Interviews laten accorderen. Hoe doe je dat?
Een interview voor publicatie geaccordeerd krijgen door de geïnterviewde is niet altijd gemakkelijk. Soms komen er ook PR-adviseurs, (politieke) woordvoerders en impresario’s van artiesten en andere BN’ers aan te pas. Joost van Kleef (Quote, Nieuwe Revu) deelt zijn ervaringen en spreekt een paar interviewende collega’s.
Dit artikel wordt met je gedeeld door NVJ-lid Rutger de Quay. Ook lid worden?
Het is allemaal begonnen met Youp van ’t Hek. En vooralsnog is ’t geëindigd bij Hans Dorrestein. Van ’t Hek interview ik, houd me ten goede, ergens in 2011. Ik was al sinds de zomer van 2001 (ik ben van 1978) als journalist verbonden aan Quote. Dus je zou kunnen zeggen: tien jaar lang ben ik journalist geweest zonder gedoe van geïnterviewden aan het mijn hoofd. Terwijl, ik tik en tikte zelden bandjes uit. Ik neem wel altijd alles op. Maar ik schrijf het gesprek meestal op basis van mijn aantekeningen – die ik ook maak, tijdens het interview – en bepaal daarna wat ik ga gebruiken en wat niet.
In mijn interviews staan zinnen die later gezegd zijn in de tijd, soms eerder in het geschreven interview. Ik voeg twee antwoorden soms samen tot één antwoord. Of drie tot één. Vragen formuleer ik soms anders, omdat ik op papier een lopend gesprek wil hebben waarin de antwoorden op elkaar aansluiten. Ook geeft iemand wel eens geen antwoord op de gestelde vraag, maar op een andere. Na gedane arbeid stuur ik het uitgewerkte interview naar de meneer of de mevrouw in kwestie.
In mijn tijd bij Quote interviewde ik voornamelijk Nederlandse (top)ondernemers. Als ik de tekst stuurde, werd er nooit gezeurd. Die denken waarschijnlijk van tevoren na over wat ze zeggen. En ze zijn veelal ook niet zo ijdel en zo gespitst op hun eigen imago. Hoe lekker rustig dat is, als mensen stevig in hun schoenen staan, weet ik sinds mijn interview met Van ’t Hek.
Gedoe over één woord
Van ’t Hek wilde zich door Quote, na lang aandringen, per mail te woord staan. Dat geschiedde. Ik stelde telkens drie of vier vragen, wachtte dan de antwoorden af, en als die er waren probeerde ik daar met een nieuwe mail bij aan te haken. Dat werd Van ’t Hek al snel te veel. ‘Ik wil een interview en geen mailuitwisseling.’ Oké. Het resultaat was ondanks de stroeve samenwerking nog best heel aardig, vond ook Van ’t Hek.
Tot hij een paar dagen later belde. ‘Boven het interview staat “Youp spreekt”. Dat moet worden: “Youp mailt”. Want wij hebben elkaar nooit gesproken. En “Youp mailt” is ook veel leuker dan “Youp spreekt”.’ Van ’t Hek had zeker een punt, laat ik dat voorop stellen. Alleen: Quote lag op dat moment al op de drukpers. Ik legde de situatie door de telefoon aan de cabaretier uit. Hij werd, in mijn herinneringen, opstandig, boos en vooral, onredelijk. Want de kop moest en zou worden gewijzigd.
Toen Van ’t Hek maar door bleef razen en ik voor de zoveelste keer uit probeerde te leggen, dat wat hij wilde, simpelweg niet meer kon, maakte ik een fout. Ik verloor mijn geduld. Ik gooide de hoorn op de haak. Ik was het zo zat. Dat gedrein. En ik was het ook helemaal niet gewend dat mensen boos werden op mijn werk.
Vallen en opstaan
Bij Quote heb ik na Van ’t Hek bijna nooit meer gedoe gehad met iemand over een interview. Toen ik in 2017 begon als freelancer voor onder andere Nieuwe Revu en Playboy, tikte ik ineens veel meer interviews en kwam er dus ook meer gedoe. Een interview is sowieso natuurlijk best gedoe, want er moeten meerdere mensen tevreden zijn met het resultaat. De geïnterviewde. Je hoofdredacteur. En jij. En vaak ook nog een stuk of wat flying monkeys, woordvoerders, PR-adviseurs, de manager van de BN‘er of een impresario.
Dat viel en valt niet altijd mee. Soms maak ik inschattingsfouten. Twee keer tik ik een interviewtape niet letterlijk uit terwijl dat kennelijk wel had gemoeten. Het betreft Paul Haenen en de eindeloos sympathieke Edwin Rutten. Veel gedoe leveren ook twee interviews op met makelaars die ik spreek voor mijn boek ‘De Makelaar’. Tegen mij lopen ze leeg over branchevereniging NVM. Als ik het interview in het boek wil opnemen, hangen ze allebei onmiddellijk aan de telefoon. Of hun naam uit het boek mag, want ze zijn bang om hun lidmaatschap van de NVM te verliezen. Theo Hiddema heeft er een handje van om zelfs middenin de nacht via WhatsApp nog betere antwoorden te verzinnen dan degene die hij al verzonnen had. Huub van der Lubbe is al in paniek als ik, bij gebrek aan een zichtbare impresario, een vriendelijk interviewverzoek per brief naar zijn huisadres stuur. Als het impresariaat van De Dijk belt, klinkt het: ‘Ja, Huub is nogal geschrokken van alles wat je bij hem naar binnen hebt gegooid.’
Onbegrip
Vond ik de reactie van Van der Lubbe al vreemd, die van Van ’t Hek overdreven en de makelaars helden op sokken, soms krab je je echt achter je oren om te bedenken: heb ik wat fout gedaan en zo ja wat? Ik had het laatst. Nieuwe Revu wilde graag een interview met Hans Dorrestijn, omdat de cabaretier aankondigde met zijn laatste theatertournee onderweg te zijn. Ik belde zijn impresario begin vorig jaar. Of Dorrestijn geïnterviewd wilde worden door Revu? Dat wilde Dorrestijn wel, maar dan per mail, want hij was 82, trad vaak op, was herstellende van een stroke en had daarom geen energie voor een live interview. Oké. Via de mail dan maar. Dat was tricky, want we moesten naar 3000 woorden toe. Revu is ingedeeld via een min of meer vast stramien en interviews tellen daarin 3000 woorden.
Ik bedacht vragen, het impresario stuurde ze door naar Dorrestijn en een week waren er antwoorden. Ik werkte het uit, en kwam tot 1500 woorden. Om de boel te rekken, formuleerde ik de vragen langer en zette een paar kaders bij het geheel. Ook was het intro nogal langgerekt.
Het resultaat stuurde ik naar het impresario. Die liet per kerende mail weten boos te zijn. Dit kon zo niet, alleen de originele vragen mochten worden afgedrukt, de kaders moeste weg en dat het geheel 3000 woorden moest tellen, had ik eerder moeten zeggen. Maar. Dat had ik gezegd.
Enfin. In overleg met Danny Koks, de hoofdredacteur van Nieuwe Revu, plaatsen we het interview toch, en wel exact volgens de wensen van Dorrestijn en zijn impresario. Ik laat dat van tevoren niet meer weten aan Dorrestijn en zijn gevolg. Het gevolg is dat ik wederom een boze mail krijg van het impresario. ‘Hans voelt zich bedrogen’, schrijft ze.
ZO DOEN ZIJ HET
Frénk van der Linden. Publiceerde spraakmakende interviews in onder andere Nieuwe Revu, HP/De Tijd, Vrij Nederland, HUMO, De Morgen en NRC Handelsblad. Momenteel schrijft hij voor de Volkskrant.
‘Of ik wel eens gedonder heb gehad met het accorderen van interviews? Breek me de bek niet open! Ik ben in 1978 begonnen met het maken van interviews, ik heb er intussen duizenden gedaan. Dat is één grote lange, leerzame weg geweest met vallen en opstaan. Het schrijven van goede interviews is een vak. Het begint met de vraag of die ander jou vertrouwt. Als je toegelaten wilt worden in het diepst van andermans ziel, moet je zelf te vertrouwen zijn. Dus ook achteraf geen hoerentrucs uithalen. Zo van: die kort-door-de-bocht-kop-is-van-mijn-eindredacteur.
Als je elkaar vertrouwt, kun je over en weer room to move geven. Dat heb je ook nodig als je een driedimensionale ontmoeting in tweedimensionaal papier en inkt probeert. Al bij het eerste contact zeg ik tegen de interview-kandidaat: ‘Ik eis dat u het stuk straks ruimschoots op tijd leest, van A tot en met Z corrigeert en dingen verbetert die ik niet goed heb begrepen – ik sta open voor elke suggestie. En: “Bij een eventueel strijdpunt beluisteren we de opname en geeft die de doorslag.” Neem dus altijd al je interviews op. Dat is je journalistieke verzekeringspolis.’
Nathalie Huigsloot, freelance interviewer. Publiceerde en publiceert onder andere in Volkskrant Magazine, VARAGids, HPdeTijd en Linda.
‘Ik vind interviewen bijna altijd heel erg leuk om te doen, maar het accorderen van een interview zeker niet altijd. Als ik iemand aardig ben gaan vinden, vind ik mezelf soms terug in een bloedlinke spagaat. Voor de opdrachtgever en de kwaliteit van het stuk wil ik de openhartigheid die er tijdens het gesprek was op papier behouden, want als je mensen interviewt, wil je ze tot leven brengen, laten zien wie ze zijn. Dat is mijn werk. Ik houd niet van knipselmapinterviews. Daarom bel ik voor een interview vaak mensen op die hem of haar goed kennen. Waar zit de kern? Tegelijkertijd houd ik niet van conflicten. En als ik tot de kern kom, schrikken mensen daar achteraf soms van. Dat willen ze dan toch liever niet in de media hebben. Of meer precies, wie schrikken? Woordvoerders. Impresario’s. Die halen vaak al het leven uit een interview.
En om dat voor elkaar te krijgen geven ze de journalist de schuld. Dan wordt er gezegd (of geschreeuwd) dat ik, als ik het publiceer, verantwoordelijk ben voor het einde van de carrière van de acteur. Of dat de geïnterviewde actrice na lezing van het stuk al dagen huilend onder haar kussen ligt. En dat ze dat nog nóóit hebben meegemaakt. Wat betekent dat ik dus wel de duivel op aarde moet zijn. Als er écht problemen zijn, haal ik mijn opdrachtgever erbij. Die staan gelukkig wel altijd achter me. Maar al die woordvoerders en impresario’s maken het werk er niet echt leuker op. Ze zouden voor hun artiesten moeten zorgen, maar dat doen ze vaak juist niet. En de artiesten voor wie zij werken, zien dat dan weer niet. Omdat ik niet van conflicten houd, probeer ik vaak iedereen tevreden te houden. Daarom werk ik maar zo veel als mogelijk om woordvoerders heen. En artiesten die bij een kwaadaardig impresario zitten, die interview ik niet meer.’
Stan de Jong, interviewer voor onder andere HP/De Tijd en Nieuwe Revu. Is tevens auteur van non-fictieboeken en als docent journalistiek verbonden aan Hogeschool Saxion.
‘Of ik wel eens gezeik heb gehad na het afnemen van een interview? Zeker, dat comes with the job. Als mensen per se niet willen dat ik een bepaalde quote van ze gebruik, dan ga ik in overleg. Eerst met mezelf. Is het een belangrijke quote? Dan blijft die staan. Als het onbelangrijk is, wil ik wel eens mild zijn. Soms bouw je wat “onderhandelingsruimte” in. Dat eruit, dat erin en dat blijft staan. Ik heb onlangs aan mijn studenten het vak Interviewen gegeven en daarin kwam tijdens de les het accorderen ter sprake, dit onder meer in verband met de vrijheid van de journalist om lichte aanpassingen te doen op de letterlijk uitgesproken tekst.’
Boudewijn Geels, was als (interview)journalist en hoofdredacteur verbonden aan HP/De Tijd. Is nu journalist en eindredacteur bij Het Financieel Dagblad, schrijft tevens interviews voor Villamedia.
‘Ik neem elk interview op – voor de zekerheid meestal dubbel – en werk alles eerst helemaal uit. Meestal nog handmatig, want de brei die Amberscript ook anno nu helaas nog vaak aflevert maakt het niet per se makkelijker. Bij stiltes tel ik zelfs het aantal seconden dat iemand zwijgt. ‘Uhhs’ schrijf ik ook letterlijk zo uit. Kortom: een kracht verslindende en tijdrovende manier van werken. Maar anders kan ik het niet. Denk ik althans. En je krijgt er wel de beste artikelen door, vind ik. Vanwege die zorgvuldigheid heb ik ook niet zo vaak gedoe.’
Tips voor het laten accorderen van je interview
• Maak van tevoren goede, duidelijke en heldere afspraken met degene die je gaat interviewen. Zet die afspraken op de mail.
• Neem je interviews altijd op, zodat je bewijs hebt dat er iets is gezegd (of juist niet).
• Als je de tijd hebt: werk interviews die je hebt opgenomen in beginsel zo veel als mogelijk vrij letterlijk uit. Schaven kan altijd nog, maar dan heb je in elk geval de origine tekst op papier staan.
• Geen tijd of geen zin? Laat je bandjes uittikken door bijvoorbeeld een student journalistiek. Er zijn ook transcriptieprogramma’s, maar niet iedere journalist is daar even enthousiast over.
• Stuur je uitgewerkte interview op als pdf-bestand. Dan kunnen eventuele persvoorlichters, woordvoerders en de geïnterviewde zelf er niet in wijzigen. Stuur je een Word-bestand, dan krijg je het veelal retour met eindeloos veel rood erin.


Praat mee