— maandag 16 juni 2014, 14:08 | 0 reacties, praat mee

Journa­listen moeten elkaar serieus gaan nemen

De traditionele journalistieke cultuur belemmert noodzakelijk samenwerking tussen oude en nieuwe media. Crossmedialiteit vereist een gelijkwaardige onderlinge relatie tussen journalisten en juist daaraan ontbreekt het op redacties, zo concludeert Klaske Tameling op basis van haar proefschrift naar crossmediale journalistiek.

Aan het begin van deze eeuw voorspelden wetenschappers en mediaprofessionals de backpackjournalist nog een mooie toekomst: de verslaggever als journalistieke homo universalis. Bepakt en bezakt met audiovisuele apparatuur én een kladblok zou een journalist bij elke nieuwsgebeurtenis verslag kunnen doen in tekst, beeld en geluid. Het liefst zonder te tornen aan de kwaliteit van de berichtgeving. Het bleek inderdaad te mooi om waar te zijn. Een televisieverhaal maken doe je niet met pen en papier in je hand, maar met een microfoon. Een radioverslag is geen televisieverhaal zonder plaatjes.

De multimediale journalist die in zijn eentje meerdere platformen tegelijkertijd bedient, maakte plaats voor het crossmediale model: de geïntegreerde redactie. De muren tussen print en online, of tussen radio, televisie en online verdwenen en er werd één gemeenschappelijke nieuwsvloer gecreëerd. Verslaggevers en redacteuren van voorheen gescheiden media verzorgen met elkaar de berichtgeving voor meerdere platforms. 

Het is een lastige taak – traditionele media in de lucht houden én nieuwe media ontwikkelen – waardoor samenwerking onontbeerlijk is. Journalisten brengen nieuws op steeds meer platformen. Naast websites, komen daar ook nieuwe mobiele applicaties bij kijken. De lat voor online berichtgeving komt hoger te liggen: het nieuws moet zo snel mogelijk online, de kwaliteit mag er niet minder om zijn én de verhalen vragen om een mooie vormgeving. Hoofdredacties zetten in op een online toekomst met strategieën zoals internet- en digital first. Maar traditionele massamedia bereiken nog steeds een groot publiek en deze verdienen ook de volle aandacht van de redactie. Het Achtuurjournaal trekt grote aantallen kijkers en er zijn nog voldoende abonnees om het krantenbedrijf draaiende te houden. Dat zorgt voor een terugkerende spagaat – inzetten op oude of nieuwe media? – waar hoofdredacties en uitgevers mee worstelen.

De geïntegreerde redactie biedt het voordeel dat de aandacht voor alle platformen continu kan worden afgewogen. Verslaggevers kunnen samen met internetredacteuren, (interactieve) vormgevers en eindredacteuren werken aan verhalen voor alle beschikbare media. Een internetredacteur hoeft inhoudelijk niet even goed op de hoogte te zijn van een onderwerp, maar begrijpt wel beter de wetten van online. Een (interactieve) vormgever of beeldredacteur zorgt ervoor dat verhalen toegankelijk en aantrekkelijk worden gepresenteerd. Een eindredacteur zorgt ervoor dat een verhaal foutloos in de krant of op het web komt. In deze hectische tijden zou een journalist veel baat hebben bij al deze aanvullende kennis en kunde van collega’s.

Ik schrijf ‘zou’, want in de praktijk komt er weinig terecht van deze crossmediale kruisbestuiving. Hoofdredacties schreven de afgelopen jaren de nodige beleidsplannen met daarin de terugkerende wens om redacties beter te laten samenwerken. Eerst verzochten ze iedereen vriendelijk en later ook dwingend om nu toch echt iets met internet – en dus met hun internetcollega’s – te doen. Zonder dat altijd duidelijk is, wat dat ‘iets’ zou moeten zijn. Uit de recent gepresenteerde Twitter-geboden van de Volkskrant spreekt zo’n zelfde verplichtende toon: u zult twitteren, of u het nou leuk vindt of niet. Niet iedereen omarmt uit vrije wil die digitale toekomst, dat is duidelijk. Online moet een centrale plek innemen op nieuwsredacties, maar ondertussen is er niemand die de internetredacteur benijdt.

Het Journaal of de krant domineert het journalistieke debat tijdens reguliere nieuwsvergaderingen. Verhalen voor televisie, radio en print hebben het imago van kwaliteit en diepgang. Online wordt geassocieerd met korte en snelle berichtgeving: vluchtig, speculatief en weinig journalistiek (alhoewel de opmars van de longread daar enige verandering in lijkt te brengen). De ingezette strategie laat internetredacteuren vooral veel verhalen van anderen online zetten en dat in een hoog tempo. Zij vinden deze werkzaamheden zelf eveneens weinig journalistiek. Het gevolg is dat de berichtgeving voor online niet alleen wordt gezien als secundair, maar ook de collega’s van de internetredactie.

Deze stroeve samenwerking is niet alleen aan de orde tussen traditionele massamedia en online. Ook de eindredacteur staat laag in aanzien op een gemiddelde krantenredactie. In de beleving van een verslaggever is dit bijna nooit iemand die een artikel foutloos en beter leesbaar maakt, maar iemand die slechte koppen maakt of cruciale informatie uit het stuk sloopt. Verslaggevers van de krant vinden radiocollega’s oppervlakkiger en minder inhoudelijk dan zijzelf. Terwijl Mark Deuze, hoogleraar Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam in zijn oratie van 25 april jl. hoopvol sprak over de toename van inspirerende nieuwe samenwerkingsvormen buiten én binnen de huidige nieuwsredacties, kwam ik tijdens mijn onderzoek tot de conclusie dat de interne samenwerking juist gering is. In de gesprekken die ik voerde met journalisten en als toeschouwer van het dagelijkse nieuwsproces, viel het me op dat de nadruk vooral ligt op de verschillen tussen de redacties en minder op de overeenkomsten, gemeenschappelijke normen en waarden of aanvullende vaardigheden en kwaliteiten.

Waarom komt die samenwerking nauwelijks van de grond als je in theorie zoveel aan elkaar kan hebben? Een medium en een functie gaan gepaard met een eigen traditionele cultuur. Het weghalen van een paar muren of het implementeren van gezamenlijke redactiesystemen en crossmediale coördinatoren zorgen er niet meteen voor dat er zoiets als een gemeenschappelijke cultuur ontstaat. Een van de ruim 100 journalisten die ik sprak voor mijn onderzoek verwoordde dat als volgt: ‘Je vraagt aan een fabriek om zowel koekjes, auto’s als mobiele telefoons te maken en dan vraag je van mensen ook nog om eenzelfde taal te spreken.’ De mensen weten kortom niet van een andere medium wat de beperkingen en mogelijkheden zijn, dat maakt het lastig.

De crossmediale coördinatoren – die in het leven geroepen zijn om redacteuren en ideeën samen te laten komen – hebben in de praktijk vooral aandacht voor het medium waar ze zelf jarenlang voor hebben gewerkt. Dit medium is bekend en vertrouwd, daar kunnen ze goed mee uit de voeten. Online journalistiek brengt andere eigenschappen, een andere aanpak en dus ook andere functies en specialisaties met zich mee. Collega’s die het hebben over taggen, die clicks in de gaten houden en werken met onbekende Content Management Systemen. Het gebrek aan kennis over een nieuw platform of een andere werkwijze is een onoverkomelijk gevolg van een professie in ontwikkeling. Journalisten moeten alleen wel bereid zijn om een nieuwe taal te willen leren spreken.

Een opmerking die Sterre Sprengers, beeldredacteur van De Correspondent, onlangs maakte tijdens haar presentatie op de Grote Zelfstandigendag van de NVJ, illustreert hoe een nieuwe redactie meteen een andere cultuur met zich meebrengt. Zij gaf aan dat de samenwerking tussen de schrijvende redacteuren en de fotografen stukken beter verloopt op de redactie van De Correspondent dan dat ze eerder zelf bij een krant had meegemaakt. Als beeldredacteur brengt zij beide partijen nu al in een heel vroeg stadium met elkaar in contact zodat er producties ontstaan die elkaar ook daadwerkelijk aanvullen. Bij de krant waren dat altijd twee gescheiden werelden.

Sprengers leek de verklaring voor dit verschil te zoeken in het type platform: online vraagt om een andere werkwijze. Ik denk dat het vooral aantoont dat er sprake is van een andere journalistieke cultuur. Deze journalisten hebben geen last van hiërarchie of traditionele patronen waarbij een collega ‘minder journalistiek’ of ‘anders’ bezig zou zijn. Ze willen met elkaar samenwerken omdat ze zien dat het verhaal of het product daar beter van wordt. De redactie van – in dit geval – De Correspondent representeert een nieuwe generatie journalisten zonder vastomlijnde opvatting van wat ‘echte’ journalistiek zou moeten zijn. Zij zijn bereid om een nieuwe, gemeenschappelijke taal te leren. Eerlijk is eerlijk, ze hebben daar ook meer ruimte voor omdat ze ‘slechts’ één platform hoeven te bedienen. Maar die ruimte hebben ze, onder leiding van Rob Wijnberg, wel zelf gecreëerd.

Het uitblijven van noodzakelijke samenwerking op nieuwsredacties betreft geen typische polderproblematiek. Het uitgelekte innovatierapport van de New York Times laat zien dat een traditionele krantenredactie een natuurlijke reflex heeft om in (voor)pagina’s te blijven denken. Eerdere Internationale onderzoeken van onder andere Jane Singer wijzen ook op een ‘cultural clash’. Een van Singers respondenten, werkzaam op een Amerikaanse nieuwsredactie, formuleert het verschil tussen verschillende media als volgt: ‘TV is the appetizer. The newspaper is the main course. The Website is the ­dessert.’

De – eveneens Amerikaanse – wetenschapper David Ryfe concludeert terecht dat een krant niet slechts het resultaat is van technologie, maar dat het maken van een journalistiek product gepaard gaat met een veelomvattend sociaal proces. Crossmedialiteit vereist een gelijkwaardige onderlinge relatie tussen journalisten, juist daaraan ontbreekt het op redacties. ‘Culture eats strategy for breakfast’, zo weet elke leidinggevende. Toch is er de afgelopen jaren meer aandacht uitgegaan naar productionele vraagstukken en verdienmodellen dan naar een veranderende journalistieke cultuur, inclusief die o zo noodzakelijke samenwerking.

Het is te eenvoudig om de schuld te zoeken bij individuele redacteuren of hoofdredacties. Zij zijn het resultaat van jarenlange professionalisering: de manier van organiseren en uitvoeren van het journalistieke vak. Wel zouden er beter gereflecteerd moeten worden op de vraag waarom gewenste veranderingen niet van de grond komen. Is er in de huidige organisatiestructuur wel ruimte voor crossmediale plannen? Hoofdredacties hebben nogal de neiging om ambitieuze, maar daardoor soms ook onuitvoerbare plannen over de redactie uit te storten.

In veel gevallen resulteert dit in meer werkdruk, nieuwe redactiesystemen en regels die journalisten ertoe verplichten om minimaal één verhaal per dag voor de website te maken. Dergelijke plannen creëren weinig mogelijkheden om te komen tot creatieve journalistieke producties met collega’s van andere platformen. Goed personeelsbeleid is een ander belangrijk aandachtspunt om samenwerking te bewerkstelligen. Het aannemen van de eerste de beste stagiair voor de internetredactie getuigt van weinig échte ambitie met betrekking tot online journalistiek. Hoofdredacties zouden een cultuur op redacties moeten proberen te creëren waar het leren centraal staat. Niet alleen redacteuren en verslaggevers moeten zich een nieuwe taal eigen maken, de leidinggevenden zelf ook.

In dit essay heb ik me beperkt tot crossmediaal werken tussen journalisten en redacties, maar samenwerking met de programmeurs van IT, medewerkers van marketing en sales en ‘marktonderzoekers’ van Business Intelligence, is minstens zo belangrijk. Het innovatierapport van de New York Times raadt niet voor niets aan om meer samen te werken met de ‘business side’. Nieuwe digitale nieuwsproducten komen tot stand door interdisciplinaire teams die zich buigen over journalistiek, vormgeving, verdienmodellen, marktonderzoek, en promotie. Die samenwerking zal nog meer aandacht en inspanning vergen, want deze mensen spreken ­helemaal een andere taal dan de ‘journalistieke’ ­collega’s van de redactie.

Klaske Tameling is sinds 2010 bezig met een promotieonderzoek naar crossmediale journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor dit onderzoek bracht zij meerdere maanden door op de nieuwsredacties van NOS Nieuws, de Volkskrant en de FD Media­groep en interviewde zij ruim 100 journalisten en leidinggevenden. Daarnaast werkt zij als freelance projectmanager voor Het Financieele Dagblad. Tameling is jurylid van de Villamedia Scriptieprijs en bestuurslid van de Stichting Vrouw & Media.  Dit essay is gebaseerd op promotieonderzoek waarop zij in het najaar aan de Universiteit van Groningen hoopt te promoveren.

Bekijk meer van

vernieuwing Dossiers

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.