mindere mate.

Persvrijheid bestaat ook bij de mate van speelruimte voor de journalist. En ook al staan we in Nederland op nummer 2 (wij zijn ook nooit eens nummer 1!), die speelruimte is steeds kleiner geworden.

Activistische journalistiek
Mijn vertrekpunt, bij alles wat ik doe, is de klassieke journalistiek: erbij zijn, hoor en wederhoor, observeren, complexiteit tonen, menselijke ambiguïteit laten zien en interpretatie aan de lezer overlaten. Daartegenover staat de onontkenbare opkomst van activistische of morele journalistiek. Dader en slachtoffer zijn hierin zo duidelijk als zwart en wit, moreel goed en fout worden expliciet benoemd en neutraliteit wordt gezien als zwakte. Ter plekke zijn is niet een vereiste.

De invloed van activistische journalistiek neemt toe. De begrippen ‘links’ en ‘rechts’ lijken in ons publieke discours soms wel de plek te hebben ingenomen die religie een paar decennia geleden had. Binnen hun eigen ‘zuil’ – voor diegenen die kiezen daar deel van uit te maken – hebben journalisten opeens wel ‘de waarheid’, of het morele gelijk, door een van de twee ideologieën aan te hangen. En voor de duidelijkheid, ik heb het hier niet alleen over rechts, maar ook over links. Beide bouwen hun eigen ecosystemen, voor een publiek dat bijna nooit meer met de andere zuil in aanraking komt.

Het is wellicht een natuurlijke reactie, in lijn met de polarisatie die overal waarneembaar is, maar de gevolgen zijn verregaand. Niet alleen is er minder streven naar objectiviteit, het aanbod wordt ook schraler. Voor beide groepen geldt steeds vaker: het geluid van ‘de ander’ dient niet te worden gehoord, maar te worden afgebrand.

Wat in de politiek al is gebeurd, gebeurt nu ook bij ons, journalisten. Aanvallen over en weer worden harder, persoonlijker.

Dalend vertrouwen in journalistiek
Kijk niet raar op als volgend jaar weer een onderzoek concludeert dat het algemene vertrouwen in de journalistiek is gedaald. De loyaliteit binnen de bubbel neemt misschien toe, maar als conclusies vooraf al vaststaan en verontwaardiging selectief is, stoppen veel mensen met lezen, luisteren en kijken.

In 2023 gaf correspondente Step Vaessen de Persvrijheidslezing. Haar glasheldere betoog voor diversiteit van meningen in de journalistiek staat ook vandaag de dag nog helemaal overeind. Ze vatte perfect samen wat mij ook opviel toen ik weer in Nederland ging wonen: er zijn wellicht wel veel meningen, maar ze zijn binnen de twee groepen allemaal vaak redelijk hetzelfde. Voor diegenen die buiten de lijntjes van de bubbels kleuren, is er geen plek.

In 2020 keerde ik, na negentien jaar correspondent te zijn geweest in Iran, terug naar Nederland. Het was een dieptepunt in mijn leven. De Iraanse autoriteiten hadden mijn persaccreditatie ingetrokken. Ook was er een rechtszaak, die ik weliswaar won, maar als ik wilde blijven werken als journalist, moest ik alles wat ik had opgebouwd achter me laten en weg. Mijn werkgever, The New York Times, besloot me te promoveren tot Northern Europe Bureau Chief, met Scandinavië en Nederland als werkgebied.

Nederland moeilijk om in te werken
Nederland mag dan wel op de tweede plaats in de Persvrijheid Lijst staan, ik vond het bijzonder moeilijk om er te werken. Bij straatinterviews hadden velen vaak geen goed woord over voor ‘de media’. In het Midden-Oosten ben ik vrijwel nooit agressief bejegend tijdens interviews. Bij mensen met verantwoordelijkheid, politici, bestuurders en leidende culturele figuren, viel me op dat er vaak angst was om ‘iets verkeerds te zeggen’.

Na bijna 25 jaar in autoritaire landen, waar de verkeerde woorden echte gevolgen kunnen hebben, vond ik dat eerst nogal potsierlijk. Maar al snel ging ik het beter begrijpen. In Nederland was de angst niet voor de staat, maar voor elkaar, voor de eigen culturele bubbel. Je hoort erbij, of niet. En wie daarbinnen ‘verkeerde’ dingen zegt of doet, kan erbuiten vallen.

Dat is in veel landen zo, en elders ter wereld is dit veel en veel erger. In Irans autoritaire politieke systeem hebben ze een uitdrukking voor deze denkwijze, je bent ‘khodi’, ‘een van ons’ of ‘kheire khodi’, een buitenstaander. Het mag duidelijk zijn dat je als ‘kheire khodi’ nooit enige invloed hebt. In de Verenigde Staten is het ook extreem, wellicht verwoordde president George W. Bush de Amerikaanse invulling van goed en fout het beste ten tijde van zijn invasie van Irak: ‘You’re either with us, or against us.’

Er is geen midden.

In Nederland is dat natuurlijk veel minder erg en veel subtieler. Aan de redacteuren van The New York Times hoefde ik ons internationaal bekende begrip ‘poldermodel’, waarbij diverse meningen tot een compromis komen, niet uit te leggen.

Compromis
Dat model, compleet ter ziele gegaan in de dagelijkse politiek, is bij velen in de media nog springlevend. Veel wordt afgevlakt en afgesproken, merkte ik. Bij interviews waren altijd de voorlichters aanwezig – soms meerdere tegelijk, bij de talkshows werden de vragen van te voren doorgenomen. En na iedere binnengehaalde quote kwam steevast de vraag: ‘Laat je het nog even lezen?’ Het artikel als samenwerking, als compromis. We spreken dat niet uit, maar de discussie tussen journalist en geïnterviewde gaat vaak over de scherpe randjes van het gesprek, daar waar passie en eerlijke meningen voor verdieping zorgen.

Als buitenlands correspondent in eigen land was dat echt een probleem voor mij. Elders ter wereld is dit ‘compromis’ namelijk niet de norm. De ‘standards’-afdeling van The Times, hun ethische vraagbaak, was hier dan ook faliekant tegen inzage geven, maar in Nederland was het een automatisme, onderdeel van de cultuur. Wat kon ik doen? Ik koos voor een ‘Iraanse’ oplossing. Een weg van de minste weerstand. Uiteindelijk liet ik quotes en soms artikelen heimelijk aan Nederlandse geïnterviewden lezen, omdat er anders geen beginnen aan was.

‘De ander’
Deze mores werkt wellicht in tijden van rust, maar covid brak uit en alles werd anders. Politiek en media trokken opeens grotendeels gezamenlijk op in de strijd tegen het virus. Het was immers een noodsituatie, zeiden politici en media kopstukken.

Maar hierdoor werden wel veel mensen opeens ‘de ander’, namelijk al diegenen die het om wat voor reden dan ook niet eens waren met dit beleid. Natuurlijk deden die mensen op hun beurt vervolgens precies hetzelfde en maakten van de regering, media en diegenen die het beleid wél volgden ook ‘de ander’.

Iedereen kan zich vast nog herinneren hoe diep de scheidslijn in ons land, onze samenleving en zelfs binnen families als gevolg hiervan werd. Hoe pijnlijk de gevolgen waren van het wegzetten van mensen op basis van hun keuzes, als de ander.

Ik denk dat de coronatijd een model is geworden voor hoe we tegenwoordig problemen in onze samenleving bespreken.

Voor de duidelijkheid. Dit was een voorbeeld. Ik probeer hier niet – dat zou ook een beetje laat zijn – een kant te kiezen in het coronadebat, ik geef het voorbeeld omdat het dicht bij huis is. Ik zal voor de vorm ook maar uitspreken dat ik me zeker wel heb laten vaccineren destijds, om niet direct ook te worden weggezet.

Als ik de kritiek op mijn werk in Iran, in het Midden-Oosten, leg naast de kritiek op de Videoland-serie die ik in Rusland maakte met Roel van Broekhoven en Jackó van ‘t Hof en Dennis Kersten, valt mij op dat je de kern in één zin kunt samenvatten: de stem van de ‘ander’ mag eigenlijk niet worden gehoord.

Werklijkheid
Die ‘ander’ kan vele gedaanten aannemen, altijd is het iemand, of een idee, of een land waar we het niet mee eens zijn. Het kan iemand uit de links-rechtsbubbel zijn, maar ook het Iraanse regime. Als we ons al inlaten met de ander, kiezen we zelf het geschikte moment. Dan doen we dat alleen vanuit onze eigen morele bubbel, van waaruit wij de maat nemen. De ander dient daaraan te voldoen.

Natuurlijk zijn Roel en ik ons ervan bewust dat we met ‘Onze Man bij de Vijand’ geen perfecte serie hebben gemaakt, dat kan ook niet. En dat waren de andere documentaires ook niet. Maar we hebben ook deze serie naar eer en geweten gemaakt. Ik voel ook de pijn van collega’s die ‘hun’ land hebben verlaten, ik heb het zelf ook meegemaakt. Tevens snap ik dat sommigen vreselijke dingen hebben gezien in het land dat slachtoffer is van de Russische agressie, Oekraïne.

De vijand, in dit geval Rusland, is wellicht de ultieme ander. Geen andere situatie dan een oorlog zet alles zo op scherp. De angst en zorgen die oorlog meebrengt vragen om morele duidelijkheid, maar kunnen onze perceptie ook vernauwen. Hoe langer het duurt, hoe helderder alles lijkt te worden. Het wordt ‘wij’ versus ‘zij’, civilisatie versus barbarij. ‘Oceania versus East Asia’, waarin de vijand het absolute kwaad is, waar we concluderen dat we er eigenlijk altijd al mee in strijd hebben geleefd, en waar de vijand op een of andere manier tegelijkertijd angstaanjagend én zwak is.

Maar dat is niet de werkelijkheid, voor een klassieke journalist zijn niet alle Russen Poetin. En Russen leven in een dictatuur, hoe kunnen we ze dan verantwoordelijk houden voor de beslissingen genomen door hun leider? Het feit alleen al dat wij bij die ander waren gaan kijken, was voor sommige mensen al voldoende om het werk weg te zetten als ‘Kremlinpropaganda’.

Verdrietig
Dat vijftien ondertekenaars – journalisten, schrijvers en activisten – in een brief aan de NVJ hun zorgen uitspreken over mij als spreker dit jaar, vond ik niet alleen tekenend voor deze tijd, maar toch ook verdrietig. De meeste ondertekenaars hadden nog niet zelf naar de serie gekeken, voor ze hun oproep deden.

Is deze lezing de juiste plek om in te gaan op hun argumenten? Daar heb ik over getwijfeld. Tegelijkertijd wil ik niet de suggestie wekken dat wij weglopen voor de kritiek.

Ik zal daarom de argumenten uit hun ‘brandbrief’ puntsgewijs behandelen.

Een tolk zou hebben ‘gestuurd’ in haar vertalingen, stellen de ondertekenaars, maar juist die vertalingen lieten wij na iedere draaidag controleren door een wisselend team van Russischtalige vertalers in Nederland, die nul bewuste fouten hebben ontdekt.

Verder stellen ze dat een van de drie producenten in dienst zou zijn van de propagandazender RT. Dat is niet zo. Wel heeft hij een film over de Russische geschiedenis gemaakt, die in 2017 te zien was op RT, ver voordat die zender in 2022 in Europa werd verboden. Buiten dat, bepalen wij zelf wat en wie we wel of niet filmen, en niet de producenten.

Tot slot, vermeldt hun brief ons interview met de Russische politica en voormalige spionne Maria Butina: zij zou ons hebben ‘geholpen’ met de serie. Maar sinds wanneer staat geïnterviewd worden gelijk aan het ‘helpen’ van de journalist?

Na deze drie argumenten bij elkaar te hebben opgeteld, is de eindconclusie in hun brief: ‘Erdbrink omringt zich met Poetin-getrouwen.’

Onafhankelijk denken
In haar boek ‘Regarding the pain of others’ beschrijft Susan Sontag hoe beelden van oorlog ons besef van het lijden van anderen vormen, maar dat die beelden het tegelijkertijd ook vervormen, vereenvoudigen en op afstand plaatsen. Haar boek is een verlengde van haar fameuze New Yorker-essay dat ze vlak na de aanslagen van 11 september schreef, waarin ze Amerikaanse intellectuelen een spiegel voorhield.

‘Gooi je onafhankelijk denken niet overboord tijdens momenten van collectieve emotie’, was haar boodschap aan hen.

Als klassieke journalist blijf ik mezelf kritisch bekijken, juist na dit werk. Maar ik hou mijn publiek ook graag een spiegel voor. In dit specifieke geval hoop ik dat de briefschrijvers ooit, misschien als de oorlog voorbij is, onze serie weer eens terugkijken. En zich dan nog eens afvragen: was dit nou écht de propaganda waarvoor ik de Nederlanders moest waarschuwen? Was het écht nodig om restricties te eisen bij een toespraak over persvrijheid door een journalist? Of… was het simpelweg te confronterend om de ander te zien?

NVJ LID 26-05

Tip de redactie

Logo Publeaks Wil je Villamedia tippen, maar is dat te gevoelig voor een gewone mail? Villamedia is aangesloten bij Publeaks, het platform waarmee je veilig en volledig anoniem materiaal met de redactie kunt delen: publeaks.nl/villamedia

Praat mee