website over journalistiek

x

Villamedia heeft een app

 

In Memoriam Frans van Hasselt (1927-2011)

Marjolein Slats — Geplaatst op dinsdag 8 maart 2011, 13:50

Personalia

In de stromende regen is woensdag 2 maart NRC-correspondent for ever Frans van Hasselt in Athene begraven. De opkomst was indrukwekkend. Er waren vertegenwoordigers van de krant, de Nederlandse ambassade, Het Nederlandse Instituut in Athene, veel Nederlandse en nog meer Griekse vrienden en zijn oudere broer Bram die de laatste jaren niet meer op bezoek kon komen, maar op 89-jarige leeftijd voor dit laatste eerbetoon de reis naar Griekenland nog een keer ondernam. 

Er werd veel gespeecht: over Frans’ encyclopedische kennis van de Griekse politiek, geschiedenis, taal, poëzie en muziek, over zijn unieke talent om een brug te slaan ‘tussen het Griekse hart en het Nederlandse verstand, en andersom’, zoals iemand het zo treffend verwoordde, en voor de subtiele kunst die hij bezat om met de Griekse volksgeest te versmelten zonder ooit een journalistiek gezonde afstand te verliezen.

Hij hield innig van Griekenland, maar verloor nooit zijn kritisch vermogen, hij kon lyrisch schrijven over de Griekse deugden en ongenadig bulderen over de Griekse tekortkomingen. Vooral de laatste tijd, nu er een ongekende anti-Griekse houding in Europa woedt, was zijn genuanceerde pen een welkom en noodzakelijk ‘Ander Geluid’.

‘Je leefde als een Griek, maar sprak nooit over “wij’’’, schreef NRC.

Die geraffineerde en veel geprezen afstandelijkheid lag in zijn aard: ze was niet alleen het resultaat van zijn journalistieke ethiek, maar kwam ook voort uit zijn schuchtere inborst. Ze kleurde zijn manier van ons vak bedrijven. Ik herinner me hoe we samen een keer, begin jaren negentig, langs het Zappion, het park achter het Griekse parlement, wandelden. Op een bankje zat een verfomfaaid zwerversechtpaar met een supermarkt karretje vol rotzooi en plastic zakken. Frans observeerde ze al een paar weken, vertelde hij. Hij gaf ze af en toe wat geld en was buitengewoon nieuwsgierig. Wie waren die mensen?  Waar kwamen ze vandaan? Hoe waren ze clochards geworden? En: waren ze getrouwd, want ze waren zo innig met elkaar. Ryszard Kapuscinski –achtige vragen. Hij vroeg of ik naar ze toe wilde gaan om ze te stellen.

‘Hoezo?’, vroeg ik, ‘Waarom doe je dat niet zelf?’

‘Daar ben ik te verlegen voor’, biechtte hij op.

‘Maar hoe kom jij dan aan al die menselijke verhalen van je?’ Ik was stomverbaasd.

‘Ik? Ik ga altijd ergens aan een tafeltje zitten, met wijn, en dan wacht ik op wie er bij mij aanschuift’. Zijn ogen hadden pret twinkels.

Ik vroeg het zwerversstel uit naam van Frans de oren van het hoofd, terwijl hij al doorliep naar Zorbas, zijn stamtaverna in de Plaka vlak onder de Akropolis. Langzaam, want het was bloedheet en dan moest je van Frans als een slak lopen. Sneller was ongezond in zo’n klimaat, beweerde hij stellig.

De man en vrouw spraken een raar soort zangerig, soms onverstaanbaar Grieks, maar ik begreep dat ze afkomstig waren uit Suhumi, aan de Zwarte Zee. Ze waren door de oorlog in Abchazie hun huis verloren, naar Griekenland gevlucht en aan de bedelstaf geraakt. En ja, ze waren al 30 jaar ‘gelukkig getrouwd’.
Aan zijn vaste tafeltje vertelde ik hem braaf over hun perikelen.

Och arme, dan waren het Pontiers, wist hij meteen. En ik kreeg onmiddellijk een college over de Griekse Pontiers, hoe ze 3000 jaar geleden al naar het Zwarte Zee gebied waren uitgezwermd, hoe bijzonder het was dat ze hun taal hadden weten te behouden, waardoor ze nog steeds, zij het met moeite, te verstaan waren en over de exodus van de laatste jaren van deze ‘ooit Grieken’ naar hun Patrida, het oeroude Griekse Vaderland, dat in hun collectieve geheugen mythische vormen had aangenomen, maar in werkelijkheid een Grote Teleurstelling was. Daarvan getuigde het winkelkarretje wel.

En zo ontstond door de jaren heen een eigenaardige samenwerking. Soms stuurde Frans mij er op uit om verhalen, quotes en reacties te sprokkelen. Als ik terug kwam, voorzag hij ze van een kader, gaf hij ze betekenis.

Ik heb Frans leren kennen in 1983, toen ik als jonge journaliste voor het Zaterdagsbijvoegsel van zijn krant een portret moest maken van Melina Mercouri, de Griekse diva, oud-actrice en toenmalig Minister van Cultuur. Ik wist niets van Griekenland, weinig van Melina, maar dankzij de hulp van Frans is dat niemand opgevallen. Sindsdien, bijna dertig jaar lang, heb ik geen radio of televisie reportage over Griekenland gemaakt, geen artikel over geschreven zonder hem raad te plegen – en altijd vond hij wel een foutje: een verkeerde datum, een verkeerd gespelde naam, een woord dat net even anders was.

Ik ben niet de enige die zich nu vertwijfeld afvraagt wie te bellen voor de Griekse Waarheid. Hele legers verslaggevers, tv ploegen, scripties schrijvende studenten, diplomaten en documentairemakers konden uit de immense feitenkennis van Frans putten. Hij was altijd behulpzaam, en altijd net zo bescheiden als genereus.
‘Wij en Buza zullen het moeilijk krijgen zonder Frans,’ voorspelde de tweede man van de Nederlandse ambassade. Wanneer er weer eens een ingewikkelde bespreking over Cyprus of Macedonië was en men iets niet precies meer wist, dan werd Kirios Frans gebeld, ‘meneer Frans’ zoals iedereen hem noemde.

Frans van Hasselt stierf toen hij aan het einde van zijn financiële Latijn was. Ik was er toevallig bij op het moment hij zijn eerste post over zijn pensioen openmaakte: hij schrok, want dat bleek uiterst karig te zijn. Vandaar dat hij tot zijn dood door moest schrijven. De NRC heeft hem bijgestaan, ook toen het eigenlijk niet meer kon. Hij had grote moeite met de moderne technologie - ‘Niks voor mij hoor!’

Toen hij alweer decennia geleden nog maar de enige redacteur was die gebruik maakte van de NRC stenograaf, die zijn door de telefoon gedicteerde stukken trouw op typte, moest hij tot zijn grote ongenoegen overgaan op een tikmachine en een fax. Pas vorig jaar kocht hij een computer. Ik was er alweer toevallig bij toen hij op een middag zijn allereerste stuk had doorgemaild. Daar moest in Zorbas flink op gedronken worden. De volgende dag belde ik hem om te vragen of zijn stuk ook echt in de krant was gekomen, want ik was er niet helemaal gerust op.

‘Ik begrijp het ook niet, de helft is maar aangekomen en toen hebben ze mijn halve stuk gepubliceerd. Dat vind ik niet zo leuk’. Hij bleek niet op ‘opslaan’ te hebben gedrukt.

Frans heeft zijn digi block nooit helemaal overwonnen, maar zijn onmetelijke kennis compenseerde dat meer dan ruimschoots.

Met weemoed denk ik terug aan ons allerlaatste gesprek, drie weken geleden, over de telefoon. Ik praatte hem soms bij over Nederland en vertelde hem over de nieuwe ‘filosofie’  van Hans Laroes en de NOS hoofdredactie die doodsbang zijn voor het zogenaamde Eddo Rosenthal syndroom, waardoor ze hebben besloten dat correspondenten dogmatisch om de paar jaar moeten rouleren, dat niemand lang op een standplaats mag blijven zitten, en dat alles om ‘een frisse Nederlandse blik op het buitenland’ te garanderen . Uitstekend functionerende verslaggevers met grote kennis van zaken en een unieke passie voor ‘hun’ regio, worden zonder pardon de laan uitgestuurd en de Nederlandse nieuwsconsument ontnomen.

‘Wat een onzinnige filosofie’, brieste hij, ‘bestaat er dan ook zoiets als een Frans van Hasselt syndroom? Daar heb ik nog nooit van gehoord hoor!’

Hij wond zich vreselijk op over zoveel onnozelheid, noemde Hans Laroes een sufferd en vreesde het ergste voor de kwaliteit van de toekomstige verslaggeving vanuit het buitenland.

‘Daar moet ik dan maar binnenkort eens een stukje over schrijven’, besloot hij.

Het is er niet meer van gekomen.

Na meer dan vijftig jaar correspondentschap heeft Frans van Hasselt een pijnlijke leegte achtergelaten die niemand kan opvullen.

Met hem is niet alleen een groot correspondent heengegaan, het is het einde van een bepaald soort journalistiek: die van de ‘afstandelijke versmelting’.

Ingeborg Beugel

In de stromende regen is woensdag 2 maart NRC-correspondent for ever Frans van Hasselt in Athene begraven. De opkomst was indrukwekkend. Er waren vertegenwoordigers van de krant, de Nederlandse ambassade, Het Nederlandse Instituut in Athene, veel Nederlandse en nog meer Griekse vrienden en zijn oudere broer Bram die de laatste jaren niet meer op bezoek kon komen, maar op 89-jarige leeftijd voor dit laatste eerbetoon de reis naar Griekenland nog een keer ondernam. 

Er werd veel gespeecht: over Frans’ encyclopedische kennis van de Griekse politiek, geschiedenis, taal, poëzie en muziek, over zijn unieke talent om een brug te slaan ‘tussen het Griekse hart en het Nederlandse verstand, en andersom’, zoals iemand het zo treffend verwoordde, en voor de subtiele kunst die hij bezat om met de Griekse volksgeest te versmelten zonder ooit een journalistiek gezonde afstand te verliezen.

Hij hield innig van Griekenland, maar verloor nooit zijn kritisch vermogen, hij kon lyrisch schrijven over de Griekse deugden en ongenadig bulderen over de Griekse tekortkomingen. Vooral de laatste tijd, nu er een ongekende anti-Griekse houding in Europa woedt, was zijn genuanceerde pen een welkom en noodzakelijk ‘Ander Geluid’.

‘Je leefde als een Griek, maar sprak nooit over “wij’’’, schreef NRC.

Die geraffineerde en veel geprezen afstandelijkheid lag in zijn aard: ze was niet alleen het resultaat van zijn journalistieke ethiek, maar kwam ook voort uit zijn schuchtere inborst. Ze kleurde zijn manier van ons vak bedrijven. Ik herinner me hoe we samen een keer, begin jaren negentig, langs het Zappion, het park achter het Griekse parlement, wandelden. Op een bankje zat een verfomfaaid zwerversechtpaar met een supermarkt karretje vol rotzooi en plastic zakken. Frans observeerde ze al een paar weken, vertelde hij. Hij gaf ze af en toe wat geld en was buitengewoon nieuwsgierig. Wie waren die mensen?  Waar kwamen ze vandaan? Hoe waren ze clochards geworden? En: waren ze getrouwd, want ze waren zo innig met elkaar. Ryszard Kapuscinski –achtige vragen. Hij vroeg of ik naar ze toe wilde gaan om ze te stellen.

‘Hoezo?’, vroeg ik, ‘Waarom doe je dat niet zelf?’

‘Daar ben ik te verlegen voor’, biechtte hij op.

‘Maar hoe kom jij dan aan al die menselijke verhalen van je?’ Ik was stomverbaasd.

‘Ik? Ik ga altijd ergens aan een tafeltje zitten, met wijn, en dan wacht ik op wie er bij mij aanschuift’. Zijn ogen hadden pret twinkels.

Ik vroeg het zwerversstel uit naam van Frans de oren van het hoofd, terwijl hij al doorliep naar Zorbas, zijn stamtaverna in de Plaka vlak onder de Akropolis. Langzaam, want het was bloedheet en dan moest je van Frans als een slak lopen. Sneller was ongezond in zo’n klimaat, beweerde hij stellig.

De man en vrouw spraken een raar soort zangerig, soms onverstaanbaar Grieks, maar ik begreep dat ze afkomstig waren uit Suhumi, aan de Zwarte Zee. Ze waren door de oorlog in Abchazie hun huis verloren, naar Griekenland gevlucht en aan de bedelstaf geraakt. En ja, ze waren al 30 jaar ‘gelukkig getrouwd’.
Aan zijn vaste tafeltje vertelde ik hem braaf over hun perikelen.

Och arme, dan waren het Pontiers, wist hij meteen. En ik kreeg onmiddellijk een college over de Griekse Pontiers, hoe ze 3000 jaar geleden al naar het Zwarte Zee gebied waren uitgezwermd, hoe bijzonder het was dat ze hun taal hadden weten te behouden, waardoor ze nog steeds, zij het met moeite, te verstaan waren en over de exodus van de laatste jaren van deze ‘ooit Grieken’ naar hun Patrida, het oeroude Griekse Vaderland, dat in hun collectieve geheugen mythische vormen had aangenomen, maar in werkelijkheid een Grote Teleurstelling was. Daarvan getuigde het winkelkarretje wel.

En zo ontstond door de jaren heen een eigenaardige samenwerking. Soms stuurde Frans mij er op uit om verhalen, quotes en reacties te sprokkelen. Als ik terug kwam, voorzag hij ze van een kader, gaf hij ze betekenis.

Ik heb Frans leren kennen in 1983, toen ik als jonge journaliste voor het Zaterdagsbijvoegsel van zijn krant een portret moest maken van Melina Mercouri, de Griekse diva, oud-actrice en toenmalig Minister van Cultuur. Ik wist niets van Griekenland, weinig van Melina, maar dankzij de hulp van Frans is dat niemand opgevallen. Sindsdien, bijna dertig jaar lang, heb ik geen radio of televisie reportage over Griekenland gemaakt, geen artikel over geschreven zonder hem raad te plegen – en altijd vond hij wel een foutje: een verkeerde datum, een verkeerd gespelde naam, een woord dat net even anders was.

Ik ben niet de enige die zich nu vertwijfeld afvraagt wie te bellen voor de Griekse Waarheid. Hele legers verslaggevers, tv ploegen, scripties schrijvende studenten, diplomaten en documentairemakers konden uit de immense feitenkennis van Frans putten. Hij was altijd behulpzaam, en altijd net zo bescheiden als genereus.
‘Wij en Buza zullen het moeilijk krijgen zonder Frans,’ voorspelde de tweede man van de Nederlandse ambassade. Wanneer er weer eens een ingewikkelde bespreking over Cyprus of Macedonië was en men iets niet precies meer wist, dan werd Kirios Frans gebeld, ‘meneer Frans’ zoals iedereen hem noemde.

Frans van Hasselt stierf toen hij aan het einde van zijn financiële Latijn was. Ik was er toevallig bij op het moment hij zijn eerste post over zijn pensioen openmaakte: hij schrok, want dat bleek uiterst karig te zijn. Vandaar dat hij tot zijn dood door moest schrijven. De NRC heeft hem bijgestaan, ook toen het eigenlijk niet meer kon. Hij had grote moeite met de moderne technologie - ‘Niks voor mij hoor!’

Toen hij alweer decennia geleden nog maar de enige redacteur was die gebruik maakte van de NRC stenograaf, die zijn door de telefoon gedicteerde stukken trouw op typte, moest hij tot zijn grote ongenoegen overgaan op een tikmachine en een fax. Pas vorig jaar kocht hij een computer. Ik was er alweer toevallig bij toen hij op een middag zijn allereerste stuk had doorgemaild. Daar moest in Zorbas flink op gedronken worden. De volgende dag belde ik hem om te vragen of zijn stuk ook echt in de krant was gekomen, want ik was er niet helemaal gerust op.

‘Ik begrijp het ook niet, de helft is maar aangekomen en toen hebben ze mijn halve stuk gepubliceerd. Dat vind ik niet zo leuk’. Hij bleek niet op ‘opslaan’ te hebben gedrukt.

Frans heeft zijn digi block nooit helemaal overwonnen, maar zijn onmetelijke kennis compenseerde dat meer dan ruimschoots.

Met weemoed denk ik terug aan ons allerlaatste gesprek, drie weken geleden, over de telefoon. Ik praatte hem soms bij over Nederland en vertelde hem over de nieuwe ‘filosofie’  van Hans Laroes en de NOS hoofdredactie die doodsbang zijn voor het zogenaamde Eddo Rosenthal syndroom, waardoor ze hebben besloten dat correspondenten dogmatisch om de paar jaar moeten rouleren, dat niemand lang op een standplaats mag blijven zitten, en dat alles om ‘een frisse Nederlandse blik op het buitenland’ te garanderen . Uitstekend functionerende verslaggevers met grote kennis van zaken en een unieke passie voor ‘hun’ regio, worden zonder pardon de laan uitgestuurd en de Nederlandse nieuwsconsument ontnomen.

‘Wat een onzinnige filosofie’, brieste hij, ‘bestaat er dan ook zoiets als een Frans van Hasselt syndroom? Daar heb ik nog nooit van gehoord hoor!’

Hij wond zich vreselijk op over zoveel onnozelheid, noemde Hans Laroes een sufferd en vreesde het ergste voor de kwaliteit van de toekomstige verslaggeving vanuit het buitenland.

‘Daar moet ik dan maar binnenkort eens een stukje over schrijven’, besloot hij.

Het is er niet meer van gekomen.

Na meer dan vijftig jaar correspondentschap heeft Frans van Hasselt een pijnlijke leegte achtergelaten die niemand kan opvullen.

Met hem is niet alleen een groot correspondent heengegaan, het is het einde van een bepaald soort journalistiek: die van de ‘afstandelijke versmelting’.

Ingeborg Beugel

Villamedia Sluiten

Inloggen

Registreren

Vul onderstaande gegevens in voor exclusieve toegang voor NVJ-leden.