banner cop

— dinsdag 24 september 2019, 10:44 | 0 reacties, praat mee

Elma Drayer: Hoezo zou je ­alleen adequaat over werkelijk­heden kunnen berichten die je uit ervaring kent?

Elma Drayer. - © Foto: Jelmer de Haas

In de ogen van Elma Drayer is er niks mis met het najagen van veelkleurigheid in het colofon. Maar diversiteit moet je niet nastreven omdat mensen van kleur anders naar de wereld zouden kijken. Diversiteit moet je nastreven omdat er geen enkele reden is waarom je mensen van kleur zou buitensluiten. Ze schreef het boek ‘Witte schuld’, over identiteits­politiek. Onder meer in de mediawereld.

Bij mijn weten was De Correspondent het eerste nieuwsmedium dat zich bekeerde. Opgetogen meldde het in oktober 2015 dat de redactie zich bewust was geworden van haar ‘witte blik’. Dus had ze de stijlregels aangepast: begrippen als blank en allochtoon waren voortaan taboe. Ook kondigde ze aan twee nieuwe vacatures exclusief te bestemmen voor kandidaten ‘die ons helpen een betere afspiegeling van de samenleving te worden’. Doorslaggevende functie-eis: een ‘achtergrond, afkomst en wereldbeeld’ die verschilden van die van de huidige redactie.

In de gewichtige woorden van toenmalig adjunct-hoofdredacteur Karel Smouter: ‘Om onze rol als informatiebron voor burgers in een democratie te kunnen vervullen, moeten we de burgers in die democratie ook zo goed mogelijk vertegenwoordigen. Dat gebeurt nu onvoldoende.’

Het is een klacht die je dikwijls hoort: de Nederlandse nieuwsmedia zouden witte bolwerken zijn. ‘Bleke burelen’, in de woorden van voormalig Trouw-journalist Seada Nourhussen.

Dat kan niemand ontkennen. Volgens onderzoek van NRC Handelsblad was in 2015 slechts 3,2 procent van de journalisten op de negen grootste tv- en krantenredacties van niet-westerse komaf. Uit eenzelfde peiling in 2018 bleek dat 5,4 procent van de redacteuren zo’n achtergrond bezat. Een minieme stijging.

Toch bleek er in dat korte tijdsbestek wel degelijk iets veranderd. Zagen hoofdredacties in 2015 het gebrek aan etnische diversiteit nauwelijks als probleem, drie jaar later zeiden vrijwel alle ondervraagden ‘het belangrijk te vinden dat de redacties minder eenzijdig zijn samengesteld, en dat ze er tot hun verdriet onvoldoende in slagen om daar iets aan te doen’.

Grofweg dragen de pleitbezorgers voor meer kleur in het journalistenbestand drie argumenten aan. Het eerste, ook genoemd door De Correspondent, luidt dat de nieuwsmedia een ‘afspiegeling’ dienen te vormen van de Nederlandse samenleving. En aangezien op dit moment zo’n 13 procent van de bevolking een niet-westerse achtergrond heeft, zou dat tevens moeten gelden voor journalisten.

Op dat afspiegelingsargument valt nogal wat af te dingen. De hedendaagse, ontzuilde nieuwsredacties zijn nooit een getrouwe afspiegeling van de Nederlandse bevolking geweest. Burgers met een rechtse of steil-christelijke achtergrond bijvoorbeeld zijn er zwaar ondervertegenwoordigd. Toch hebben weinig hoofdredacties daar een knagend geweten over, laat staan dat ze naarstig op zoek gaan naar rechtse en steil-christelijke journalisten teneinde eenzijdige berichtgeving en een beperkte blik te voorkomen. Waarom dan wel als het gaat om migratieachtergrond?

Een verslaggever hoort niet zijn eigen wereld als maatstaf te nemen, een verslaggever moet zijn wereld vergroten

Belangrijker, hoezo zou je alleen adequaat over werkelijkheden kunnen berichten die je uit ervaring kent? Terecht noemde NRC-columnist Tom-Jan Meeus het in mei 2018 ‘een pijnlijk misverstand’ dat mensen beter over een bepaalde groep schrijven als ze er deel van zijn (geweest). ‘Dan kun je Groningers pas echt begrijpen als je Groninger bent. Chinezen als je Chinees bent. Maar een verslaggever hoort niet zijn eigen wereld als maatstaf te nemen, een verslaggever moet zijn wereld vergroten. Een verslaggever is belangstellend voor wat hij nog niet weet, hopelijk niet voor wat hij allang weet.’

Het tweede argument dat de pleitbezorgers aandragen luidt dat autochtone journalisten ‘cultureel besef’ ontberen, een antenne voor etnische gevoeligheden. Zie het relletje in de zomer van 2015 rond een bespreking van Guus Valk, Amerika-correspondent van NRC. Buiten zijn medeweten kwam boven de recensie een citaat te staan uit een van de besproken titels: ‘Nigger, are you crazy?’ – maar dan zonder aanhalingstekens. Tekeningen van een karikaturale zwarte vrouw met rode lippen illustreerden het racisme dat de boeken beschreven en dat de recensent uitvoerig hekelde.

Na een woedende blog van een opinieredacteur van The Washington Post – ze noemde kop en illustraties ‘beyond comprehension at least, and rage-inducing at worst’ – bood de hoofdredactie van NRC onmiddellijk excuses aan, liet op de website de kop vervangen en de tekeningen verwijderen.

Nu lijkt het mij reuze verstandig om rekening te houden met gevoeligheden – maar wel tot op zekere hoogte.

Het beeldbeleid van het platform OneWorld bijvoorbeeld gaat mij wat ver. In december 2018 verklaarde de redactie dat haar bewustzijn gegroeid was ‘over de verantwoordelijkheid die komt met een divers publiek met diverse mogelijke (traumatische) achtergronden en ervaringen’. Dus deed zij foto’s van Zwarte Piet in de ban, ‘om zo geen racisme te reproduceren en zwarte lezers niet te confronteren met deze beelden, omdat het een emotionele reactie op kan roepen’.
Zou een divers publiek werkelijk overstuur raken van beelden die het overal en waarschijnlijk tot gekmakends toe tegenkomt? Veronderstellen dat het daar niet tegen kan riekt naar paternalisme.

De publieke opinie laat zich allang niet meer exclusief voeden door de traditionele media

Het derde argument hoor je het vaakst: diversiteit moet omdat de media beïnvloeden hoe wij naar de werkelijkheid kijken. Of, zoals actrice Anousha Nzume zei in een interview met de Volkskrant: ‘We worden slecht vertegenwoordigd in de media, terwijl die het discours bepalen.’ Menigeen vindt in één moeite door dat de pers de plicht heeft om bij te dragen aan het tegengaan van ‘sociale ongelijkheid’ en ‘polarisatie’, en aan het bevorderen van het ‘slagen van de multiculturele samenleving’.

Dit argument veronderstelt dat nieuwsredacties beschikken over ongelooflijk veel macht. Ook daar valt vrees ik nogal wat op af te dingen. De publieke opinie laat zich allang niet meer exclusief voeden door de traditionele media. Zij zijn slechts één stem tussen vele andere stemmen. Leerzaam wat dat betreft was het Continu Onderzoek Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit het tweede kwartaal van 2017, dat expliciet aandacht besteedde aan het mediagebruik in Nederland. Zowel jongeren (tot 34 jaar) als ouderen bleken zich ‘aanzienlijk minder’ dan in 2008 tot de klassieke media te wenden om politiek op de hoogte te blijven.

En al zouden de media wél over veel macht beschikken, dan nog zouden ze zich naar mijn smaak verre moeten houden van een politieke agenda. Voor je het weet beschrijf je niet de werkelijke maar de gewenste werkelijkheid.

In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw legde Vrij Nederland-redacteur Gerard van Westerloo zich toe op het beschrijven van de onderkant van de samenleving. Zijn verhalen, vaak gemaakt met Elma Verhey, brachten de autochtone onvrede over de multiculturele realiteit in beeld – ruimschoots vóór die doordrong tot politiek Den Haag. In 1984 kwam een verhaal over de Amsterdamse trambestuurders van lijn 16 het duo op een berisping te staan van de werkgroep Media en Racisme, gesteund door journalistenvakbond NVJ. Van Westerloo en Verhey hadden zich volgens de werkgroep bezondigd aan ‘het verspreiden van racistische propaganda’.

Om ideologische redenen niet mogen opschrijven wat er gebeurt is ongeveer het ergste wat je een rechtschapen journalist kunt aandoen. In mijn ogen dreigt hetzelfde als wij van de media ons nu moeten bezighouden met het tegengaan van sociale ongelijkheid en polarisatie, of met het bevorderen van het slagen van de multiculturele samenleving. Juist de klassieke journalistiek zou het sieren als ze zich verre hield van welke pogingen tot Weltverbesserung ook – om de eenvoudige reden dat zo’n moreel-ideologisch doel onvermijdelijk de blik vertroebelt op wat er werkelijk aan de hand is.

Daarom ben ik ook geen liefhebber van de zogeheten constructieve journalistiek, stroming die wil bijdragen aan een betere samenleving. Nastrevenswaardig doel, daar niet van. Alleen niet voor de journalist. Hij dient zijn handen vol te hebben aan het beschrijven wát er gebeurt. Op de vraag naar wat er zou móéten gebeuren dient hij te verwijzen naar de politiek, het actiewezen, de kerk. De werkelijkheid naar eer en geweten beschrijven is al moeilijk genoeg.

Diversiteit zou een kwestie van beschaving moeten zijn.

Net zoals je niet meer alleen mannen op de werkvloer wilt, zou je ook geen compleet witte redactie meer moeten willen. Dat zou zo mal moeten zijn dat je je best doet om er een einde aan te maken – bijvoorbeeld door als sollicitatiecommissie te beseffen dat je niet slechts moet zoeken naar nieuwe collega’s die sprekend op je lijken.
Diversiteit moet je simpelweg doen.

Want wie daarbovenop verwacht – zie De Correspondent – dat de binnengehaalde minderheden tevens heel bijzondere perspectieven met zich meebrengen, begaat een treurige vergissing.

Decennialang werden vrouwelijke journalisten geacht heel speciale invalshoeken met zich mee te brengen. Dus moesten zij schrijven over breipatronen, opvoedingsperikelen en de Huishoudbeurs. Die fase zijn we goddank voorbij. Nu in dezelfde valkuil tuimelen bij allochtone journalisten lijkt mij geen goed idee.
Logischerwijs betekent dit immers dat zij zich moeten bezighouden met pakweg arbeidsmarktdiscriminatie, etnisch profileren en geradicaliseerde moslimjongeren. Ook als ze zich liever zouden willen buigen over klimaatverandering of het basisinkomen. En dat terwijl autochtone collega’s wél alle vrijheid hebben om zich aan de hele wereld te wijden.

Gevolg is bovendien dat de rest van de redactie zich nóg minder druk zal maken om arbeidsmarktdiscriminatie, etnisch profileren en geradicaliseerde moslimjongeren. Dat doen de afgespiegelden immers wel. Aldus gemotiveerde diversiteit zal geen redactie genezen van de witte blik. Als dat het grote probleem is, is het juist de slechtst denkbare oplossing.

Dit essay is een sterk ingekorte en licht bewerkte tekst uit het hoofdstuk ‘Bleke burelen’ uit het boek ‘Witte Schuld’ (uitgeverij Atlas Contact, ISBN 9789045031774, 240 pagina’s, € 19,99).

 

Elma Drayer (Drachten, 1957) studeerde ­Nederlandse taal- en letter­kunde en is sinds 1985 werkzaam als journalist.
Ze was zestien jaar redacteur bij Vrij Nederland en bijna veertien jaar bij Trouw.
Ook was ze mederedacteur van het Verzameld werk van Karel van het Reve.
Sinds 2015 is ze als columnist en recensent verbonden aan de Volkskrant. Daarnaast is ze onder meer bestuurslid van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
In 2010 verscheen haar boek ‘Verwende prinsesjes’.

Praat mee

Colofon

Villamedia is een uitgave van Villamedia Uitgeverij BV

Postadres

Villamedia Uitgeverij BV
Postbus 75997
1070 AZ Amsterdam

Bezoekadres

Johannes Vermeerstraat 22
1071 DR Amsterdam

Contact

redactie@villamedia.nl
020-30 39 750

Redactie (tips?)

Dolf Rogmans
Hoofdredacteur, 020-30 39 751

Marjolein Slats
Adjunct-hoofdredacteur, 020-30 39 752

Linda Nab
Redacteur, 020-30 39 758

Lars Pasveer
Redacteur, 020-30 39 755

Trudy Brandenburg-Van de Ven
Redacteur, 020-30 39 757

Anneke de Bruin
Vormgever, 020-30 39 753

Marc Willemsen
Webontwikkelaar, 020-30 39 754

Vacatures & advertenties

Karen Bais
020-30 39 756

Sofia van Wijk
020-30 39 711

Bereik

Villamedia trekt maandelijks gemiddeld 120.000 unieke bezoekers. De bezoekers genereren momenteel zo’n 800.000 pageviews.

Rechten

Villamedia heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van beelden en teksten te achterhalen. Meen je rechten te kunnen doen gelden, dan kun je je bij ons melden.